‘Verdere bijzonderheden’ door Rozalie Hirs

Rozalie Hirs is in 1965 in Gouda geboren. Na het gymnasium/lyceum behaalde ze in 1990 aan de Universiteit van Twente haar titel ‘Master of Science’ in de chemische technologie.
Ze speelde al piano en zong en ging door met zangstudie aan de conservatoria van Utrecht en Den Haag. Tijdens die jaren veranderde haar hoofdvak zang in hoofdvak compositie.
Ze componeert o.a. werken op eigen teksten. Op youtube zijn uitvoeringen van verschillende werken te horen en te zien. Zowel in haar muziek als in haar gedichten vindt ze eenzelfde intensiteit en kwaliteit.
Zelf zei ze ooit: “Zal ik je eens vertellen wat mijn ideaal in de muziek is? Dat ik een soort muziek leer schrijven die een dialoog aangaat met de fysieke en emotionele processen in de hersenen.”
Verdere bijzonderheden is haar zesde dichtbundel. Na bovenstaande uitspraak sla ik de bundel weer zomaar ergens open en begeef me op pagina 50 in het gedicht:

 

 

‘Vlucht van de vogel (leonardo)’

alleen al door de kracht van het vuur
een golf van siddering langs de huid
zingt een lied zijn woordeloze dingen
stilte echo en stilte –
de stem van het bloed
smaak van tranen – volgens welke de stad
elke nacht haar vroegste begin
de wolken toespreekt?

vochtige van licht doordrenkte flarden
in de verte woorden koud en diep
pas verschenen enzovoort
tonen een vogel die met zijn vleugels klappert
de schouders optilt
vleugelpunten naar zichzelf toe slaand
de lucht samendrukt
tussen vleugels en borst
tot ze hem omhoogduwt

Van alle verrassingen is het vraagteken er zeker een. Het geeft hier voor mij aan, dat er geen toon van een constaterende punt klinkt, maar dat de tekst, de aandacht, de opmerkzaamheid open blijft voor andere inhouden die worden verwacht.
Ik word meegenomen in het proces van de stilte, het woordeloze, waarin woorden opkomen bij sensitieve beelden. Daarbij wordt het opvliegen van de vogel door lucht samen te drukken tussen zijn vleugels en zijn lijf beschreven, waarbij poëzie en wetenschap samengaan in bewondering.
Die betekenis van het vraagteken gebruikt ze nog een keer, op blz. 56; verder zijn vraagtekens vraagtekens in de gedichten. Ook het gedachtestreepje geeft extra tijd aan, om een tussenzin; ruimte, waaruit/waarin het vervolg vorm krijgt.
Refereert Rozalie Hirs in de titel van het gedicht aan Leonardo da Vinci’s anatomische zoektocht naar de mogelijkheden van het vliegen en naar zijn uitvindingen op dat gebied?
Freud vond zulk wetenschappelijk streven een sublimatie van (homo)seksuele driften.
Hoe dan ook, de gedichten van Rozalie tasten zich ruimtelijk door de tijd, of tijdelijk door de ruimte. Er staan punten, ja, maar veelal juist niet, zodat opkomende, gebeurende zwenkingen niet belemmerd worden. Zoals op blz. 48 in:

gerede hemelen

reizen door een oneindig bewijs van gerede hemelen of onvolkomen
heden aardediep uit haar spiegel gefiguurzaagde verleiding

die alfabetswandeling onder verliefden langs rozen en lucht
op hun mooist als een reiziger hier onverwacht aan beantwoordt

op de vlucht werkt als vanzelfsprekende ontmoeting die verboden
schrijvers uit vrijheid geklaarde onmogelijkheid in de eigen naam verkeren

een beeld binnenlaten zomaar uit interesse voor het onbekende
dat wij natuurlijkerwijs bezitten of enig verlangen onvolkomen

nieuw als een mysterie of een engel die lijkt op een mysterie
op het gedachte gevoel verschijnt

Er komt van alles op, ver weg en dichtbij, waarbij de conditie van de woorden en de beelden dusdanig wordt bewaakt, dat ze vrij blijven om zich naar believen, tijdelijk, te verbinden met de woorden ernaast en toch ook met een zin verderop in het gedicht.
Er is geen einde aan nieuw ontstaan, vervormen, verbinden en verdwijnen.
En dan heb ik het nog niet over hoe woorden met hun klank(rijmen) en betekenis ritme geven binnen zinnen en de vaart dan ineens weer laten luwen.
Een doorgaand geboren worden en verdwijnen aan haar zintuigen en geest; een organisch gebeuren, dat deze fantastische dichter aan ons voorlegt.
Iedere lezer zal met haar/zijn eigen aandacht een eigen weg in de gedichten kunnen vinden.
En die weg door de tekst kan vaak een andere worden dan bij vorige lezing. Je kunt omwegen nemen, maar ook doorsteken maken; regels kunnen bijzinnen worden, zodat de regels eromheen een andere nuance krijgen.
Een heerlijke ervaring, vind ik!

Uitgeverij               Querido, 2017
Pagina’s                 61
ISBN                      978 9021 408 576

Recensie door Maud Ockers, mei 2018




‘Als werden wij ergens ontboden’ door Miriam Van hee

De Vlaamse Miriam Van hee (ja, ‘van’ met hoofdletter en ‘hee’ met kleine letter) is op 16 augustus 1952 geboren in Gent. Ze studeerde daar Slavische filologie aan de Rijksuniversiteit en heeft, onder andere, gedichten van Anna Achmatova, Joseph Brodsky en Osip Mandelstam vertaald. Ze doceert aan het Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken in Antwerpen, het HITV, dat tegenwoordig onderdeel is van de faculteit letteren en wijsbegeerte van de Universiteit Antwerpen.

In 1978 kwam haar eerste dichtbundel uit, Het karige maal. Als werden wij ergens ontboden is haar elfde bundel. In een mooi interview uit 2009 met Maarten Gulden (Meander Magazine), vertelt ze “dat ze niet in de eerste plaats gedichten schrijft om waardering en aandacht te krijgen, maar om een waardevol leven te leiden. Zoals de Fransen zeggen: Gagner sa vie.”
Er is wel eens van Miriam Van hee gezegd, dat haar taal nuchter is. Zelf noemt ze dat ze afstandelijker is geworden in het beschrijven en beter is gaan zien, wanneer een woord eruit kan. Ik heb de indruk dat in deze bundel de beelden elkaar sneller opvolgen dan vroeger. Haast staccato gaat het ene beeld over in het andere, terwijl het tegelijkertijd toch zo vloeiend gebeurt.

De titel van de bundel is intrigerend. Bij als werden wij ergens ontboden komen meteen verschillende gemoedsgesteldheden omhoog, waaronder me gedwongen voelen. Dat kan gepaard gaan met bedremmeldheid, angst, weerzin of verontwaardigde boosheid. Dus ga ik op zoek naar wat er speelt in het gedicht waarin deze zin voorkomt. Op pag. 26 vinden we hem in wolken van bassurels. Bassurels is een gemeente met 52 inwoners in het arrondissement Lozère, Frankrijk. Tijdens een bergwandeling is er inderdaad sprake van een gevoel van dreiging. Die ‘kwam ons te na’, waarbij haar wandelgenoot en zij ‘wankelen’, maar de elementen ‘weerstaan’. Een paar zinnen uit het daaropvolgende gedicht:
“…hoe hoger we
klommen hoe dieper het zwijgen

…soms is het landschap
niet wat je je voorgesteld had
..
Deze voorbeelden laten zien, hoe sterk Miriam Van hee weet te suggereren. Het maakt dat de fantasie van de lezer (in ieder geval die van mij) wordt geprikkeld om persoonlijk in te vullen wat er aan de hand is in de situatie. Zoals op pag 49, over haar aanwezigheid in Käsmu, in de lente:

Ze stopte brood in de mond en zei dat je
zonder te eten de deur niet uit mocht,
dan zou een vogel je ziel kunnen stelen
ik keek naar mijn bord met brood dat 

mijn ziel moest verankeren, die ik overigens
zelf als gevleugeld zag, ik keek uit het raam
naar de dennen tegen de zandgeel geverfde
wand en naar hun toppen tegen de blauwe

lucht tot ik duizelig werd, ik zag bonte kraaien,
vinken, kwikstaarten, ik sprak ze toe, wie
zijn jullie werkelijk, maar zij waren druk in

de weer met het maken van nesten, loof en
twijgen brachten zij aan, zij gaven niet op
voor het donker, zij leefden bij gratie en stof

Geen bijvoeglijke woorden om te bepalen wat de lezer behoort te voelen of te denken. Zo feitelijk mogelijk en beeldend, met gevonden woorden die boekdelen spreken. Al naar gelang mijn gemoedsgesteldheid, reageer ik. Het betekent dat ik bij hetzelfde gedicht de ene keer in de lach schiet en een andere keer reageer met melancholie. In dit gedicht begon ik met lang stilstaan bij ‘de’ voor ‘mond’, me afvragend wiens mond dat was. Het beeld van een stuk brood in de mond te krijgen gestopt, zoals dat kinderen gebeurt, drong zich op, maar was niet van toepassing. De vrouw bezweert bij zichzelf onheil met haar voorschrift, dat ze ook voor anderen wil laten gelden. De mond lijkt in de waarneming op zichzelf te bestaan. Een herkenbare, onplezierige waarneming. De vlucht van de aandacht het raam uit, zal ieder kind wel ondernemen; iedere volwassene trouwens ook. En wat een beelden! De vogels die ‘leefden bij gratie en stof.’ Geen ‘bij gratie van’, maar dat komt wel in je op. En wanneer je je nog zit te verheugen over de gratie komt het woord stof erachteraan, dat ook nogal wat connotaties heeft.
Het gedeelte “Tussen wal en schip” gaat over dromen, waarin we, naar de aard van dromen, versterkt meemaken hoe Miriam Van hee situaties pregnant verwoordt.

Alweer een bundel met prachtige beelden en taal van deze dichter.
En aangrijpend door wat opgeroepen wordt.

Uitgeverij        De Bezige Bij, 2017
Pagina’s          57
ISBN               978 9023 449 843

Recensie door Maud Ockers, februari 2018




‘Wat helpt is een wonder’ door Anne Vegter

Anne Vegter is in Delfzijl geboren op 31 december 1958.
Ze schreef kinderboeken en verhalen. Ze is schrijfdocente en schreef voor toneel.
Ze kreeg een aantal grote prijzen voor haar werk en zit in meerdere jury’s.
Van eind januari 2013 tot eind januari 2017 was ze Dichter des Vaderlands. Haar eerste dichtbundel kwam in 1991 uit: Het veerde.

Wat helpt is een wonder is haar vijfde bundel.
De inhoud is een veelzijdige oogst van haar jaren als Dichter des Vaderlands. Ze begint met een uitgebreid vooraf, waarin ze vertelt over haar achtergrond en haar overwegingen bij het aanvaarden van deze officiële dichtersfunctie. Haar Vooraf begint ze met: ‘Het woord engagement vind ik erg irritant’. In haar jeugd raakte ze doordrenkt van dat begrip, wat ‘dienstbaarheid en verantwoordelijkheidsbesef’ impliceerde. ‘Ik at als het ware mijn havermout ’s morgens zeer geëngageerd. Maar te veel kan wel eens zwaar op de maag liggen’. Het elan van een jong mens, dat van harte het onrecht de wereld uit wil werken, kan leiden tot desillusie en tot afkeer van verdere kritische benadering.
Maar Anne Vegter is wonderbaarlijk overeind gebleven. Ze heeft de indigestie doorgemaakt en heeft haar kritische geest en haar veerkracht behouden. Engagement vraagt een eenduidige stellingname, maar Anne Vegter zoekt de vrijheid van het creatieve proces. Ze staat niet meer op de barricade te roepen (al wordt op de voorpagina de megafoon nog gehanteerd), maar laat associërend horen wat ze meemaakt. Ze verbindt zich met wat er gebeurt, maar levert zichzelf niet meer in.

Haar gedicht Kunstliefde (pag. 35) gaat over het concrete werk van het maken van een kunstwerk. Het is herkenbaar voor ieder die creatief werk doet, dat afleidingen tevoorschijn springen, zoals reisjes boeken of iets gaan aanschaffen of toch maar eerst stofzuigen. In haar gedicht maak je mee hoe ze de afleidingen meeneemt in wat kunst wordt. Daarbij opent zich haar onderwerp dermate, dat ze zegt:

..”Het volgende product altijd het beste.
Tot enkels op voeten in de schepping

raken je handen aan een beeld
– zelfgemaakt van je projecties. 

Concreter wordt het niet, de rest:
toeval, gretige nuchterheid, een hartstocht

en wat het uitdrukt krachtens zichzelf.
Wordt gezocht in Nederland:

kunstliefde. Wat er nog van over is
vanaf de vindplaats per ommegaande

terugbezorgen aan de kunstenaar
die liefde met liefde bewerkt.

Ja, wordt gezocht ‘wat er nog van over is van kunstliefde’, na alle bezuinigingen!
Op pagina 81 staat een gedicht met de titel De middelen. Het begint met: ‘wat helpt is een wonder’ , waarna iedere strofe blijft beginnen met ‘wat helpt’.
De titel van de bundel is al meerduidig, relativerend, want je kunt lezen dat een wonder helpt, en ook dat het een wonder is wanneer iets helpt.
Ze schrijft vanuit haar meerduidige invalshoek o.a. over: de kroning van de koning, een voetbalwedstrijd, het onthullen van een beeldhouwwerk, de dood van dichters, de verjaardag van een dichter, een vliegtuigramp, een sinterklaasgedicht n.a.v. de zwarte pietendiscussie, de aanslag op het redactielokaal van Charlie Hebdo, de heropening van een museum.

Over ‘de afnemende bereidheid onder Nederlanders om oorlogsvluchtelingen op te vangen’ gaat haar gedicht De overkant, (pag.87), een waar pamflet tegen het botte gebrek aan meegevoel, dat nogal eens te signaleren valt. In dit gedicht laat ze het ons Nederlanders voelen, namelijk door óns op drift te laten raken.
Het gedicht De koning en ik (pagina 65) schreef ze naar aanleiding van de onthulling van een buste van koning Willem-Alexander in 2014, in Assen. Daarin verwerkt ze tekst uit Het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581. Toen werd de Spaanse koning Philips II afgezworen door wat toen de Zeven Provinciën heette. Philips II was een despoot en toen heerste daar al de opvatting, dat: ..‘het zijn taak is zijn onderdanen te beschermen/ tegen en te vrijwaren van alle onrecht’..
Ze wisselt teksten uit dat Plakkaat af met haar inleven hoe een koning van nu in zijn ambt staat. Kennis van onze vaderlandse geschiedenis kan voor het leven van nu verhelderend zijn! ( Het Plakkaat van Verlatinghe is ook op het internet te vinden)
‘Weesvragen’ (pag.99) bestaat uit vragen, waarmee de wetenschap niets kan. Uiterst boeiend en ook erg opbeurend. Iedere lezer kan er eigen antwoorden bij vinden.

In het laatste deel staat een selectie van columns, die de Dichter des Vaderlands van 2014 tot en met 2016 in het tijdschrift Awater publiceerde, hier genoemd: ‘Berichten van de Dichter des Vaderlands’.
Geestig om te lezen hoe ze aan het eind van de eerste column haar ontdekking over de maatschappij van de mieren (pag. 30) gebruikt in een bijdrage over ‘bestuurlijke stabiliteit in democratisch bestel‘! Bestuur? Democratie?
Zo staan al haar stukken vol verwijzingen en associatiemogelijkheden. En dan komt aan het eind nog een checklist voor de volgende Dichter des Vaderlands. We moeten nodig een Nederlandse term voor het Engelse ’tongue in cheek’ vinden.
Anne Vegter daagt je uit om je eigen begrip en reactie te ontdekken bij wat ze beschrijft in haar functie van Dichter des Vaderlands. Het gaat over zeer verschillende, officiële plechtigheden en mondiaal schokkende gebeurtenissen. Denkend aan wat ze in ‘Kunstliefde’ onze projecties noemt, is het heerlijk om Anne Vegter volgens haar eigen aanwijzingen te lezen: de situatie in te gaan, eigen associaties en beelden naast de hare op te laten komen; haar stemming en die van jezelf te beleven. Maar dat geldt bij iedere dichter, bij ieder gedicht, bij ieder boek. Leesruimte, leefruimte.

Uitgeverij      Querido, 2017
Pagina’s        136
ISBN              978 9021 404 400

recensie Maud Ockers, januari 2018

 




‘Mammie’ door Ronelda Kamfer

Ronelda Kamfer is 16 juni 1981 geboren in Blackheath, op het Kaapse Schiereiland.
Als ze drie is gaat ze bij haar grootouders wonen, op de fruitboerderij. Daar is de plek waar ze leert lezen en waar haar persoonlijkheid wordt gevormd. Ze krijgt een waardenpatroon mee van ‘eerlijk zijn en van anderen behandelen zoals zij door hen behandeld zou willen worden’. Ook het belang van familie wordt benadrukt en het niet altijd met je vingertje wijzen of de omstandigheden de schuld geven. Ze was erg gesteld op haar grootvader, die haar verhalen vertelde.
Op haar tiende komt ze bij haar ouders terug. Ze verhuizen naar Eersterivier op de Kaapse Vlakte, waar ze kennis maakt met de beruchte bendecultuur. Een voorbeeld van wat dat voor haar betekent: voor haar ogen wordt een schoolgenoot dood geschoten.
In 2011 overlijdt haar moeder onverwachts (aan een hersenvliesontsteking), waarover ze indringende gedichten schrijft.
Wanneer Ronelda Kamfer tien jaar is schrijft ze haar eerste gedichten.
Na haar schooljaren werkt ze als verpleegster, kelner en administratief medewerkster.

Maar dan krijgt ze een beurs voor een honneursstudie aan de universiteit van West-Kaap, waar Antjie Krog een van haar professoren wordt. Antjie Krog en Alfred Schaffer stellen een bundel van nieuwe Afrikaanse gedichten samen. Uit de inzending van meer dan vierduizend gedichten worden twee van de gedichten van Ronelda Kamfer uitgekozen, Bedrevenheid en Kunst.
De samenstellers zijn er zeer van onder de indruk hoe zij en andere jonge, Afrikaanse dichters de taal vernieuwen: de Engelse woorden worden in de spreektaal geïntegreerd, zonder nog cursief te staan. Antjie Krog zegt ervan dat de Engelse woorden een ingeslikt deel vormen van de brei van het Afrikaans, die de schrijnende ondertoon met ironie bedekken. En ze zegt dat de dichters erin geslaagd zijn om hun nieuwe wereld in hun gedichten tot een geheel te maken, door de manier waarop ze de taal, die de jeugd spreekt, overdragen op hun poëzie.
Antjie Krog en Alfred Schaffer schrijven hoe jaloers ze zijn op de bruine dichters die over een nog onontgonnen nieuwe woordenschat beschikken, over achtergrond en thema’s die voor de eerste keer in het Afrikaans gehoord worden.

Ronelda Kamfer vindt het achteraf jammer dat ze altijd wegliep wanneer haar moeder en andere vrouwen uitwisselden, onhoorbaar voor de mannen. Ze was geërgerd en bleef er verre van, maar beseft dat ze veel meer over haar taal had kunnen leren, wanneer ze zich bij het intieme, besloten vrouwengroepje had gevoegd. Dan had ze de specifieke uitdrukkingen van de vrouwen gekend, met alle bijbehorende ondertonen. In dit licht is het prachtig hoe ze het verschil tussen de Amerikaanse feministes en vrouwen als haar moeder beschrijft: “In Amerika vochten ze voor gelijkheid en in Afrika vochten ze voor hun leven.” (!!)
Over het Afrikaans zegt ze: “Afrikaans is een taal; mensen moeten er geen issue van maken of Een Grote Strijd. Er zijn belangrijker dingen om over te bakkeleien, zoals het zijn van een goed mens.”

Er is een nieuwe generatie Zuid-Afrikaanse dichters ontstaan aan de andere kant van de emotionele lijn van de segregatie. En wij kunnen, als Nederlanders, nog steeds veel begrijpen van hun taal! Maar zonder vertaling is misverstaan ook snel gebeurd, dus is de Nederlandse vertaling van Alfred Schaffer niet alleen prachtig, maar ook broodnodig. Gelukkig is de Afrikaanse versie niet weggelaten, want die ‘bekt’ zo specifiek anders dan het Nederlands, zodat die erbij gezocht kan worden. Degene die daar behoefte aan heeft, kan de betekenis van de woorden en de eigen klank van de dichter nu zoveel mogelijk bij elkaar brengen.
Ronelda Kamfer opent de bundel met een kort, indrukwekkend gedicht:

Voor de vogels                                            Vir die voëls

ik heb bloed aan mijn handen                  ek het bloed op my hande
van alle vredes die ik bewaar                   van al die vredes wat ek bewaar
ik heb al jaren weggelogen                       ik het al jare weggelieg
om de verloren tijd goed te maken           om op te maak vir verlore tyd
maar                                                            maar
je kunt jezelf niet                                         mens kan net soveel keer
blijven opbranden                                       jouself uitbrand
en opnieuw beginnen                                 en oor begin    (pag 9/89)

Vrede bewaren leidt niet vanzelfsprekend tot schone handen, nee..
Het overkomt onder andere meisjes die door oom, vader of stiefvader zijn verkracht. Maar Ronelda noemt het onrecht bij naam. Daardoor kan het niet meer onderhuids in stilte door blijven vreten. Ze keurt niet in woorden af, maar de manier waarop ze iemands mening of gedrag beschrijft (fel, zakelijk of ironisch), maakt volstrekt duidelijk hoe negatief het resultaat ervan is. Zoals ze haar vriend Jan neerzet in Quagga! (pag.47) Ze begint met de mededeling “mijn vriend Jan is een vrije geest”. Het doet denken aan Sheakespeare’s ‘but Brutus is an honerable man’. Doordat ze hem uiteindelijk bevraagt, blijft er niet veel over van zijn prachtige vrijheid van geest. Ook hoe ze zichzelf ondermijnt met drugs en drank brengt ze aan het licht.(pag. 21, 38, 45, enz.) En in Gertruida (pag. 74) beschrijft ze hoe de emotionele verwondingen van haar moeder maakten dat ze bang – en met een gebroken hart stierf. Ze beëindigt het gedicht met:
“ik raap de glasscherven op
en begraaf ze onder mijn huid”
Een hartverscheurend, ultrakort verslag van wat heel wat dochters op de een of andere manier doen.

Het gedicht ernaast, ‘De bomen bloeien’, gaat over een grote appelboom, die bij haar grootouders altijd zo mooi bloeide en haar dan deed denken aan het kapsel van haar moeder, zodat ze moest huilen. Alle bloesem van die boom gaat mee in het graf van haar moeder
“omdat zij voor mij de Lente was
en ik het niet meer
nodig had”

Ronelda Kamfer heeft aan de ene kant eindeloos mededogen met haar moeder en aan de andere kant wenst ze haar moeder ronduit toe, dat die maar niet in vrede mag rusten. De verschillende kanten vormen haar waarheid, haar werkelijkheid. Alleen de werkelijkheid is levend, beweegt en zit vol energie, die kan veranderen, helen.
Dat haar moeder deze weg nog niet kon inslaan is verbijsterend duidelijk aan het eind van ‘Stanleymessen’ te lezen. (pag. 29)

Uitgeverij        Podium, 2017
Pagina’s          128
Vertaald           uit het Zuid-Afrikaans door Alfred Schaffer (Hammie)
ISBN                978 9057 598 739

Recensie door Maud Ockers, december 2017




‘De boom valt op mij’ door Ilse Starkenburg

Ilse Starkenburg (1963) is dichter en schrijver. Ze studeerde Nederlands en Filosofie aan de Rijksuniversiteit in Groningen. ‘De boom valt op mij’ is haar vijfde dichtbundel.

In een recensie op haar website ( www.ilsestarkenburg.nl ) over Een Zomerzotheid is te lezen hoe ze in de titel verwijst naar Cissy van Marxveldt’s opgroeiende jonge vrouwen, naar Rainer Maria Rilke’s “Wer jetzt kein Haus hat baut sich keiner mehr” en naar Hadewych en Emily Dickinson bij wie we aan extase en eenzaamheid denken.
De gedichten in deze bundel laten veel afscheid en isolement zien. Het begint meteen in Zwoel. De dichter haalt iedere eenduidigheid van het gedicht omver door over de naakt zonnende personen op te merken: “we leken wel lijken.” Weg is de zwoelheid; de L, die zo lekker kan zijn, vult zich met walging. Een toekomst zonder deze vriendschappen wordt geschetst.

De teksten van Ilse Starkenburg zijn dusdanig zogenaamd-eenvoudig, dat ik bij het bespreken van een klein stukje uit een gedicht al gauw veel meer taal gebruik dan zij in haar hele gedicht nodig heeft. Deze constatering geeft me een verrassend gevoel van plezier in het contact met haar werk. Naast het meebeleven van vergankelijkheid en haar verlangen naar contact, komt namelijk een uiterst uitgekiend taalgebruik aan het licht, waarmee de dichter zorgt dat ik vooral niet te snel moet lezen. Er staat wat er staat, maar staat er wel wat er staat? Wat staat er eigenlijk?

Wij begint met:
“er waren nooit woorden voor
laat staan
hoge plafonds of hemels.. ” (pag 10)

Met ‘laat staan’ geeft Ilse Starkenburg, tussen betekenisvolle beelden, een quasi achteloze mededeling mee die ervoor zorgt dat geen misverstand kan ontstaan over de toon van het gedicht. De beelden zijn mooi en geestig en ze herinneren aan wat ze zich ooit wenste. Als ik me, zo lezend, door haar laat leiden, krijgt iedere regel meer associatiemogelijkheden.

In De bloemen had ik net weggegooid komt ze door de vergane bloemen in contact met een dierbare herinnering:
“..ik zou
je weer een keer een oliebol
willen zien eten, poedersuiker
knoeien op je winterjas
waaronder kleine beentjes…” (pag 12)

Wat voor toerist is ze in Slapende vulkaan? Ze schrijft:
“…niets zal er te zien zijn maar
je voeten willen voelen
dat je nog bestaat, je…” (pag 14) 

In dit licht gezien blijkt het ervaren van louter bestaan de clou.
Met dat in gedachte komen er in Hou je bij je leest meer vragen in me op, zoals: Wie moet zich aan welke leest houden? Een ik beschrijft een gebeuren van twee personen en herhaalt …o, ik vond het zo mooi… totdat ze overgaat tot:
“..toch denk ik dat het nog
iets ingewikkelder ligt… ” (pag 28)

Met deze laatste gedachte brengt ze een andere dimensie over het voetlicht. De innerlijke gelaagdheden brengen elk hun eigen mogelijkheid tot contact met zich mee, waarbij overige lagen min of meer in de achtergrond verdwijnen. Contact hier bedoeld in de breedste zin van het woord: met mensen, dieren, planten, dingen, zichzelf, sferen. Dat betekent dat het regelmatig niet, of niet helemaal kan lukken om de juiste afstemming tot contact te vinden.
Daarvan is een van de vele verslagen te vinden in:

Nu

“ik en ik kunnen het zelden
met elkaar vinden

terwijl vandaag zichzelf
nog bij elkaar probeert te rapen

bedelt morgen al
doe iets goeds voor mij

alleen planeten, planeten alleen
verlangen niets van ons 

we gaan naar de zon” (pag 50)

Het nu ontvluchtend zegt ze expres niet, dat we naar de maan gaan. Op de bron van ons licht, de zon, is het helaas ook niet bepaald leefbaar. En in Nederland bezigen we dit zinnetje eveneens, wanneer we het druilerige weer een week of wat willen ontvluchten.

Ilse Starkenburg geeft in haar vak blijk van een summum aan afstemming.
In ieder gedicht is te lezen waar ze contact mee legt. Contact met verlangen, herinneringen, gevoel in haarzelf (ook al is dat een gevoel van contactloosheid), een boom, een moment, een mens of een landschap (ook als dat verschijnt als innerlijk beeld). Wat deze contacten in haar oproepen geeft ze weer in klare taal.

Uitgeverij         Arbeiderspers, 2017
Pagina’s           55
ISBN                978 9029 511 780

recensie door Maud Ockers, november 2017

 

 




‘De tere bloemen van het verstand’ door Myrte Leffring

Myrte Leffring (1973) studeerde Vertaalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam.
Ze is dichter, redacteur en literair docent en geeft daarbij les aan volwassenen en kinderen. Daarnaast organiseert ze in Rotterdam vier maal per jaar de salon Dichter aan de vleugel , een literair programma met muziek, poëzie en zang, gevolgd door een aangename salon de thé. De salon als podium voor de taal van het hart: poëzie en muziek.

De tere bloemen van het verstand is de tweede dichtbundel van Myrte Leffring.
Deze bundel heeft een heel bepaalde vorm. Op de linker pagina’s staan de letters rechtop, alleen uitspraken zijn cursief gezet. De rechterbladzijden zijn cursief gezet, maar daar staan uitspraken rechtop.
Ook sfeerbepalend is dat vrijwel alles in de verleden tijd is geschreven: er was niets…een vrouw liep over een brug.. en niemand wist het.. een vrouw zat op de grond.. er was water.. er waren tuinen.. de vrouw wist niet wat te zeggen.. enzovoort.

De linker pagina’s gaan over een vrouw die over een brug aan het gaan is. Wanneer je denkt dat het haar ongeveer gelukt is, blijkt ze even later alweer bezig te zijn met het gaan nemen van de helling van een brug. Het is een bezigheid, die haar leven in beslag neemt. Het lukt Myrte Leffring om een sfeer van grote eenzaamheid en afgesneden zijn van contact op te roepen, al komt de vrouw soms iemand tegen. Het is beklemmend. De vrouw baart zelfs kinderen op de brug, maar ook dat draagt niet bij tot warmte of levendigheid, hoewel ze met grote vasthoudendheid doorgaat. Later stuurt ze de kinderen weg. Ultieme contactloosheid. De spijt benadrukt haar machteloosheid.
Wanneer de vrouw zegt dat ze niemand nodig heeft, wordt ‘niemand’ gepersonifieerd en spreekt met haar. Zoiets gebeurt vaker:
“….
de vrouw kneep haar ogen tot spleetjes,
greep overmoed bij de kladden
en ging op weg” (pag 20)
En: “….
spijt stak zijn lelijke kop om de hoek
en hield haar in zijn greep
de vrouw begon te schreeuwen,
sloeg wild om zich heen maar de spijt
gaf het niet op …” (pag 24)

Op de rechter bladzijden gaat het niet over de vrouw op de brug, maar over de beleving van een liefdesrelatie, waar het leven uit wegsijpelt. Ook hier veroorzaakt de vorm van de verleden tijd een gevoel van machteloosheid, want het verleden is niet meer te veranderen:
“… er was het zand
er waren zijn ogen die mij volgden
de lijnen van mijn armen langs mijn flanken
we veinsden geluk en troost en
meer dan dat

we hielden elkaar stevig vast
totdat ik niet meer wist
wie er in mijn lichaam huisde
of zelfs maar wie ik was” (pag 21)

Myrte Leffring durft tot het uiterste van vervreemding te gaan in situaties, waar besef en inzicht zo goed van pas zouden zijn geweest. Toch zijn de rechterbladzijden heel anders, want er is meer contact met de realiteit en we worden betrokken in wat er tussen de twee mensen gebeurt. Er wordt evenwel niet bewust gehandeld naar de bevindingen van de twee:
“….
en overal klonk geschreeuw
om stilte, om lucht, om ruimte
om het hardst
en we liepen de waarheid
regelrecht in de armen maar
ontkenden die totaal …” (pag 25)

Op bladzijde 35 staat ineens een heel gedicht in de tegenwoordige tijd, een belangrijk signaal.
Aan het eind van de bundel zoomt de dichter ver uit en bekijkt van bovenaf het tafereel. Op de linker pagina met:
“Gedachteloze dagen volgden
een vrouw op een brug
alles hield op te bestaan
en de wind waaide
het water stroomde
regenwormen ploegden zich door

de bewegende aarde
vogels maakten nesten
mensen sloten vriendschappen
of begonnen een oorlog om niets
om macht, om eer, om bodemstoffen
………
een vrouw bleef achter
op een brug, telde de nerven
in haar hersenen
telde er elke dag wat minder
wat niet gaf, want ze vergat
het aantal van de dag ervoor
en ook dat was niet zo erg” (pag 58)

Wat een woordrijm, de klinkers a en è blijven domineren!

Op de rechter bladzijde is er de directe innerlijke beleving en ineens verschijnt hier de tegenwoordige tijd, voor de tweede keer! Het is stil en niemand stelt meer vragen; antwoorden zijn te ijl om te horen. Ook wensen en het steeds terugkerende zwart en wit lossen op in de hoge lucht.

Ik heb het in deze bespreking veel over de vorm, omdat daar zoveel aan te ontdekken is en hoe verhelderend dat werkt! Hoe langer ik in de bundel lees, hoe meer links en rechts elkaar blijken aan te vullen. De vormgeving wordt almaar boeiender, want cruciaal. Hetzelfde verhaal wordt zodoende door de dichter verteld vanuit verschillende perspectieven, die ieder hun eigen stijl en uitwerking hebben.
Deze sterke, volgehouden vorm vertegenwoordigt kracht en overzicht van de dichter, die de hoofdpersonen veelal ontberen in het relaas van hun wederwaardigheden.
Hoewel, om nog meer meerduidigheid te signaleren: de verleden tijd wordt gehanteerd door iemand die vanuit het heden vertelt….

Uitgeverij       Van Gennep, 2016
Pagina’s         59
ISBN               978 9461 644 480

Recensie Maud Ockers, november 2017




‘Vonkt’ door Marije Langelaar

Marije Langelaar (1978) begon als beeldend kunstenaar. Ze legde zich toe op fotografie, installatie- en videokunst, maar ging zich belemmerd voelen door het vele materiaal, dat altijd weer bewerkt en verplaatst moet worden. Ze zwierf liever rond dan in een atelier bezig te zijn. Na lang experimenteren bleek schrijven beter bij haar te passen, want als je maar wat schrijfmateriaal bij je hebt, dan kan je overal werken. Vonkt is haar derde dichtbundel, uitgegeven in 2017.

Haar fascinatie ligt bij het uiterlijk vormgeven van de ijle, onstoffelijke binnenwereld.
Ze zegt: “Met woorden en letters bouw je hele werelden op en je nodigt de lezer uit deze te betreden. In kijken zit een grote kracht verscholen. Echt kijken. Dan. Creëren is een boeiend proces. Wanneer vindt de magie plaats en wanneer niet?”

In haar creatie van werelden verdwijnen grenzen die we gewend zijn aan te houden. Het maakt dat ik alert word, omdat de situatie niet vanzelfsprekend en/of gebruikelijk is. Het (bijna) titelgedicht Vonk geeft dit prachtig weer. Hoe zenuwachtig de interviewer wordt en hoe de geïnterviewde daardoor haar krachtige talent ontdekt en ons meeneemt in haar euforie. Verrukkelijk en aangrijpend. Ze zegt in dat gedicht:
“en (ik) ontkrachtte vervolgens alle fenomenen, ideeën,
gestalten, dingen en wezens. En mezelf natuurlijk… “(pag 67)

Marije Langelaars gedichten zitten niet zozeer vol van levensprocessen als wel dat ze zelf levensprocessen zijn. Ze neemt ons mee in wensen, die we meestal in stilte koesteren, en laat ze een hoge vlucht nemen, vaak letterlijk. De emoties en verschijnselen gebeuren als in dromen: ze voelen aan als realiteiten, ze zijn er, ze vervormen, nemen andere betekenissen aan, verdwijnen. Inderdaad zoals in onze ijle, onstoffelijke binnenwereld.

In Het tuinfeest zegt ze over een oude vrouw:
“…een vrouw die zo krom was dat het leek of zij continu
naar haar schoenen wou kijken
en al haar kleding kroop omhoog.” (pag 64)
Bij die laatste regel herinner ik me mijn verbazing als klein kind over de kleren van mijn oma, die van achteren hoog hingen en van voren laag, terwijl mijn rokje recht moest hangen. Bij Marije Langelaar geen vraag, maar ronduit een beeld.

Als ik zo een paar regels apart neem, merk ik dat ze een deel van hun kracht verliezen. De stuwing van de afwisselende beelden en de ritmiek van woorden en zinnen veroorzaken een energie, waarin alles beweeglijk kan blijven.

Op pagina 61 staat maar één zin:
Alles een kroon opzetten want alles is godskracht”
Nee, er staat geen punt achter, want alles heeft geen achter.

Mooi hoe ze Hert wordt:
“En ik kijk naar mezelf.
Voel mijn benen zich verdunnen en draaien
onmiddellijk volgen mijn armen het groeien van hoefjes
ik stap uit mijn jurk en mijn hemd inmiddels te groot en
voel mijn vacht in de wind
mijn oren richten zich zetten uit en ik
luister naar het kletteren van borden ver in de keuken
het waaien van gras
ik hoef inmiddels niets meer.
Zo als hert heb ik dorst niets meer dan dorst en
beweeg naar het water” (ook zonder punt erachter, pag 62)

Van een heel andere sfeer is het gedicht Man. Een oerbeeld van een vrouw die ‘haar’ man oproept. En hoe de hele natuur weet heeft van dit gebeuren.

En nee, geen vrouw die aan de vensterbank mooi gaat zitten zijn
maar een vrouw die nieuwe bruggen, steden, velden uit de grond trekt…

Mijn kracht is ongeëvenaard.
Mijn handen rullend in de grond.

Een vrouw die onzin overstemt
met een enkele slag op de trom ….

Ik luister naar de roep van de dieren, tast in de wind.
Ik zinder ik ring ik gong.
Kom man kom!” (pag 76)

Er is nóg een gedicht over de allesdoordringende, vrouwelijke energie, De vrouw :

“Al snel werd ze door hen van die grote instanties die de
godsgeleerde geschriften interpreteren
zondig verklaard.

Ze bracht ons van slag.
Ze ondermijnde onze moraal, leidde af.

En de vrouw deed precies dat.
Ze sloeg ons uit het lood.

Ze weekte ons los uit constructies.
We vergaten onze gebeden, ons godsbeeld.
Ons bloed werd wijn.
We dansten vurig,
we kolkten van binnen.
Alles werd levend, dampend.

Zij maakte ons
gewoon door haar aanblik heel.” (pag 58)

Een tweede bladzijde volgt met bevrijdend resultaat van omvorming, waarna:
“Ze had ons oude geloof gebroken de god ver op zijn troon
hadden we verzaakt
de wet niet nageleefd, onze eigen wetten gemaakt.

Die god was niet meer maar nu levend
pulserend.” (pag 60)

Uitgeverij         De Arbeiderspers, 2017
Pagina’s           87
ISBN                 978 9029 511 681

Recensie door Maud Ockers, november 2017




‘Waar ik jou word’ Antjie Krog

“In deze bundel zijn 25 gedichten uit het rijke oeuvre van Antjie Krog bijeengebracht”, heeft de uitgever voorin op de binnenflap gezet. De uitgave is ook een markering van het feit dat Antjie Krog in oktober 65 jaar wordt. Ze is op 23 oktober 1952 geboren in Kroonstad, Zuid-Afrika en hoopt haar hele leven al dat het eens uít zal zijn met de rassensegregatie met bijbehorende misdaden en haat.

Na Medeweten, een bundel waarin je kunt blijven lezen om met al je zintuigen open steeds meer te ontdekken, is hier alweer zo’n mooie uitgave van Podium. Ook weer met vertaling, zodat we, net als in Medeweten, kunnen genieten van de Zuid-Afrikaanse klankvondsten van Antjie Krog met daarnaast de betekenisnuances van de woorden die de vertalers er het beste bij vonden passen in het Nederlands. Het moet een enorme – en heerlijke opgave voor ze geweest zijn, te lezen aan het resultaat in beide bundels!

De uitgever noemt deze bundel op de binnenflap “Een toegift voor haar vele fans, een ideale introductie voor wie nog niet met deze wondermooie poëzie in aanraking kwam.” Wie bij het woord wondermooi denkt aan zoete liefheid, zal er snel achter komen dat dat niet van toepassing is bij Antjie Krog. Geen wolkeloze hemel bij haar zonder reminiscenties aan ander weer.
Hoe meer je van deze Zuid-Afrikaanse dichter weet, hoe meer kanten je van haar werk (en van je eigen leven) ontdekt. Hoe meer je bij haar ontdekt, hoe meer je van haar werk gaat houden en ruimte krijgt om verrast te worden door haar woordvondsten, die hun impact hebben door de verbinding die ze aangaan met de woorden eromheen. Zeg zo’n regel hardop in het Zuid-Afrikaans en proef wat dat doet.

Oorspronkelijk schreef Antjie Krog de gedichtencyclus ‘Waar ik jou word’ ter gelegenheid van Gedichtendag 2009. In Medeweten komen deze gedichten, door haar zelf sterk gewijzigd, terug in ‘Om te verjij-en’. In deze cyclus vertoont de liefde dezelfde omvormende krachten die in het heelal heersen.
De oude titel Waar ik jou word is nu als naam gekozen voor deze nieuwe bundel.
Alle thema’s van Antjie Krog zijn er rijkelijk in vertegenwoordigd: haar overgave aan de liefde voor haar lief, haar ontroerende blijdschap bij de geboorte van haar eerste kind, over de vrede die ze haar mooie Zuid-Afrika toewenst. Bij dat laatste weet ze ook: “hier zijn we na drie eeuwen nog niets anders dan een stuk curiosum westers.” In een gedicht verderop verwoordt ze het met:” grond die mij niet wilde hebben/grond die nooit aan mij heeft toebehoord/grond die ik vergeefser dan vroeger liefheb.” Het is de onoplosbare verscheurdheid tussen haar geworteld zijn in het land waar ze zo van houdt en het blijvende gevoel van vreemdelingschap door huidskleur.

Dat het leven als moeder niet alleen maar rozengeur is kunnen we meebeleven in Hoe en waarmee overleef ik dit? En we maken mee hoe ze na een langere afwezigheid (ongetwijfeld als dichter) thuiskomt en haar slapende kinderen bekijkt en daarna, verkild van de reis, tegen haar warme man aankruipt en sneuvelt tot vrouw. Zo raken bij het lezen ontroering en lach weer verstrengeld. Bij Antjie Krog gaat het nooit om één emotie tegelijk. Bij wie wel?
Op blz. 23 begint ze met de mededeling: “dingen waarover je natuurlijk nooit zou dichten / dringen het nieuwe terrein van poëtische thema’s binnen”
Inderdaad las ik niet eerder in gedichten wat zij hier laat binnendringen. Het levert een krachtige beleving op! Zijn er zintuigen die ze hier niet aanspreekt?

Land van genade en verdriet , een cyclus van 10 gedichten, gaat over “zoveel verwonding in ruil voor waarheid.” Misdaden aan het licht gebracht in de Waarheids- en Verzoeningscommisie o.l.v. Desmond Tutu. Ze heeft het er heel zwaar onder:
…dat ik afreis langs het kaf en het koren van mijn verleden/dat voortkruipt op dodelijke knieën zonder ooit ook maar één keer op te kijken/dat ik op mijn knieën voortklauw naar de plek…ik blijf glippen blijf uit de waarheid glippen….en laat mij rouwen o mijn hand grijpt het laken als een keelik bezing dat medemenselijke hartwat te doen met het oude/ dat zo lustig meestinkt in het nieuwe…van pijn die geen taal wilde worden…hoe snijdt je schoon..
Haar hart, ons aller hart blijkt de centrale factor voor nabijheid en verzoening.

Op blz. 61 staat een prachtig gedicht over het proces van dichten.
En dan zijn er nog meer gedichten over problemen in de liefde, over opvliegers, over onappetijtelijkheden, over het ouder worden met daarbij de diepere nabijheid, lichamelijk en geestelijk.
Statement van een oma is een heerlijke tirade tegen de vermeende truttigheid van oma’s. Een vooroordeel dat zich tot haar verbazing in haar hersens bleek te hebben genesteld.

Een bundel recht doen door hem samen te vatten is een onmogelijkheid en al helemaal bij Antjie Krog. Lees hem dus, herlees hem en ontdek wat er staat.

Uitgeverij        Podium, 2017
Pagina’s          124
ISBN                978 90 5759 872 2

Recensie door Maud Ockers, oktober 2017




‘Medeweten’ Antjie Krog

Antjie Krog is geboren in oktober 1952 in Kroonstad, Zuid Afrika.
Ze debuteerde in 1970 met de dichtbundel Dogter van Jefta. Medeweten is haar achttiende bundel, in het Zuid-Afrikaans en Nederlands. Daarnaast schrijft ze proza, toneel en non-fictie.
Ze studeerde aan de universiteit van Pretoria, is getrouwd en moeder van vier kinderen en ze is hoogleraar aan de universiteit van de Westkaap.

Wereldwijd wordt er van haar werk gehouden en is ze geprezen en bekroond.
Door haar compromisloze stellingname tegen onrecht en discriminatie (hoe scheid je die begrippen?) werd ze ook met de dood bedreigd, wat haar niet heeft weerhouden om door te gaan met het aankaarten van misstanden.
In Medeweten komt wat haar ter harte gaat opnieuw in krachtige taal met treffende en aangrijpende woordvondsten tevoorschijn. Dit ter harte gaan is bij haar van een betrokkenheid en warmbloedigheid, die samengaat met een al even intens houden van taal. Ze trekt lettergrepen van woorden los en zet andere lettergrepen eraan, zodat nieuwe betekenissen ontstaan. Bij voorbeeld: lachtheid.
Mijn hersens veren op om zulke nieuwe verbindingen af te tasten en te duiden.
Ze verpakt (verhult) haar woede over onrecht niet in keurige woorden; lees vanaf pagina 62 in Vrouwe Justitia geblinddoekt!
In plaats van zich door een gevoel van onmacht te laten knevelen, trekt ze alle registers van woede, walging, liefde, tederheid, aandacht, medegevoel en mededogen open. Medeweten, ook voor ons, haar lezers.

Dat de machtigen zichzelf vrijwel alles toe-eigenen in de mening dat alleen hún werk belangrijk is, omdat zíj er nou eenmaal meer toe doen en harder werken dan ieder ander, noemt ze: de hypocrisie en de pornografische claims van machthebbers, corrupten, kleptocraten – en ze verwijt mensen in het algemeen een gebrek aan morele verbeelding. Vrouwe Justitia richt zich op de wet, niet op rechtvaardigheid, en de wet beschermt de rijke.
Daarbij vraagt Antjie Krog zich af: waarom is Vrouwe Justitia toch geblinddoekt? Om het onrecht niet te hoeven zien? Bij haar vraag kan je denken aan oordelen zonder aanziens des persoons. Maar zonder een mens aan te zien en aan te kijken is er minder kans op juist beoordelen, laat staan mededogen voelen. Zonder vooringenomenheid? Die vraag is al door Antjie Krog beantwoord, want mazen blijven er genoeg in de wet waar Vrouwe Justitia onder valt.

Over haar schrijvend kan ik de woorden ‘ook’ en ‘samengaan’ wel blijven gebruiken, want alles gaat bij Antjie Krog samen en staat nooit los van andere facetten die net zo goed belicht worden, maar alles tegelijk kan eenvoudigweg niet.

Na haar stellingname tegen machtswellust en corruptie zegt ze wat ze het ergste vindt: schone handen. Het gevolg daarvan is lauwheid en schouders ophalen. Ongetwijfeld zal ze niets tegen een mooi aangeharkt tuintje hebben, zolang het niet dient om de beerput eronder nooit te hoeven legen. In haar boek De kleur van je hart doet ze verslag van ruim twee jaar betrokkenheid als verslaggever bij de Waarheids – en Verzoeningsommissie, waarvan aartsbisschop Desmond Tutu voorzitter was. Dat was openen en doorspitten van een beerput vol gruwelijke misdaden van het apartheidsregime, in het besef dat de waarheid de enige mogelijkheid vormt om ooit in het reine te kunnen komen met de verschrikkingen.

Naast thema’s die zich in het groot aandienen, is Antjie Krog even betrokken bij haar persoonlijke leven en liefde. Bij haar is er geen verschil tussen opmerkzaamheid voor wat een kind of kleinkind beleeft en wat er wereldwijd aan de orde is.
Over wat ze in de ogen van haar kleindochter ineens aan angst ziet, terwijl het meisje zo met alles haar best doet, dicht ze in Slapen in de kamer van een meisje:

de angst dat best niet telt dat best niets / oplevert of uiteindelijk nergens toe leidt dat / best de greep van anderen op jou is en vooral / dat je misschien maar een gewoon meisje bent deze / oma weet hoe je best doen je daar voor de rest / van je leven ongelukkig mee gaat maken (pag. 74)

Ja, deze oma heeft weet van het alles beheersende minderwaardigheidsgevoel van grote groepen mensen, hóe ze ook hun best hebben gedaan en blijven doen.
Het zal dan ook niet verbazen dat ze nooit aangenomen heeft dat er een god of God zou zijn die van boven af bestiert en beoordeelt. De wetten van de natuur, van de kosmos, zijn voor haar God. En alles hangt daarin samen en beïnvloedt alles, menselijk gedrag inbegrepen. Ze noteert dan ook hoe haar kleinkind zich vereenzelvigt met vogels en wind in Een meisje in de tuin (pag.113-114).

Uitgeverij               Podium, 2016
Pagina’s                 258
vertaalde helft        uit het Zuid-Afrikaans door Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer (Mede-wete)
ISBN                       978 9057 596 971

Recensie door Maud Ockers, augustus 2017

 




‘AS, VUUR’ door Hester Knibbe

Het eerste deel van de inhoud van As, Vuur is te danken aan het feit dat Hester Knibbe een artikel van Mark Pagel las over 23 oerwoorden, gedestilleerd uit zeven Euraziatische talen. In een interview in Taalstaat zegt ze dat die woorden haar fascineerden en ontroerden, ze lezend en overdenkend.
Ook vertelt ze over haar verbazing tijdens het ontstaan van een gedicht: eerst laat ze het gedicht zelf zijn gang gaan en pas later laat ze er haar timmermansoog over gaan. Door dit tot tweemaal toe gebruiken van het werkwoord ‘laten’, onthult ze dat ze graag verblijft op de scheidslijn van toeschouwen en doen.

De bundel gerangschikt is in twee gedeeltes, maar dat wil niet zeggen dat er van een duidelijke tweedeling sprake is. Want in het vervolg van de bundel blijven het overdenken en het bevragen van de woorden even belangrijk.
De titels van het eerste deel zijn ontleend aan de oerwoorden, waarbij haar eigen wereld aan beelden en gedachten zich opent.

Hester Knibbe blijft dicht bij wat ze zelf meemaakt. Ze onderzoekt wat er werkelijk bij haar gebeurt. In het gedicht Hand, Man en Woord maakt ze duidelijk dat ze liever dan woorden van liefde (die ze niet in haar handen kan houden) het bewijs van aanraking uit liefde krijgt:

Hand

Hij geeft mij een hart dat ik niet kan vasthouden
en zegt dat het mij liefheeft.

Ook liefde is vluchtig
maar het hart zegt dat het blijft.

Ik heb twee handen, in het ene
geen hart, in het andere geen liefde

maar ik adem, adem in en uit, beweeg
van het een naar het ander.

Hij zegt: in elk mens huist hunker
die alleen ter ziel wordt afgelegd.

Hij heeft gelijk, hij heeft altijd gelijk
maar ook gelijk kun je niet vasthouden, het sijpelt

losweg je handpalm levenslijn uit.

Maar wat een doorslaggevende invloed woorden toch kunnen hebben, bewijst ze meteen daarna in Horen.
De situatie, die ze beschrijft in Toom en Zit is met vlagen hilarisch, terwijl het tegelijkertijd zo droevig is. Ze houdt vol, onder woede – berusting.

Woorden mogen dan geen fysieke aanrakingen kunnen vervangen, ze brengt met haar taal wel haar eigenheid over. Die individuele eigenheid is al net zo ‘niet in de hand te houden‘, en toch zo aanwezig in haar gedichten.
Op pagina 45 vraagt ze zich dan ook af:
Laat ik mij raden? Of laat ik mij kennen, ontleden…..”

Hester Knibbe is geboren in 1946 in Harderwijk.
Ze heeft als clinisch-farmaceutisch analiste lange tijd het laboratorium van een ziekenhuisapotheek beheerd.
Met As, Vuur erbij heeft ze 17 bundels uitgegeven en haar werk is meermaals bekroond.

Uitgeverij      De Arbeiderspers, 2017
Pagina’s        71
ISBN             978 9029 514 293

Recensie: Maud Ockers, augustus 2017

 

 




‘Nachtroer’ door Charlotte Van den Broeck

Charlotte Van den Broeck werd in 1991 in Turnhout (Vlaanderen) geboren. Nadat ze haar diploma Taal en Letterkunde aan de Universiteit Gent behaalde, ging ze woordkunst studeren aan het Conservatorium van Gent.
Ongeveer in 2013 schreef ze haar eerste gedicht. Zelf zegt ze daarover:
Ik studeerde toen nog Germaanse talen en las in korte tijd twee gedichten die een enorme impact op me hadden. Het eerste: ‘Todesfuge’ van Paul Celan, die gedurende de tweede wereldoorlog ternauwernood aan de dood ontsnapte in een concentratiekamp. Zijn ouders werden in een vernietigingskamp vermoord.
Het tweede gedicht is ‘Lamento’ van Remco Campert. Ik had er nooit bij stilgestaan dat taal zoveel teweeg kon brengen. Ik wilde ook iets zeggen.”
Nou, dat laatste deed ze en het bleef bepaald niet bij iets.

In 2013 stond ze al in de top honderd van de Turing Gedichtenwedstrijd, maakte deel uit van het Turnhouts dichterscollectief ‘Dichterbij’ en van ’10 op de Schaal van Dichter’, dat in 2015 een cd met poëzie op de markt bracht. In het Poëziebordeel van Vonk en Zonen trad ze op als Lulu Wedekind. In 2015 ging ze mee op tour met Saint Amour en in september van datzelfde jaar mocht ze de 33ste Nacht van de Poëzie in Utrecht afsluiten. Daardoor opende ze in september 2016 de 34ste Nacht van de Poëzie in Utrecht.
In januari 2015 debuteerde Charlotte Van den Broeck bij de Arbeiderspers met de dichtbundel Kameleon, waarvoor ze de Herman de Coninck Debuutprijs 2016 ontving. En bij dat alles heeft ze doorgewerkt aan nieuwe gedichten, zodat nu, in 2017, haar tweede bundel bij de Arbeiderspers is uitgegeven: Nachtroer.

Nachtroer (de naam van een nachtwinkel in Antwerpen) begint met een cyclus van acht gedichten, Acht geheten, met een lemniscaat erachter. De cyclus begint met VIII en eindigt met I. Het is haar tocht terug van nu, waar het om een scheiding gaat, naar toen, toen ze elkaar leerden kennen. De cyclus eindigt met het beeld van een jongen en meisje, die op een veld liggen. In deze terugblik gaan nu en het verleden doorlopend in elkaar over.
In gedicht VIII, de verwonding, waarbij
..het huis zich laat verdelen in bananendozen en bezittelijke voornaamwoorden..
met later de zinnen:
..weet nu dat rouw begint bij het stoten van de elleboog
en doortrekt tot in de vingertoppen
om nieuwe aanrakingen vooraf te verdoven.

Een verrassende wending, van dit zich betrekkelijk onschuldige stoten met een korte sensatie van verdoving in dat gebied, die in de misère van nu vooruitwijst naar en huivert voor toekomstige kwetsbaarheid.
In volgende gedichten komt de heftige, lichamelijke kwetsuur tot woorden. Daaruit is geen soelaas te vinden dan in :
… toen heb ik het gedaan/van jou en mij met opzet onderdelen van een bouwpakket gemaakt.
Een poging tot bezweren, het uit elkaar halen en in elkaar zetten van een bouwpakket, zonder emotionele consequentie.

Na deze eerste acht gedichten begint de afdeling Nachtroer, waar de bundel naar is genoemd. Daarin begint ze met het bezingen van haar inspirator, Remco Campert. In taalvorm laat ze hem verschijnen en geeft ze woorden aan het concipiëren van het dichterschap, daarbij wetend dat: ..en jij de mieren niet en de zwellende kleuren niet.. Nee, dat zijn háár eigenheden, die ze zelf vorm is gaan geven.

Daarna dwaalt ze in haar gedichten door haar nieuwe, eenzame bestaan, op zoek naar ontsnappen aan de leegte. Ze denkt aan vroeger, toen voor een lelijk gat in de muur een schilderij was gehangen:
..besloten om later het gat in de muur te worden, weerbarstig en luid
achter het schilderij te kloppen en zo anomalie en ademhaling te zijn..
Dan volgt de constatering:
ben toch het schilderij geworden, voor de wonde een vorm.
Het laatste gedicht in de bundel is een minutieus recept voor het bouwen van een waterdichte boot. Pas als de boot af is komt de trieste vraag op waarheen te varen.

Er zijn gedichten waarin de associaties elkaar zo snel opvolgen, dat je je afvraagt waar je zou kunnen ademhalen, wanneer je ze hardop zou lezen.
Zelf zegt ze: “Beelden schieten vaak razendsnel als dia’s door mijn hoofd. Dan probeer ik te temporiseren, maar ik heb geen pauzeknop.”
Op papier en wanneer ze voordraagt, vindt ze die knop wel degelijk.
Er is geen sprake van ademnood, wanneer je haar hoort. Helder en rustig zegt ze de teksten, zodat de beelden uit elkaar voortkomen zonder over elkaar heen te vallen.

Uitgeverij       De Arbeiderspers, 2017
Pagina’s         81
ISBN               978 9029 510 219

Recensie: Maud Ockers, augustus 2017