‘De vrouwen aan wie ik ’s nachts denk’ door Mia Kankimäki

In een interview zegt de Britse schrijfster en dichter Deborah Levy: “Je moet de manier waarop een schrijver denkt interessant vinden om te kunnen genieten van een boek”. Welnu, ik heb genoten van de Finse schrijfster Mia Kankimäki. Ze creëert een mooi samenspel van reis-, historische- en autobiografische verhalen. Ze begint zo: “Ik ben tweeënveertig. Ik heb geen man, geen kinderen en geen werk. Mijn huis heb ik verkocht, mijn eerste boek is af en mijn oude baan heb ik definitief opgezegd.” Wat wil ze met haar verdere leven?
Ze bedenkt dat ze haar grote voorbeelden, de vrouwen aan wie zij ’s nachts ligt te denken, na wil reizen. Ze maakt contact met een Finse natuuronderzoeker die in Tanzania woont omdat ze het Afrika van Karen Blixen, haar nachtvrouw nr. 1 wil zien. Ze reist af en gaat bij deze Ollie, z’n vrouw en dochtertje logeren. Ze schrijft in een heldere, frisse stijl over Karen Blixen en over zichzelf in een aantrekkelijke afwisseling. De Deense Karen Blixen vertrekt op 27-jarige leeftijd (het is dan 1913) naar Afrika, en runt daar met haar man een koffieplantage. Ze jaagt, treedt op als arts en lerares, en schrijft. Op 46-jarige leeftijd vertrekt ze voorgoed uit Afrika weg, alleen, ziek en zonder geld. Weer thuis bij haar moeder in Denemarken schrijft ze diverse beroemd geworden boeken, waaronder Out of Africa dat in 1985 is verfilmd. Wat mij aanspreekt is dat Mia Kankimäki haar ideaalbeeld van Karen Blixen bijstelt naarmate ze meer over haar leest. Ze beschrijft hoe en hoeveel Karen ging jagen en zet daar de nodige vraagtekens bij. Maar Karen blijft een inspirerend voorbeeld, wel in realistische proporties. Mia eindigt haar verhaal over Karen met: “Wat haar werkelijke kracht was, was dat ze na haar veertigste, zonder gezin, werk en zonder eigen huis zichzelf opnieuw wist uit te vinden.”  Hoe mooi rond wil je het hebben.

Mia heeft na haar Afrikaanse avontuur behoefte aan nog meer inspiratie, voorbeelden en praktische adviezen, aan nachtvrouwen, die haar de weg wijzen, die haar helpen haar angsten te overwinnen. Ze gaat op onderzoek uit naar 5 ontdekkingsreizigsters uit de 19e eeuw (Isabella Bird, Ida Pfeiffer, Mary Kingsley, Alexandra David-Néel en Nellie Bly): “Ze hadden geen geld, geen goede conditie, waren niet wetenschappelijk opgeleid en geen steunpilaren van de samenleving. Vaak waren ze niet eens jong en gezond. En toch gingen ze. En dat is de reden dat ik van ze houd.”
Bizarre verhalen en wonderlijke toestanden krijg je te lezen.
Om haar reiskas te spekken houdt Mia lezingen over haar vorige boek (dat hier helaas niet meer verkrijgbaar is, over de Japanse Sei Shõnagon met haar Hoofdkussenboek). Ze is te gast bij leeskringen en heeft een fotoshoot voor bij een interview in een damesblad. En daar weet ze toch een potje over te zeuren. Maar dan denk je als lezer: ‘ik houd toch van je.’

In Florence ontdekt ze 3 vrouwelijke schilders, (Artemisia Gentileschi, Sofonisba Anguissola en Lavinia Fontana) kunstenaars uit de 16e eeuw. Op weer een prachtige manier vertelt Mia over deze vrouwen, hun levens, hun geschiedenis. Ze eindigt met een mooi slot voor zowel de schilderessen als de reizigsters met ‘Een theorie over Vaders,’ waarin ze schrijft“Het lijkt alsof elke geslaagde nachtvrouw een vader had die op de een of andere manier de ongewone keuze van zijn dochter steunde.”

Mia wordt erg beheerst door angsten. Vooral de angst om te schrijven houdt haar bezig. Zo komt ze bij haar nachtvrouw nr. 10: Yayoi Kusama. Deze vrouw is de enige nog levende nachtvrouw, geboren in 1929 in Japan. Ze woonde jaren in New York en groeide daa uit tot een ster in de avant-garde kunst. Op haar 44e besluit ze terug te gaan naar Japan. Daar stort ze in en wordt ze opgenomen in een psychiatrische inrichting in Tokio. Ze woont daar nog steeds in de open afdeling. Naast het ziekenhuis heeft ze een atelier laten bouwen waar ze nog altijd elke dag werkt. Mia reist naar Japan, naar Tokio, loopt door de wijk van het ziekenhuis, schrijft haar een mailtje maar krijgt geen antwoord. Ze ontmoet haar niet.

Het echte slot komt met het verblijf van Mia in een kunstenaarsresidentie op het voormalige Oost-Duitse platteland. Ze verblijft daar met 20 andere kunstenaars. Overdag schrijft ze, in haar vrije tijd heeft ze prettig gezelschap waar ze van geniet en leert. Ze vindt vrede met het schrijverschap.

De Nederlandse vertaling van Anton Havelaar is goed.

Uitgeverij       Orlando, 2021
Pagina’s        415
Vertaald        uit het Fins door Anton Havelaar (Naiset joita ajattelen öisin)
ISBN              978 9493 081 826

Recensie door Vera Berendsen, augustus 2023