‘De Golem en de Djinn’ door Helene Wecker

De golem is een figuur uit de mystieke Joodse wereld. De golem was een mensfiguur, gemaakt van klei, die tot leven gewekt kon worden middels allerlei rituelen. De bekendste golem is degene die door rabbi Judah Löw in Praag werd gemaakt in de 16e eeuw om de Joodse gemeente te beschermen tegen antisemitisme. Hij had de vorm van een grote man die enorm sterk was.
Een golem moet zijn meester dienen, hij is dus slaaf en verdediger. Over het algemeen is men bang voor hem, want hij is onberekenbaar en kan gewelddadig worden. Er zijn meer golems in de geschiedenis geweest en ook een enkele keer in vrouwelijke vorm.

Een djinn is een bovennatuurlijk onzichtbaar wezen uit de Arabische wereld, dat volgens sommige islamitische geleerden bezit kan nemen van mensen en ze van hun vrije wil kan ontdoen. Samen met mensen en engelen zijn djinns volgens de Koran de drie levensvormen met een bewustzijn gemaakt door Allah. Naast mensen van vlees en bloed zijn er de engelen die geschapen zijn uit licht, daarentegen zijn djinns geschapen uit een rookloze vlam van vuur. In de Koran zijn er zowel goede als slechte djinns.
Volgens Arabische overleveringen buiten de Koran, o.a. de verhalen van 1001 nacht zoals Aladin en de wonderlamp biedt een djinn drie wensen aan die hij in vervulling laat gaan. Wanneer men erop ingaat, worden de wensen vervuld, maar neemt het mythologische wezen bezit van je: een bezetenheid van demonische aard. Een variant hierop is dat djinns opgesloten zouden zitten in bepaalde voorwerpen en degene die dit voorwerp bezit moeten dienen door hun wensen te vervullen. Het bekendst zijn de djinns uit een olielamp of fles/kruik.

Schrijfster Helene Wecker groeide op in New York als kind van Joodse immigranten. Ze is getrouwd met de zoon van Arabische immigranten en gebruikte hun culturele, op het oog tegengestelde, achtergronden als inspiratiebron voor De Golem en de Djinn.

Een vrouwelijke golem uit Polen wordt tot leven gewekt op een schip op weg naar New York in 1899, maar haar meester sterft. Ze spreekt alle talen, kan gedachten lezen en is enorm sterk, maar nu is ze zonder haar meester stuurloos. Een rabbijn ontfermt zich over haar, begrijpt haar geheim en leert haar voor een menselijke vrouw door te gaan. Daarvoor moet ze vooral leren mensen op hun daden en niet op hun gedachten te beoordelen. Hij geeft haar de naam Chava en bezorgt haar onderdak en werk. Ze is verlegen, bescheiden, wil niet opvallen en wil het liefst alle mensen helpen met hun problemen. Ze doet alles om haar ware aard te verbergen, omdat mensen een haat-liefde verhouding hebben met golems. Later zal ze ontdekken dat als ze een vijand ontmoet, ze over onvermoede kracht beschikt, waardoor ze zo iemand zelfs kan doden. Voor dat element in zichzelf is ze doodsbang. Haar wereld speelt zich af in de Lower East Side van Manhattan, een wijk van New York, waar de meeste Joodse immigranten zich aanvankelijk vestigden.

In dezelfde tijd repareert een tinnegieter een oude kan en bevrijdt daardoor per ongeluk een djinn die honderden jaren opgesloten heeft gezeten in die kan. De djinn is veroordeeld tot een menselijk lichaam zolang hij een ijzeren band om zijn pols draagt die niemand kan verwijderen. De tinnegieter neemt hem in dienst als leerjongen en leert hem met instrumenten te werken i.p.v. hem zijn eigen innerlijke vuur te laten gebruiken om te smeden. Hij krijgt de naam Ahmad. Voortdurend rebelleert hij tegen zijn onvrijheid en zijn menselijke beperkingen. Hij is knap, arrogant en doet wat hij wil zonder zich te bekommeren om de gevolgen.
Via een aparte, prachtig beschreven verhaallijn, die in delen wordt gepresenteerd, komen we meer te weten over het verleden van de djinn in de Syrische woestijn. Hij heeft daar een menselijke vrouw verleid, maar is gepakt en gestraft met opsluiting in een kan. Hij heeft weinig van zijn fouten geleerd, want in New York verleidt hij een vrouw uit de hogere klasse. Haar leven wordt daardoor geruïneerd. Zijn leven speelt zich af in Little Syria, een gebied in het zuidwesten van Manhattan waar veel immigranten uit het Midden-Oosten naartoe gingen en waar later het World Trade Centre werd gebouwd.

Natuurlijk komt het moment waarop de golem en de djinn elkaar ontmoeten en dan begint een schitterend en meeslepend verhaal over hun groeiende genegenheid en hun worsteling om zich staande te houden in de Amerikaanse wereld. Omdat beiden geen slaap nodig hebben, spreken ze af samen ’s nachts te wandelen. Zo krijgen we een beeld van New York rond 1900, als een oude sepia foto, waar de armen in hun krotten en op de daken wonen en de rijken in koetsen door de parken rijden.
Wat hun eigen buurten betreft, komt Little Syria er levendiger af dan de Lower East Side. Mogelijke wrijving tussen de Arabische en Joodse wereld speelt geen enkele rol. Dat heeft enigszins te maken met de tijd waarin dit verhaal speelt. Er was nog geen Israël en geen Midden-Oosten conflict.
Al wandelend en pratend worden de grote verschillen tussen de djinn en de golem duidelijk, maar ze vormen toch een eenheid in hun anders zijn. Chava zoekt veiligheid, Ahmad de vrijheid. Beiden worden voor de lezer steeds menselijker waardoor je je steeds makkelijker met hen kunt identificeren. Het is de grote verdienste van Helene Wecker dat ze de echte wereld en de magische wereld naadloos heeft samengevoegd. In feite lees je over de immigranten uit de Oude Wereld die in Amerika moesten assimileren en daarmee een deel van hun eigen identiteit moesten opgeven. Dat levert een groot gevoel van eenzaamheid op en daar hebben alle personages in dit boek last van.

In kleine verhaallijnen worden diverse mensen beschreven die allemaal iets met Chava en Ahmad te maken hebben en prachtige miniatuurtjes opleveren. Een van hen gaat de spanning in het boek opvoeren. Dat is de kwaadaardige Yehuda Schaalman die op zoek is naar het eeuwige leven. Hij blijkt een reïncarnatie te zijn van een Syrische magiër die alles te maken heeft met het lot van Chava en Ahmad. Ook hij arriveert in New York, op zoek naar die twee. Het verhaal gaat nu snel naar een climax en eindigt dan op een manier die ruimte open laat voor een vervolg. Dat is inmiddels geschreven onder de titel The Hidden Palace, maar de Nederlandse vertaling zal nog wel even op zich laten wachten. Hopelijk niet te lang…

De Golem en de Djinn is een schitterend boek. Het verhaal is ontroerend, spannend en meeslepend. Het taalgebruik is mooi, af en toe heel romantisch en goed gekozen. Er is een gedachtewereld in verwerkt die grote bewondering verdient. Hierom, en om de gelaagdheid die verschillende interpretaties mogelijk maakt, kan dit boek gelezen en herlezen worden.
Helene Wecker heeft zich de nodige vrijheden gepermitteerd in haar beschrijving van golems en djinns, maar, zoals ze zegt in een interview: ‘Ik ben schrijver, geen cultureel antropoloog.’ Echter, de wereld van djinns is haar onbekend en die heeft ze zo goed en respectvol mogelijk weergegeven. Op Joods gebied voelde ze zich veel vrijer omdat ze zelf Joods is. Dat ze dan haar golem tot een stereotype vrouw gemaakt heeft die onderdanig is en wil dienen, vind ik een gemiste kans. Ze heeft in de sfeer van de legende willen blijven, terwijl er met die golemvrouw zoveel andere mogelijkheden waren in dit heel bijzondere boek.

Uitgeverij          Mistral, 2014
Pagina’s            542
Vertaald            uit het Engels door Carolien Metaal (The Golem and the Jinni)
ISBN                 978 9048 820 016

Recensie door Janny Wildemast, april 2021




‘Een vrouw apart en de stad’ door Vivian Gornick

Een memoir

Dit boek is deels een autobiografie, waarin de ik-figuur (schrijfster/docente) herinneringen beschrijft aan honderden ontmoetingen en gesprekken, die ze al lopend door New York heeft met voorbijgangers en vrienden.

Deels zijn het bespiegelingen over de thema’s die in de min of meer toevallige ontmoetingen aan de orde komen, waarbij het thema vriendschap als belangrijkste komt boven drijven, maar ook eenzaamheid, armoede, racisme, zingeving aan relaties en de ‘typisch New Yorkse cultuur’. Ze spreekt dan ook met een groot scala aan New Yorkers: zwervers, rijken, schrijvers, losers, buschauffeurs, gehandicapten, winkeliers, snobs, zwarten, witten, latino’s, travestieten enz.

Haar eigen jeugd in de Bronx met een ontevreden, harteloze moeder en haar ontwikkeling tot ‘een vrouw apart’ krijgen op anekdotisch/humoristische wijze ook een plekje tussen alle ontmoetingen door. Ook maakt ze vele ‘uitstapjes’ naar het leven, de vriendschap en de gemoedstoestand van andere schrijvers door de eeuwen heen.

“Zij ontmoetten elkaar in 1880 in Florence: Constance Woolson, een veelgelezen Amerikaanse auteur en Henry James…..Het lijdt geen twijfel dat zij hem meer gaf, dan hij haar. In 1893 is Constance in een diepe depressie weggedoken in haar huis in Venetie. James lijkt, bijna moedwillig, nooit te hebben doorzien hoe diep haar angsten waren. Misschien wist hij dat hij meer verantwoordelijkheid voor de vriendschap moest nemen en als er iets was wat Henry James haatte en uit de weg ging, was het verantwoordelijkheid. Uiteindelijk springt Woolson uit het raam en zo spat haar ernstig onttakelde leven uiteen op een stoep overspoeld door het water van de meest sprookjesachtige zeeweg ter wereld. Waar het om draait, is dat noch Woolson, noch James tegen de verplichtingen van vriendschap was opgewassen.”          (pag. 123)

Vivian Gornick is evenals haar wekelijkse gesprekspartner en homoseksuele vriend Leonard de ‘armoede’ van haar jeugd ontgroeid en zij begeven zich dankzij hun dromen en ambities samen pratend en lopend op het pad van de ontdekking van vele andere levens en mogelijkheden in alle delen van New York.
“Leonard en de vrouw vinden elkaar in een verongelijkte grondhouding van historisch revisionisme: de inmiddels ingeburgerde neiging om de wereld iedere dag door de ogen van misdeelden te zien. Het intense gevoel geboren te zijn in een bij voorbaat ongelijke positie. Hij is gay en ik ben een ongebonden vrouw, een vrouw apart.”       (pag. 8)

“Mijn enige wens is altijd geweest, dat mijn moeder in mijn gezelschap blij was dat ze leefde. Ik weet zeker dat ik ongeschonden volwassen was geworden als dat het geval was geweest. Stel je voor, zeg ik tegen Leonard; zo oud en nog steeds heeft ze dit effect op me.’ ‘Niet haar leeftijd frappeert me,’ zegt hij, ‘maar de jouwe.”      (pag. 89)

”Je bevrijden van de wonden uit je kindertijd is een taak, die nooit zal worden afgerond, zelfs niet als je op sterven ligt.”       (pag. 155, deel van een grappig verhaal)

Vivians Gornick’s bespiegelingen over wat eenzaamheid en wat vriendschap is of zou kunnen zijn, zijn weloverwogen, verfrissend en vaak teder van toon. Daardoor ontstaat het gevoel, dat de schrijfster uiteindelijk zichzelf wordt – wellicht dankzij de stad waar ze zoveel van houdt -. Een vrouw apart is dan een onafhankelijke sterke vrouw, die na twee huwelijken, tevreden en blij is met zichzelf en het leven.

De (op moment van schrijven van dit boek) 80-jarige Vivian Gornick beschrijft aan de hand van de ontmoetingen/ervaringen, bijna haar hele leven en de maatschappelijke context, waartegen zich dit heeft afgespeeld. Ze beschrijft zichzelf als een linkse feministe en relativeert tegelijkertijd de jeugdige onbevangenheid en is verontwaardigd over het ‘vastzitten’ van oudere feministen.
Ik schaarde me achter de ongebreidelde woede van het losbarstende radicale feminisme. Het huwelijk is een instituut van onderdrukking! Liefde is verkrachting! Slapen met de vijand. Als ik er nu aan terugdenk realiseer ik me, dat wij, feministen van de jaren zeventig en tachtig, eigenlijk gewoon primitieve anarchisten waren.”         (pag. 186)
“Waar wij naar verlangen is ons gekend weten, met wratten en al: hoe meer wratten hoe beter. Het is de grote illusie van onze cultuur, dat wat we over onszelf onthullen, is wie we zijn.”       (pag. 28)

Over de 85-jarige Alice in een verzorgingstehuis:
Alice had haar leven gewijd aan het streven een bewust mens te worden wier grootste genoegen het was haar eigen geest te gebruiken; en nu zat ze opgesloten in een omgeving, waarin die lange, moedige inspanning werd genegeerd. Terwijl het enige wat men een mens verschuldigd is – ja, van het prille begin tot de laatste zucht – de erkenning is van dit streven.      (pag. 107)

De verschillende stijlen bij informatie, bespiegeling, dialoog, herinnering kloppen bij het soort tekst, maar maken het boek ook wat erg compact en vermoeiend leesbaar, maar je kunt natuurlijk ook alleen de dialogen lezen en dan is het wel een pareltje. Laat je niet afschrikken door het wellicht wat lastige begin, zeker de oudere lezer niet én geïnteresseerden in de New Yorkse cultuur. Vivian Gornick geeft blijk van groot inzicht in de menselijke natuur en relaties en we kunnen alleen maar hopen, dat ze gauw nog een boek schrijft.

Uitgeverij      Nijgh & van Ditmar, 2019
Pagina’s       206
Vertaald        uit het Engels door Caroline Meijer (The odd woman and the city)
ISBN             978 9038 807 607

Recensie door Ammy Langenbach, april 2020