‘Het Luik van Sneeuw’ door Emily Holmes Coleman

De Californische Emily Holmes Coleman (1899–1974) heeft maar één roman geschreven die zo kort is dat de term ‘novelle’ misschien meer op zijn plaats is. Het Luik van Sneeuw werd in 1930 gepubliceerd in Amerika en is pas vorig jaar in het Nederlands verschenen. Uitgeverij Orlando voegde de roman toe aan de serie Vrouwen Klassiekers. Het gaat daarbij om ‘vergeten’ boeken die echter meer dan de moeite waard zijn om gelezen te worden en daarom -eindelijk- in het Nederlands vertaald zijn.

Het verhaal begint in 1924 met een vrouw die op bed ligt. Boven haar deur zit kippengaas. Aan de buitenkant van de ramen zitten spijlen. Ze hoort op de gang stemmen “die zich mengden met snikken en kreten”. De vrouw is Marthe Gail, het alter ego van Emily Holmes Coleman, en ze ligt in het Gorestown State Hospital, een psychiatrische inrichting.
Geleidelijk aan wordt duidelijk dat ze na de geboorte van haar kind kraamkoorts heeft gekregen, dat in de roman ‘toxische uitputtingspsychose’ wordt genoemd. Ze is daardoor volledig de weg kwijt geraakt. Ze gelooft dat haar baby dood is, ze hoort stemmen, heeft wanen en denkt dan dat ze God of Jezus Christus is. Soms is ze lief en soms gewelddadig, maar bovenal wil ze ontsnappen uit deze gevangenis. Als ze na enige tijd een potlood en papier kan bemachtigen, schrijft ze haar verhaal op. Dat is het begin van Het Luik van Sneeuw.Tekstueel is het één grote chaotische warboel, net zoals in haar hoofd, en waar de lezer aanvankelijk zijn handen aan vol heeft. Zinnen, woorden en beelden, werkelijkheid en verbeelding warrelen door elkaar en toch wordt een situatie geschetst die schrijnend is.
Er wordt niet met Marthe gepraat en er is niemand die eens een arm om haar heen slaat. Haar persoonlijke eigendommen zijn van haar afgenomen. Ze moet voortdurend stil en rustig zijn. Zo niet, dan komt ze in bed onder een spanlaken. In bad gaan betekent ingenaaid worden in stroken stof waarbij alleen het hoofd vrij blijft. Marthe noemt dat ‘de spiraalkist’ en weet eraan te ontsnappen. Daarom mag ze het bad uit waar ze anders zes uur in had moeten liggen. Ongevraagd krijgt ze een Wassermanntest waarmee vastgesteld wordt of ze syfilis heeft. Ook wordt ze ongevraagd gekatheteriseerd. Aan dwangvoeding en aan de isoleercel weet ze te ontkomen. Het gaat echter allemaal niet om wreedheid, maar om de gewone gang van zaken in een psychiatrische inrichting rond 1920.

In andere patiënten vindt Marthe vriendinnen die de volgende dag vijandinnen kunnen zijn. Hoe kan je immers iemand vertrouwen als je jezelf niet eens vertrouwt? Er is een groot statusverschil tussen de diverse afdelingen en dat leidt tot afgunst en ruzies. Mannen zijn er wel, maar op een andere afdeling. Zij komen nauwelijks ter sprake. Marthe’s echtgenoot komt wel in beeld. Hij doet wat hij kan voor zijn vrouw, maar onderwerpt zich kritiekloos aan het regime van de inrichting en loopt weg als Marthe maar even onrustig of aanhalig wordt.

Na twee maanden mag Marthe de inrichting verlaten. Weliswaar heeft ze steeds langere periodes van luciditeit, maar genezen is ze geenszins. Buiten haar verhaal om weten we dat het wel goed komt met haar, omdat Emily Holmes Coleman, die hetzelfde onderging als Marthe, uiteindelijk in Parijs zou komen waar ze editor werd en veel artikelen, korte verhalen en gedichten zou schrijven. Een tweede roman schreef ze echter niet.

Het Luik van Sneeuw is geen chronologisch verhaal, maar een opsomming van beelden. Opvallend is het taalgebruik. Recensent Martin Lok omschreef dat heel treffend in Literair Nederland van 30 april ’24: “Rijke zinnen, vol beeldend taalgebruik, die om elkaar heen dansen als de losgetrokken windsels in een warm bad.”
Juist omdat Emily Coleman haar verhaal opschreef terwijl ze in een psychiatrische inrichting zat, krijg je een ongekend indringend beeld van hoe het voelt als je geest losgeslagen is. Toch is deze roman pas zes jaar na haar vreselijke ervaringen gepubliceerd. Het werken eraan moet een geweldige inspanning zijn geweest, want zes jaar lang moest zij zich weer inleven in een tijd die ze wilde vergeten. Motieven van sneeuw, kou en dood onderstrepen haar gevoel levend begraven te zijn geweest. Daar komt ook de titel van haar roman uit voort: “Vanavond zal er sneeuw op mijn glazige vingers liggen zei ze, en een luik van sneeuw op mijn graf.”

Er volgt nog een uitgebreid nawoord van Claire Louise Bennett, een Iers-Engelse schrijfster en winnares van de Europese literatuurprijs 2023 met haar roman Kassa 19. Wie niets van Marthe’s verhaal begrepen heeft, kan hierin de uitleg vinden. Claire Bennett voegt daar nog een verhandeling aan toe over Jung en Freud, hun analytische methoden en hun fascinatie voor dromen, het onbewuste en psychoses. Ze koppelt daar ook nog het surrealisme aan. Op zich interessant, maar de bijna magische sfeer van Marthe’s verhaal wordt er door onderuit gehaald.

Rest nog de vraag waarom dit boek opnieuw gepubliceerd is in 2023. Het gaat immers om achterhaalde psychiatrische praktijken en het is gedateerd door woorden als ‘onduleren’, ‘kousenband’ en ‘een boek opensnijden’. Het Luik van Sneeuw is echter tijdloos. Een psychose was een eeuw geleden niet anders dan nu. Hoe een vrouw zich daaraan op eigen kracht ontworsteld heeft blijft altijd bijzonder. Het schrijven vanuit een psychose komt maar zelden voor en is buitengewoon boeiend, zeker door het schitterende proza van Emily Holmes Coleman.

Tot slot een groot compliment voor vertaalster Lisette Graswinckel die aan de vertaling haar handen vol moet hebben gehad.

Uitgeverij      Orlando 2023
Pagina’s        188
Vertaald         uit het Engels door Lisette Graswinckel (The Shutter of Snow, 1930)
ISBN              978 9083 335 766

Recensie door Janny Wildemast, juli 2024




‘Huizen van anderen’ door Lore Segal

Toen de Oostenrijks-Joodse Lore Groszmann tien jaar was, ging ze met het eerste Kindertransport in 1938 naar Engeland, samen met 600 andere kinderen. Door een brief van haar konden haar ouders later ook komen, als tuinman en dienstmeisje, terwijl ze in Oostenrijk hoofdboekhouder en pianiste waren geweest. Lore beschrijft in haar roman Huizen van anderen hoe ze in Engeland aankwam en vervolgens bij diverse pleeggezinnen werd ondergebracht, in ‘huizen van anderen’. Ze publiceerde haar retrospectieve verhaal in 1964. Ze was toen dus 36, woonde in Amerika en was getrouwd met David Segal. Het gaat om een licht gefictionaliseerde autobiografie die ze met nadruk ‘roman’ noemt: “De waarheid van een romanschrijver geeft nu eenmaal een echter verhaal”, vindt ze.

Het Kindertransport programma 1938-1940 werd na de Kristallnacht in Duitsland door de Britse regering ingesteld. Ongeveer 10.000 Joodse kinderen onder de 17 jaar konden zo ontsnappen aan het Nazi-regime. Ze kwamen in kinderhuizen of pleeggezinnen terecht. In Engeland werd verteld dat het om weeskinderen ging, terwijl in werkelijkheid de meeste kinderen wreed van hun ouders werden gescheiden. Volwassen Joden boven het immigratiequotum waren niet welkom. De kinderen moesten vooral gezond zijn. Een gevaar voor de arbeidsmarkt vormden ze niet. De Joodse gemeenten draaiden voor alle kosten op.

Uit Oostenrijk konden 2364 kinderen ontkomen naar Engeland, maar er bleven er meer achter. In juni 1939 stonden er nog 8000 op een wachtlijst. De meesten zouden omkomen in uitroeiingskampen. ‘Het op jonge leeftijd moeten vertrekken bij hun ouders deed veel met de kinderen. Velen liepen daardoor een trauma op. Zij groeiden op in een nieuw land waar ze de taal niet spraken en moesten met vreemden leven die alleen Engels spraken. Op school werden de kinderen door Britse kinderen vaak beschouwd als Duitsers, in plaats van -in de eerste plaats- als Joodse vluchtelingen’, aldus Wikipedia. Zo ging het ook met Lore.

Ze begint haar verhaal in 1937. Hitler is Oostenrijk binnengevallen. Het Nazisme is in opkomst en de anti-Joodse maatregelen nemen toe. Huizen worden beklad, spullen worden afgenomen, Lore wordt een keer bespuugd en haar familie moet telkens weer verhuizen. Het welvarende middenklas leventje is voorbij. Op scholen wordt segregatie doorgevoerd tot Lore helemaal niet meer naar school kan. Dan wordt besloten dat Lore weg moet voor haar eigen veiligheid. Voor haar begint een spannend avontuur, voor haar ouders een vreselijke tijd.

Het allereerste Kindertransport vertrekt in de winter van 1938. Het mag een mirakel genoemd worden dat de trein met 600 kinderen zonder problemen door Duitsland heen kwam. In een heel kort stukje wordt iets gezegd over de spanning en de daarop volgende blijdschap onder de kinderen. Via Nederland gaan de kinderen op de boot naar Engeland waar ze in een kamp komen. Van daaruit zullen ze bij families ondergebracht worden.
De beschrijving van het leven in dat kamp had heel interessant kunnen zijn, maar beperkt zich voornamelijk tot een verhaal over een Knackwurst die Lore mee had gekregen, maar vergeten was. De stank uit haar tas wordt steeds erger, maar ze ziet geen kans zich van de worst te ontdoen. Voor Lore is dat veel belangrijker dan de situatie waarin ze zich bevindt.

Dan komen in de volgende hoofdstukken de diverse families aan bod waar Lore ondergebracht werd. Ze zijn Joods of Christelijk, maar vroeger of later willen ze allemaal van haar af. Lore gedraagt zich dan ook niet bepaald beminnelijk. Ze is erg ik-gericht, praat veel en speelt veel toneelstukjes in haar hoofd waarin zij de hoofdrol heeft. Tot nu toe moet het de lezer al zijn opgevallen hoe afstandelijk Lore is. Koud en onaangedaan vertelt ze de meest verschrikkelijke dingen. De wereld draait om haar en de rest doet er niet toe. Dat heeft echter een reden die zijzelf verwoordt in haar voorwoord: “Als je je op tienjarige leeftijd afsluit voor gevoelens die je op een andere manier niet de baas kunt, kost het tientallen jaren om je weer open te stellen.” Daarnaast moet ook niet vergeten worden dat de wereld beschreven wordt door de ogen van een kind. Een kind dat zonder ouders in een vreemd land met vreemde gewoontes kwam en zich in een vreemde taal moest zien te handhaven.

Met een intelligente, scherpe blik beschrijft ze de heel verschillende pleeggezinnen. Onbedoeld als kind, maar zeker bedoeld door de volwassen schrijfster, komen we erachter dat al die goedwillende pleegouders nou niet bepaald op hun taak waren voorbereid. Ze doen allemaal hun best maar jagen je regelmatig het plaatsvervangende schaamrood naar de kaken door hun onbegrip. Juist door zich op haarzelf te richten weet Lore zich staande te houden, geholpen door haar gevoel voor humor. De komst van haar ouders, dankzij een brief van Lore, bleek niet te helpen. Die moesten hard werken, ver beneden hun stand, hadden geen tijd voor haar en kunnen niet bij haar in de buurt wonen. Als haar ziekelijke vader sterft, is Lore diep bedroefd. Niet om hem, maar omdat ze niet van hem kon houden.

De oorlog speelt voor Lore een minimale rol. Zij heeft andere zorgen. Uit haar handelingen blijken kleine beetjes van haar echte gevoelens. Naast huilbuien en broekplassen brengt ze veel tijd door onder tafels, of starend in het haardvuur, of ze doet met andere kinderen spelletjes waarbij gegokt moet worden hoe lang het zal duren eer er antwoord komt op haar brieven.
Lore komt uiteindelijk bij haar moeder terecht die overigens over een aanpassings- en doorzettingsvermogen beschikt om ‘u’ tegen te zeggen. Lore gaat studeren aan de University of London en in 1951 emigreert ze met haar moeder naar de Dominicaanse Republiek in afwachting van een visum voor Amerika.

Wie goed tussen de regels door leest, vindt in Huizen van Anderen een aangrijpend verhaal van een kind dat ondanks alles wist te overleven.

Uitgeverij      Cossee, 2024
Pagina’s        288
Vertaald         uit het Engels door Anna Helmers – Dieleman  (Other People’s Houses-1964)
ISBN              978 9464 521 269

Recensie door Janny Wildemast, juni 2024




‘Een soort eelt’ door Rinske Bouwman

Rinske Bouwman is een Utrechtse theatermaker en schrijfster. Als Utrechtse vind ik dat natuurlijk interessant. En ja, Sarlag, de hoofdpersoon in dit verhaal, woont en studeert ook in Utrecht en heeft een baantje bij de Dirk in Utrecht-West. Rinske Bouwman schrijft het verhaal in korte hoofdstukken met een titel. Af en toe zijn er tussendoor gedichten van een pagina of twee, schuingedrukt, zonder titel, zonder nummering. Haar stijl is luchtig, en goed. Ze weet je mee te slepen in het leven van Sarlag.

Sarlag is opgegroeid in Mongolië. Haar ouders zijn Nederlanders die daar zijn gaan wonen toen Sarlag een paar jaar oud was. Ze spreekt met haar ouders Nederlands. Moeder oefent met haar de grammatica. Mongools leert ze op school en van het buitenspelen. Het hele verhaal is in de ik-vorm en Sarlag vertelt prachtig over vroeger thuis, de ger waarin ze woonden, haar ouders en broertje Yul, het landschap, de natuur, de mensen, het vee dat ze houden, en natuurlijk over de jak Batraa (op de omslag), haar lievelingsdier. Vader vertelt graag verhalen voor het slapen gaan. Ook Yul, die 8 jaar jonger is, houdt van deze volksverhalen. In een heel mooi hoofdstuk vertelt Sarlag over een gezinsvakantie aan het Witte Meer. Yul is dan 12 jaar en zijzelf dus 20. Op een dag gaan Yul en Sarlag samen te paard een tocht maken naar de vulkaan. Terwijl ze samen genieten van de prachtige natuur, van het samen paardrijden, komt het zo uit dat Yul deze keer een verhaal vertelt aan Sarlag (meestal is het andersom). Het gaat over een land met zeven zonnen. Een ridder wil wel zes zonnen afschieten, zodat het wat koeler wordt. Hij belooft de koning dat als het niet lukt, hij zijn duimen eraf zal hakken en in een hol zal gaan wonen. Vijf zonnen afschieten lukt, de zesde niet. De ridder houdt zich aan zijn woord, hij hakt zijn duimen eraf en gaat in een hol wonen. Yul zegt tenslotte: ‘Wie belooft er nou zoiets?’ En Sarlag antwoordt: ‘Ik zou het voor jou beloven’.

Je leest ook over haar leven hier, haar werk op de koel-vriesafdeling van de supermarkt, haar collega’s, haar medebewoners in het studentenhuis.  Een van de collega’s is Kalle en die wordt haar vriend. De relatie kent ups en downs. Kalle voelt rouw bij Sarlag en wil daar over praten, maar Sarlag kan en wil dat niet. Ook als lezer weet je dat er blijkbaar iets vreselijks gebeurd is, maar pas halverwege het verhaal mag je weten wat dat is. Die stijlfiguur past helemaal bij het karakter van Sarlag. Het ontwijken, wegstoppen, geen weg weten met dat vreselijks, wordt er goed mee gesymboliseerd. Sarlag worstelt ermee. Een paar maanden na die mooie gezinsvakantie krijgen vader en Yul een auto-ongeluk waarbij Yul om het leven komt. Het is een trauma voor het hele gezin. Als Sarlag 26 is, besluit ze om naar Nederland te gaan. In de hoop dat dat een soort eelt op haar ziel zal geven? Ze krijgt in ieder geval een soort eelt op haar nagels, overal witte beharing, een bult op haar rug en nog veel meer. Ze vertelt het allemaal met veel fantasie, soms gecombineerd met juist veel exacte, concrete gegevens. Die combinatie kan grappig overkomen. Maar het is allemaal droevig. Pas toen ik het hele verhaal uitgelezen had, viel bij mij het kwartje. Dit is een volksverhaal! Een modern volksverhaal. Laat je verrassen en lees zelf hoe wonderbaarlijk het eindigt.

Uitgeverij     Orlando, 2024
Pagina’s       190
ISBN            978 9083 335 704

Recensie door Vera Berendsen, juni 2024




‘Biografie van de baarmoeder’ door Marlies Bongers en Corien van Zweden

Het ingenieuze orgaan dat vaak niet begrepen wordt

Niet klagen, maar dragen. Met die boodschap zijn hele generaties vrouwen grootgebracht. Menstruatiepijn, overmatig bloedverlies, opvliegers, stemmingswisselingen: het hoort er nou eenmaal bij, dus tanden op elkaar en doorgaan. Gynaecoloog Marlies Bongers zag in haar spreekkamer de gevolgen van deze houding: patiëntes die soms jarenlang rondlopen met heftige klachten, terwijl er soms wel (niet altijd) iets aan te doen is. Om het taboe rondom vrouwelijke lichamelijke klachten te doorbreken, besloot ze samen met Corien van Zweden een boek te schrijven over de baarmoeder, “dit bewierookte, verafschuwde en lang niet altijd begrepen orgaan.”

Biografie van de baarmoeder begint met een uitgebreide anatomische beschrijving en de verschillende stadia die een baarmoeder in een vrouwenleven doormaakt, van puberteit tot menopauze. Ook is er aandacht voor de opvattingen over dit orgaan door de eeuwen heen, waarbij vooral het tweeslachtige beeld opvalt: de baarmoeder zou zowel leven brengend als bedreigend zijn. De filosoof Plato en de arts Hippocrates begrepen al dat de baarmoeder een rol speelde bij de voortplanting, maar schreven ook veel kwalen en ziektes die een vrouw kon krijgen toe aan dit orgaan, waarin afvalstoffen en gif zich zouden hebben opgehoopt. Die ambivalentie is ook vandaag nog niet helemaal uit ons denken verdwenen. Het feit dat er nog nooit eerder een boek over de baarmoeder is verschenen, is misschien wel veelzeggend.

Het leeuwendeel van de ‘biografie’ behandelt allerlei medische aandoeningen die mensen met een baarmoeder zoal kunnen treffen, zoals endometriose, menstruatieklachten, verschillende zwangerschapscomplicaties en overgangsklachten. De auteurs beschrijven mogelijke symptomen en eventuele behandelopties, en doen dat in heldere, eenvoudige taal, waardoor het soms als een voorlichtingsfolder uit de wachtkamer van de huisarts leest. Toch stoort dat niet. Een belangrijk doel van de schrijfsters lijkt toch het informeren van de lezer(es), en in een tijd waarin influencers op sociale media allerlei onzin verkondigen over vrouwen en hormoon gerelateerde zaken, is dit boek dan ook een verademing.

Waar het wel enigszins wringt, is de onderliggende boodschap. De ‘biografie’ is overduidelijk óók een oproep aan vrouwen om hun klachten serieus te nemen, lees: naar de huisarts te gaan als ze zich zorgen maken. In een interview met de maaksters van de podcast De menstruatiemeisjes benadrukken de schrijfsters dat nogmaals.[1] Voor vrouwen voor wie praten over gynaecologische klachten nog steeds een taboe is, kan deze boodschap zeker iets betekenen. Helaas heeft die huisarts vaak niet heel veel in de aanbieding als het gaat om vrouwspecifieke klachten, zoals ze tegenwoordig genoemd worden. De anticonceptiepil bij menstruatieklachten en hormoontherapie bij opvliegers, en als dat niet werkt, is men snel uitgedokterd. Niet zelden is een bezoek aan de huisarts voor vrouwen zelfs het begin van een lange, soms eindeloze zoektocht naar verbetering van de klachten.

Dat is niet de schuld van die huisarts. Al jaren is bekend dat er relatief weinig wetenschappelijk onderzoek plaatsvindt naar medische klachten die vooral vrouwen treffen. In de jaren zeventig al vroegen vrouwelijke artsen en wetenschappers om meer aandacht voor de verschillen tussen mannen en vrouwen bij ziektes en lichamelijke aandoeningen. Hun oproep vond echter nauwelijks gehoor. Nog steeds worden vrouwenklachten gezien als vrouwenkwaaltjes die er nou eenmaal bij horen (hier is zelfs een term voor: de normalisatie van vrouwelijk leed), waardoor de urgentie voor nader onderzoek ontbreekt. Ter vergelijking: er is vijf keer zoveel geld beschikbaar voor onderzoek naar erectiestoornissen als naar het premenstrueel syndroom, terwijl 75 procent van de vrouwen last heeft van deze klachten, tegen 19 procent mannen met erectiestoornissen.[2]Een indirect gevolg van het gebrekkige onderzoek naar vrouwspecifieke aandoeningen, is dat 80 procent van de patiënten met onverklaarde lichamelijke klachten vrouw is.

Ook vooroordelen en stigmatisering leiden ertoe dat vrouwen minder goede zorg krijgen dan mannen. Lichamelijke klachten worden bij vrouwen worden vaker ten onrechte als psychisch bestempeld, waardoor deze patiëntes geen juiste diagnose krijgen (hier spelen artsen wel een rol). Nog steeds worden er vrouwen met overgangsklachten naar de psychiater gestuurd. Interessant is ook het onderzoek The Gender Pain Gap uit 2018, waar de auteurs van Biografie van de baarmoeder naar verwijzen, en waaruit blijkt dat artsen pijnklachten bij vrouwen minder serieus nemen dan bij mannelijke patiënten. Helaas verbinden de schrijfsters hier geen verdere conclusie aan, dus wat je als lezer(es) met deze informatie aan moet, wordt niet helemaal duidelijk.

De auteurs kaarten de achtergestelde positie van vrouwen in de gezondheidszorg wel degelijk aan, maar vermijden al te harde kritiek op de medische wereld zelf. Als verklaring voor het gebrekkige onderzoek naar overgangsklachten noemen ze bijvoorbeeld de recent toegenomen levensverwachting van vrouwen: voorheen werden vrouwen domweg niet oud genoeg om de in de overgang te komen. Dat klinkt logisch, maar dat verklaart natuurlijk niet waarom er ook weinig onderzoek wordt gedaan naar aandoeningen die juist vrouwen in de vruchtbare leeftijd treffen, zoals menstruatieklachten en endometriose. Bij die laatste aandoening duurt het in Nederland gemiddeld 7 jaar (!) voordat de diagnose wordt gesteld.

Het meest opvallende tegengeluid geluid komt vandaag ook niet vanuit de beroepsgroep, maar van vrouwen zelf. De eerder genoemde Menstruatiemeisjes maar ook de initiatiefneemsters van Voices for Women zijn exponenten van een groeiende beweging van vrouwen die de zwijgcultuur wil doorbreken en betere zorg voor vrouwen eist. In kranten, aan talkshow tafels en op sociale media is dankzij hen (en vele anderen) de gebrekkige aandacht voor vrouwspecifieke klachten inmiddels een onderwerp van gesprek – eindelijk. Laten we hopen dat er dit keer wel geluisterd wordt.

Uitgeverij      Arbeiderspers, 2022
Pagina’s        255
ISBN             978 9029 545 761

Recensie door Sandra Bessems, juni 2024

[1] Uit: Boekenclub, aflevering 43 van de podcastserie De menstruatiemeisjes.

[2] Uit: ‘Medische klachten van vrouwen veel minder onderzocht dan die van mannen’, door Marga Akkerman, Soroptimist.nl, 19 april 2023.




‘Dit soort kleinigheden’ door Claire Keegan

Ierland, 1985, een kort, mooi, ongemakkelijk kerstverhaal. Bill Furlong, een handelaar in kolen, turf en haardhout, is een zachtzinnige en bedachtzame man, met oog voor de mensen in zijn omgeving. Hij is getrouwd met Eileen, heeft vijf dochters die het goed doen op school, en zijn zaak loopt goed. Hij is eerlijk en behandelt zijn personeel goed. Hij ziet hoe het niet met iedereen zo voorspoedig gaat als met hemzelf. In tegenstelling tot zijn vrouw heeft hij daar geen hard oordeel over (‘eigen schuld’) en is hij zich ervan bewust dat hij geluk gehad heeft en dat het lot dat ook opeens kan veranderen. Hij geeft kinderen, die blootvoets in de kou langs de weg lopen, het kleingeld dat hij in zijn zak heeft en geeft mensen die de rekening niet kunnen betalen, nog wat respijt. Eileen is daar niet blij mee.

Hij is een zachtaardig, maar geen blijmoedig mens. Dat heeft te maken met zijn achtergrond. Hij is de zoon van een ongehuwde moeder. Mevrouw Wilson, bij wie zijn moeder in dienst was, heeft haar niet de deur gewezen toen ze zwanger bleek, maar heeft haar en haar zoontje in huis gehouden en zich in zekere zin over William (Bill) ontfermd. Ooit kreeg hij als kerstcadeau van haar A Christmas Carol, en van Ned, die daar ook werkte, een warmwaterkruik, hoewel hij om een papa en een puzzel van 500 stukjes had gevraagd. Eigenlijk wil hij dat nog steeds, weten wie zijn vader is. Als kind werd hij gepest omdat hij geen vader had, al bleven de pesterijen beperkt door de status van mevrouw Wilson.

Ook nu nog, bijna veertig jaar na zijn geboorte, staan de mensen in het stadje negatief tegenover ongehuwde moeders. De kerk is de norm, belichaamd door het klooster met internaat en school dat aan de overkant van de rivier op het stadje uitkijkt. Eigenlijk kun je alleen verder komen in het leven als je daar op school hebt gezeten. Dus je moet de nonnen niet tegen je in het harnas jagen. Ook de dochters van Bill gaan daar naar school. Toevallig merkt Bill bij het bezorgen van kolen dat daar heel ongelukkige meisjes wonen die keihard moeten werken in de wasserij van het klooster. Een meisje klampt hem aan omdat ze weg wil en zich anders het liefst wil verdrinken in de rivier. De dag erna vindt hij een meisje in het kolenhok. Ze wil zo graag haar baby zien die van haar is afgepakt, en hoopt dat Bill wil vragen waar haar baby is. Hij slaat zijn jas om haar heen en helpt haar naar de voordeur van het klooster, waar ze door moeder-overste meteen wordt binnengehaald en weggeleid. Bill krijgt thee. Moeder-overste knoopt een praatje aan en vraagt of hij het niet jammer vindt dat hij alleen dochters heeft en geen zoon om zijn familienaam voort te zetten. ‘Ik heb zelf toch ook de achternaam van mijn moeder meegekregen, eerwaarde moeder? En dat is me niet slecht bevallen.’ ‘Is dat zo?’ ’Ik heb niks tegen meisjes,’ vervolgde hij. ‘Mijn eigen moeder was ooit een meisje. En als ik me niet vergis, bent u dat zelf ook ooit geweest, zoals de helft van de mensheid.’ De non gaat daar niet op in. Later in het gesprek ligt hij ook weer dwars: ‘Zijn je zeelui deze week nog geweest?’ ‘Het zijn niet mijn zeelui, maar er is inderdaad een lading binnengekomen op de kade.’ ‘Dus je vindt het niet vervelend om al die buitenlanders hierheen te laten komen?’ ‘Iedereen moet ergens geboren worden’, zei Furlong. ‘Naar ik begrepen heb is Jezus in Bethlehem geboren.’ ‘Ik zou de Verlosser toch niet meteen met die kerels willen vergelijken.’ Ze had er nu meer dan genoeg van, (…) Bij het weglopen spreekt hij het meisje aan dat in de keuken wat te eten gekregen heeft en vraagt hij of hij wat voor haar kan doen. Daarop begint het meisje onbedaarlijk te huilen en wordt Bill de deur uit gebonjourd.

De volgende dag, de dag voor kerst, zit het hem dwars dat hij niet naar de baby van het meisje heeft gevraagd. Inmiddels is het in het stadje bekend dat hij een ‘aanvaring’, zoals ze het noemen, met de nonnen heeft gehad. Hij wordt gewaarschuwd dat het beter is te horen, zien en zwijgen, omdat de nonnen overal een vinger in de pap hebben. Hij dwaalt door de stad en omgeving, het wordt al laat, maar hij gaat niet naar huis. Hij gaat naar het klooster en vindt hetzelfde meisje daar weer in het kolenhok. Ditmaal neemt hij haar mee, op blote voeten en met zijn jas om haar schouders. De mensen in het stadje lopen met een boog om hen heen en Bill is zich ervan bewust dat hij thuis niet warm ontvangen zal worden. Toch loopt hij door: ‘Hij dacht aan mevrouw Wilson en aan haar talloze kleine goede daden, aan hoe zij hem had verbeterd en aangemoedigd, aan alle kleine dingen die ze had gezegd en gedaan, (…) Als zij er niet was geweest, was zijn moeder waarschijnlijk ook daar op de heuvel terechtgekomen. (…) Als het nu zo veel jaar terug was, had het zijn eigen moeder kunnen zijn die hij aan het redden was, als je het redden mocht noemen.’

Het is onvoorstelbaar dat dit zo kort geleden nog realiteit was. In een toelichting achter in het boek staat vermeld dat de laatste Magdalen-wasserij pas in 1996 gesloten is en hoeveel kinderen in dergelijke tehuizen onder verantwoordelijkheid van de kerk zijn gestorven.

De Ierse schrijfster Claire Keegan (1968) schrijft korte verhalen en novellen. Ze is er heel succesvol in. Het korte verhaal Foster won in 2011 de vermelding ‘beste verhaal van het jaar’ bij The New Yorker en Dit soort kleinigheden werd genomineerd voor de Booker prize. Het werd verfilmd in 2024 als Small Things Like Theseonder regie van Tim Mielant. Dit is het eerste boek dat ik van haar gelezen heb. Haar ingetogen stijl spreekt me erg aan en wat mij betreft zijn de prijzen volledig terecht.

Uitgeverij      Nieuw Amsterdam, 2021
Pagina’s       104 (inclusief ‘Een aantekening bij de tekst’)
Vertaald        uit het Engels door Harm Damsma en Niek Miedema (Small Things Like These)
ISBN             978 9046 828 502

Recensie door Marianne van der Weiden, juni 2024




‘Virrie’s Kinderen’ door Rob Oudkerk

Herinneringen van Virrie Cohen die in de oorlog vijfhonderd kinderen redde uit de crèche

Wie onlangs de indrukwekkende televisieserie ‘De Joodse Raad’ heeft gevolgd, weet wie Virrie is. Virginia Rivka Cohen (1916 – 2008) was kinderverzorgster, later verpleegster en werkte in een crèche in Amsterdam tegenover de Hollandsche Schouwburg. Ze was een dochter van David Cohen, die samen met Bram Asscher voorzitter was van de omstreden Joodse Raad tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zowel vader als dochter probeerden zoveel mogelijk Joden te redden, maar vaders namenlijsten speelden de Duitsers juist in de kaart, terwijl de dochter honderden kinderen uit een crèche wist weg te smokkelen met hulp van anderen. Vader werd de schurk, dochter de heldin, terwijl toch beiden voor dezelfde keuze stonden: wie redden we en wie niet? De televisieserie maakt duidelijk dat de waarheid omtrent de vader heel wat genuanceerder gezien kan worden. Virrie beschouwde zichzelf helemaal niet als een heldin. Ze deed wat ze vond dat ze moest doen. Ze zou zich altijd diep schuldig blijven voelen over de vijfduizend kinderen die ze niet had kunnen redden. Later zou ze de moeder worden van Rob Oudkerk. Ze zou hem beschouwen als een van haar vele kinderen, want ‘haar’ kinderen uit de crèche vergat ze nooit.

Rob Oudkerk, ex-politicus, ex-huisarts en publicist, is helaas bekend geworden door zijn term ‘kut-Marokkanen’, zijn cocaïnegebruik en voorkeur voor pornografie en prostituees. In zijn boekje over zijn moeder is hij echter “dat kleine bange Joodse jongetje” dat als volwassene verbijsterd is over het verschijnsel antisemitisme. Op de flaptekst van zijn boek staat: “In dit boekje staan authentieke herinneringen van Virrie aan haar familie en de oorlog, van ver voor de oorlog tot na de oorlog, opgeschreven in een schrift met veel foto’s, dat zij vlak voor haar dood in 2008 aan haar zoon Rob Oudkerk gaf. Hij zat veel jaren soms nachtenlang bij zijn moeder die met haar handen voor haar ogen zwijgend en soms pratend haar verschrikkingen met hem deelde. In dit boekje staan ook zijn herinneringen hieraan. Tevens heeft Rob Oudkerk vijf van de door haar geredde kinderen geïnterviewd, om het beeld over de oorlog en het naoorlogse leven in zo breed mogelijke zin te schetsen. Ook deze interviews zijn in dit boekje opgenomen.”

Over de relatie tussen Rob en zijn moeder wordt opvallend weinig verteld. Hij moet het als kind toch niet makkelijk gehad hebben met een zwaar depressieve vader die zelfmoordpogingen deed en daar uiteindelijk in slaagde, en een moeder die niet één, maar vijfhonderd kinderen had en wier zus ook een eind aan haar leven maakte. En dan was er natuurlijk opa David Cohen die zo verguisd werd. Misschien wordt daar zo weinig over gezegd omdat het boekje over Virrie moest gaan. Haar aantekenschrift is echter summier en bovendien retrospectief. Het staat vol met opmerkingen als ‘dat herinner ik me niet meer’ of ‘daar weet ik niets meer van’. Het wegstoppen zat diep in haar wezen. Ergens schreef ze: “Het zou zo prettig zijn als je zelf mocht kiezen wat je mag vergeten.” We worden als lezers dus maar beperkt wijzer over wat haar betreft. Ik heb zelf meer geleerd over Virrie door de film dan door het boek.

Haar zoon Rob heeft tijdens haar leven ook weinig tot niets te horen gekregen, omdat de herbeleving voor haar niet te doen was, zoals hij pas later begreep. Haar altijd maar bezig zijn en zorgen voor anderen “moest zo sterk zijn om zelf niet te veel te hoeven voelen van het immense verdriet en schuldgevoel over de vijfduizend kinderen van wie ze er velen van naam kende en die ze niet had kunnen redden.

Ook de interviews met vijf voormalige crèche kinderen dragen niet echt bij aan grotere kennis omtrent Virrie. Hoe zou dat ook kunnen? Die kinderen waren ongeveer vier jaar oud toen ze in de crèche zaten, en ze werden geïnterviewd toen ze in de tachtig of negentig waren. Wel leveren de interviews nieuwe, aangrijpende oorlogsliteratuur op.

Virrie’s Kinderen lijkt een impulsief geschreven boek te zijn. Gedachten worden hap-snap op papier gezet. Stilistisch rammelt het en veel -te veel- wordt niet genoemd, waardoor het je inleven in de situatie veel moeilijker wordt dan bij het zien van de film. Als de film De Joodse Raad er niet was geweest, wie had dan geweten wie Virrie Cohen was? Robs boekje zal nu heel wat beter verkocht worden dan anders het geval geweest zou zijn. Toch geloof ik wel in de oprechtheid van Rob Oudkerk. Hij ziet ‘De Joodse Raad’, is er helemaal kapot van, leert eindelijk een belangrijk deel van het leven van zijn moeder en opa kennen en wil dan iets doen. Dat moet dan een eerbetoon aan zijn moeder worden. Dat is mooi, maar wat zinnen uit een interview (‘Naborrelen met Rob Oudkerk’, 13-3’24, Eveline van Gils) brachten me dan weer aan het twijfelen: “Weet je wat mooi is: doordat haar leven nu weer volop in de aandacht staat, is er eindelijk minder interesse in mijn affaire. Jarenlang ging het alleen maar over mijn fouten, maar dankzij haar lijkt daar een einde aan te komen. Ik hoop zo dat ik haar nu weer trots kan maken.” Hij heeft dan inmiddels wel zestien jaar(!) gewacht met dat eerbetoon, waarbij een film hem op het idee moest brengen.

Positiever is het resultaat dat Rob Oudkerk zich met antisemitisme is gaan bezighouden, zeker na de aanval van Hamas op Israël op 7 oktober ’23. “Turken hier in Nederland worden er nauwelijks aangesproken op hoe Erdogan Koerden uitmoordt; Chinezen worden niet aangesproken op wat China met de Oeigoeren doet. Joden worden aangesproken op alles.” Zijn “zoektocht door die woestijn” is begonnen. Misschien zou Virrie daar trots op geworden zijn.

Uitgeverij       Amphora Books 2024
Pagina’s        182
ISBN              978 9064 461 934

Recensie door Janny Wildemast, mei 2024




‘De meisjes van de katoenfabriek’ door Susanna Alakoski

Deze roman is het eerste deel van een vierdelige reeks over het leven van vrouwen in Finland en Zweden gedurende de gehele 20e eeuw.

De familie Sorola komt oorspronkelijk uit Zweden, maar verhuisde omstreeks 1850 naar Finland in de buurt van Vasa, een stad aan de Baltisch golf, waar zij met meerdere gezinnen uit hun familie een boerenbedrijf startten. Hilda wordt in 1905 geboren. Haar vader is naar Amerika vertrokken om nooit meer terug te keren en haar moeder lijdt aan een levenslange (post-natale) depressie. Het gezin is zeer gelovig en het hoofd van het gezin is zeer autoritair. Hilda wordt voornamelijk opgevoed door een huishoudster/hulp op de boerderij, Sannatante. Zij leert haar huishouden, melken, maar ook veel levenslessen. Hilda is in haar jeugd eenzaam. De liefde die Sannatante haar geeft is voor haar heel belangrijk.

Tot 1914 stond Finland onder Russisch beheer. Het streven naar onafhankelijkheid mondt uit in een bloedige burgeroorlog. De familie Sorola kiest partij voor de Witten, oom Lauri vecht daadwerkelijk mee. De Roden werden gesteund door Rusland maar moesten het onderspit delven. Zo werd Finland onafhankelijk.

Nog jong wordt Hilda zwanger van de priester uit het dorp. Dit is voor de familie onvergeeflijk, zij kan niet op de boerderij blijven. Sannatante zorgt voor een oplossing. Zij stuurt Hilda direct na de bevalling met haar zoontje naar een boerderij, een eind verderop. Hier wordt zij opgevangen, maar haar zoontje wordt erg ziek en overlijdt. Hilda kan als dienstmeisje op de boerderij aan de slag. Het andere dienstmeisje van de familie Rikkola is Helli. Zij wordt de beste vriendin van Hilda en ze trekken de rest van hun leven samen op. Alhoewel de boer en boerin vriendelijke mensen zijn, dromen de vriendinnen van een betere toekomst. Zij vinden die in de katoenfabriek in Vasa. Deze fabriek is in 1860 gesticht. Hilda en Helli starten onder aan de ladder, maar klimmen op naar de fijnspinnerij. Het is zwaar en ongezond werk. Dan ontmoet Hilda Arne. Ze trouwt met hem en zij krijgen twee kinderen. Zoals veel mensen in de eerste helft van de 20ste eeuw krijgt Hilda tuberculose waarvoor zij 10 maanden in een sanatorium wordt opgenomen. Daarna gaat zij weer aan de slag in de katoenfabriek. Helli is in de tussentijd maatschappelijk geëngageerd geraakt. Zij stelt de zeer slechte werkomstandigheden in de fabriek aan de kaak en na een korte staking worden er enkele verbeteringen aangebracht. Ook richt zij een vakbond op. De rest van haar werkzame leven blijft zij strijden voor de goede zaak.

Dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Finland kiest de kant van nazi-Duitsland. Deze zogenaamde winteroorlog geeft veel ontberingen. De fabriek wordt deels gesloten en door een noodlottig ongeluk komt Arne om het leven. Daarna wordt het leven nog veel zwaarder voor Hilda en haar kinderen, maar zij slaat zich er door heen. Na de oorlog wordt een zangkoor opgericht in de fabriek en dit koor gaat zo nu en dan op tournee. Zo leert Hilda vele plekken in Finland en Zweden kennen.

Dochter Greta wil niet de fabriek in, zij gaat werken in het plaatselijke hotel. Daar heeft zij het naar haar zin, maar het buitenland trekt en zij vertrekt naar Engeland. Hilda’s zoon Jonni moet al heel jong trouwen en nadat zijn zoontje geboren is, vertrekt hij met zijn vrouw naar Zweden. Hilda blijft met haar kleinzoon achter in Vasa. Zij zorgt vol liefde voor hem.

De meisjes van de katoenfabriek eindigt met het 100-jarig bestaan van die katoenfabriek, iets wat uitgebreid gevierd wordt. Een deel van deze roman gaat over de stichting van de fabriek en het wel en wee door de jaren heen. Ook wordt stilgestaan bij het procedé van het de katoenfabricage, van het zuiveren, kaarden, voorspinnen, fijnspinnen enzovoort.

De burgeroorlog en de gevolgen van de Tweede wereldoorlog worden ook uitgebreid besproken. Het geeft een mooi beeld van Finland door de jaren heen.

De mix van een romantisch verhaal, het feitelijk relaas over de leefomstandigheden in Finland, het werken in de katoenfabriek en de twee oorlogen, maakt het boek zeer leesbaar. Ik heb ervan genoten en zie uit naar het tweede deel.

Uitgeverij        Orlando, 2023
Pagina’s          399
Vertaald          uit het Zweeds door Edith Sijbesma en Neeltje Wiersma (Bomullsängeln)
ISBN               978 9083 335 728

Recensie door Emilie Jonxis, mei 2024




‘Strafhok’ door Bea Vianen

Bea Vianen werd in 1935 in Paramaribo geboren en overleed daar ook in 2019. Vanaf 1957 woonde zij afwisselend in Suriname en Nederland. Met Surinam, hai (Suriname, ik ben) was zij in 1969 de eerste Surinaamse schrijfster die een roman uitbracht bij een Nederlandse uitgeverij. Haar tweede roman Strafhokverscheen in 1971. In de jaren 90 raakte Bea Vianen echter, vooral in Nederland, in de vergetelheid. Gelukkig is er de afgelopen jaren weer meer aandacht voor haar boeken. In 2022 kwam uitgeverij Cossee met een heruitgave van Strafhok nadat ook haar eerste roman opnieuw was uitgebracht. Het literatuurmuseum heeft haar opgenomen in de lijst ´Vijf auteurs die de P.C. Hooft/prijs hadden moeten krijgen.´

In Strafhok volgen we enkele personages wier leven sterk bepaald wordt door het strafhok waar zij zich bevinden; dat wil zeggen de etnische groep waar zij toe behoren met de bijbehorende verwachtingen en beperkingen. Het wordt in het verhaal ook wel omschreven als kastenstelsel. Dit brengt een enorme onvrijheid met zich mee, zowel door druk vanuit de maatschappij als geïnternaliseerd vanuit henzelf. De roman heeft een sterke politieke lading; de koloniale invloed op het ontstaan en voortzetten van deze manier van raciaal onderscheid maken staat buiten kijf. Tel daar het keurslijf van man-vrouwverhoudingen en voldoen aan de (heteroseksuele) norm bij op, en de beklemming van alles waar de personages mee worstelen is compleet.

Het hoofdpersonage Nohar Gopalraj is 28 jaar, hoofdonderwijzer en hindoestaan. Hij leeft in de veronderstelling dat hij “met beide benen buiten het prikkeldraad van het strenge strafhokgebied” staat maar ook hij blijkt slechts een “wajangpop die op het ritme danst van muziek die hem totaal vreemd was”. Hij bewondert zijn collega Raymond van den Berg om zijn politieke inzicht, terwijl anderen hem met de nek aankijken vanwege het afbreken van zijn studie in Nederland, zijn afwijkende seksuele geaardheid en het feit dat hij gek zou zijn. Nohar toont zijn afkeer van het hokjesdenken verder door het zowel met Roebia (Javaans-Creoolse afkomst) aan te leggen als met Jamillah (hindoestaanse moslima). Het huwelijkse instituut kan zijn waardering ook niet wegdragen. Op zich niks mis mee natuurlijk, ware het niet dat de vrouwen in kwestie zonder de goedkeuring van hun gemeenschap in de vorm van (uitzicht op) een huwelijk dik in de problemen komen.

Het plot en de personages zijn ondergeschikt aan het thema, de gebeurtenissen staan allemaal in dienst van het zichtbaar maken van de strafhokgebieden en maatschappelijke onvrijheid. Alleen Nohar maakt echt een ontwikkeling door, waarmee hij terugkijkend kan zien dat hij zich schuldig maakt aan struisvogelpolitiek, zowel op politiek als persoonlijk vlak. Bea Vianen lijkt daarmee op te roepen tot bewustzijn van de systemische invloeden en om in actie te komen. In het grootste gedeelte van het verhaal vond ik Nohar echter zo’n onaangenaam karakter, dat ik er niet helemaal in kwam. De stukken vanuit het perspectief van Roebia en Jamillah kwamen veel meer tot leven. Het roept bij mij de vraag op waarom de schrijfster ervoor gekozen heeft het mannelijk perspectief centraal te stellen en wakkert mijn nieuwsgierigheid naar Surinam, hai geschreven vanuit een vrouwelijke hoofdpersoon, aan. Hoopte zij met Nohar een andere lezersdoelgroep te bereiken waar zij haar politieke boodschap aan kwijt kan?

Een veelgehoorde kritiek op de toenmalige ontvangst van haar boeken in Nederland betreft het benadrukken van het exotische. Strafhok gaat boven alles over het maatschappelijke stelsel van gescheiden etnische groeperingen in Suriname en het effect daarvan op mensenlevens. De vele Surinaamse woorden en gerechten die de revue passeren roepen heerlijke beelden en geuren op van dit voor mij onbekende land. Het verlevendigt de handel en wandel van Nohar, Roebia, Raymond en Jamillah en illustreert hun liefde voor hun land. Alleen in interactie met elkaar komen de heerlijkheden van Suriname en de bittere werkelijkheid van het dagelijkse leven tot hun recht. Zoals Raymond zegt: “Hij houdt van zijn land. Hij haat het om wat het niet is (…)

Bea Vianen was zelf van gemengde etnische afkomst en zette zich af tegen de geldende normen. Strafhok geeft inzicht in de normenstelsels waar zij zichzelf waarschijnlijk ook in bekneld zag, zowel in Suriname als in Nederland. Ze veroordeelt racisme en seksisme luid en duidelijk. Psychische gezondheid en queerness komen er wat bekaaider vanaf. Wat zou ik graag meer lezen over het leven van deze schrijfster en de rol die het strafhok en de maatschappelijke onvrijheden in haar leven hebben gespeeld. Tijd voor een biografie!

Recensie over Suriname, ik ben: https://vrouwenbibliotheek.nl/2022/04/14/sarnami-hai-suriname-ik-ben-door-bea-vianen/

Uitgeverij       Cossee,  2022 heruitgave (Querido, 1971)
Pagina’s        256
ISBN              978 9464 520 248

Recensie door Kim ter Beke, mei 2024




‘Dit verhaal moet goed verteld worden’ door Jennifer Nansubuga Makumbi

Schrijven over een verhalenbundel vind ik altijd lastiger dan schrijven over een roman. Het lukt meestal wel de rode draad door de verhalen heen te vinden, maar er is geen einde of climax die het geheel afrondt. Daarom ben ik eigenlijk geen echte fan van verhalenbundels. Dat ik toch ben begonnen aan deze bundel, komt omdat ik eerder Kintu van Jennifer Nansubuga Makumbi had gelezen en daar erg enthousiast over was.

Ook uit Dit verhaal moet goed verteld worden blijkt dat de Oegandese schrijfster een goede verteller is. Ze observeert nauwlettend en kiest per verhaal een ander perspectief, meestal van een volwassene, maar soms van een kind en zelfs een keer van een hond. In alle gevallen gaat het om mensen (over de hond later meer) die vanuit Oeganda naar Manchester, Engeland, zijn verhuisd. Het eerste deel van de bundel heeft als titel ‘Vertrekken’, het tweede deel ‘Terugkeren’.

De meesten weten in Engeland hun draai wel te vinden, vaak met hulp van Oegandezen die er al langer wonen. Soms gaat het om jonge meisjes die door hun familie naar Engeland worden gestuurd om daar een goede opleiding te volgen en daarna succesvol terug te keren naar Oeganda. De meesten blijven echter. Als ze teruggaan naar Oeganda voor familiebezoek moeten ze de schijn van succes ophouden, zowel in de mate waarin ze geld uitgeven als in de beschrijving van hun situatie in Engeland.
Niet iedereen voelt zich echter even gelukkig in Engeland. Er is een continue spanning tussen wel of niet bij de Oegandese diaspora willen horen. Aan de ene kant missen de personages vaak het gemeenschapsgevoel uit Afrika en vinden ze de Engelsen in hun omgang kil en afstandelijk, aan de andere kant letten de Oegandezen allemaal erg op elkaar en dat kan ook beklemmend zijn. Ze hebben allemaal keihard moeten werken om hun positie te veroveren en ze beschermen die tegen familieleden of anderen die net uit Oeganda zijn aangekomen: die moeten er zelf maar moeite voor doen. De relatie tussen verschillende stammen en families is vaak complex en gebeurtenissen uit het verleden worden niet snel vergeten en vergeven. In de omgang met de Engelsen blijven ze continu op hun hoede, zich bewust van het koloniale verleden en voorbereid op discriminatie en neerbuigendheid. Al met al geen relaxte sfeer.

De jongste generatie wil juist weer wel terug naar Oeganda. In het eerste verhaal, En weer wordt het Kerstmis, is dat omdat de jongen ziet dat zijn moeder aan de drank is geraakt en zijn vader haar daarin niet kan tegenhouden. Hij schaamt zich er vreselijk voor en wil terug naar Oeganda, omdat zijn moeder daar nog niet dronk. In het laatste verhaal, Love made in Manchester, heeft de zoon het idee opgevat dat hij op traditionele wijze besneden wil worden. Hoewel de moeder hoopt dat het idee wel weer overwaait, is er al snel geen weg meer terug. De jongen heeft zijn voornemen namelijk op social media aangekondigd en er ontstaat een groot mediacircus omheen.

Het verhaal over de hond, Memoires van een namaaso, geeft mooi weer wat het verschil is tussen Oeganda en Engeland. Een pariahond maakt kennis met een huishond van een eigenaar die vanuit Engeland regelmatig naar Oeganda vliegt. De pariahond raakt nieuwsgierig naar het huis van de huishond, want bij huizen wordt ze normaliter direct weggejaagd. “Dit territorium, bood ze aan, inclusief de heg, de tuin rond het huis en zelfs het huis van binnen zouden van jou kunnen zijn als je mijn vriendin werd. Verleidelijk, zei ik, maar ik liep verder. Hoor eens, ik heb je mijn tijd gegeven en ik heb me ingehouden en je niet bedreigd, en dat is al heel wat. Dit piepkleine stukje grond, omheind nog wel, is me mijn waardigheid, mijn reputatie en mijn plek in de familie niet waard. Intussen was ik bij de heg.  Wil je mijn huis niet zien? Je gevangenis bedoel je zeker? Nee, het huis van mijn mens. Ik bleef staan. De obsessie van huishonden met ‘het huis’ fascineerde me destijds.” Ze gaat mee naar binnen, maar doordat de baas van de hond opeens thuiskomt, moet de pariahond zich verstoppen. Ongelukkigerwijs kruipt ze in een kist die klaarstaat om de volgende dag mee terug te vliegen naar Engeland. En zo belandt ze in Engeland, zonder vrijheid en zonder haar heldhaftige reputatie bij andere honden, maar met de zekerheid van eten elke dag.

In een aantal verhalen komen dezelfde namen/personages voor. Ik heb de indruk dat de verhalen gebaseerd zijn op reële personen en gebeurtenissen. Voor mensen die van korte verhalen houden, geven ze een fascinerende inkijk in de omstandigheden van migranten en hun voortdurende schipperen tussen het oude en het nieuwe thuis. Elk verhaal belicht weer andere facetten van de ervaringen en belevingen van hun reis naar het noorden. Zo wordt een bundel verhalen een mooi geheel.

Jennifer Nansubuga Makumbi (1967) schrijft romans en korte verhalen. Ze is docent Creatief Schrijven aan de Universiteit van Lancaster en woont in Manchester met haar man en zoon. Met de verhalen uit deze bundel, Manchester Happened, won ze verschillende prijzen. Ook haar tweede roman, The First Woman (2021, De eerste vrouw) was succesvol en werd bekroond.

Uitgeverij      Cossee, 2023
Pagina’s        314
Vertaald        uit het Engels door Josephine Ruitenberg (Manchester Happened, 2019)
ISBN             978 9464 520 941

Recensie door Marianne van der Weiden, mei 2024

ps. De recensie op de website van Marianne over Kintu van Jennifer Nansubunga Makumbi: https://vrouwenbibliotheek.nl/2021/03/11/kintu-door-jennifer-nansubuga-makumbi/




‘Klytaimnestra’ door Costanza Casati

De laatste jaren zijn er diverse romans geschreven over de Griekse mythologie gezien vanuit het gezichtspunt van vrouwen en geschreven door vrouwen. Madeline Miller, Claire North, Jennifer Saint en Claire Heywood zijn hier schrijfsters van. En vergeet Pat Barker niet met haar geweldige roman De stilte van de vrouwen. Costanza Casati heeft met haar debuut Klytaimnestra een roman aan deze traditie toegevoegd.

Klytaimnestra groeit op als prinses van Sparta in de schaduw van haar zuster Helena. Haar vader Tyndareos is een tiran en haar moeder Leda is voornamelijk dronken. Uit liefde trouwt zij met koning Tantalos uit Phrygië. Zij krijgen samen een zoontje. Als Agamemnon en zijn broer Menelaos, prinsen van Mycene, langskomen gaat het mis. De prinsen zijn twee zeer strijdvaardige, wrede en vrouw-onvriendelijke types. Helena trouwt met Menelaos. Zij heeft hem uit vele gegadigden gekozen en dat maakt Klytaimnestra boos en verdrietig.

Omdat Agamemnon met Klytaimnestra wil trouwen om een bondgenootschap met vader Tyndareos te sluiten en zo Mycene te heroveren, doodt hij Tantalos en zijn zoon. Tyndareos dwingt daarop het huwelijk af.

Begrijpelijkerwijs rouwt Klytaimnestra enorm en zij haat haar nieuwe echtgenoot intens. Toch krijgen zij 4 kinderen: Iphigeneia, Elektra, Orestes en Chrysothemis. Agamemnon is veel van huis en Klytaimnestra regeert als koningin over Mycene, iets dat niet gebruikelijk is in Sparta.

Dan komt het bericht dat Helena haar man heeft verlaten en met Paris naar Troje is vertrokken. Het is de start van de Trojaanse oorlog. Heel veel Grieken vormen een vloot onder leiding van Menelaos. Hij vraagt Klytaimnestra om met haar oudste dochter naar Aulis te komen onder het mom van het huwelijk van haar met Achilles. Daar aangekomen wordt de bruid Iphigeneia geofferd aan de goden om de wind te laten opsteken.

Klytaimnestra is woedend en verdrietig en zij zweert wraak. Zij gaat terug naar Mycene, waar allerlei hofintriges op haar wachten. Door met harde hand te regeren, lukt het haar om op de troon te blijven.

De oorlog is nog lang niet voorbij als Aigistos zich aanmeldt. Hij is geboren uit een incestueus treffen tussen Thyrestes en zijn dochter en is de halfbroer van Agamemnon en Menelaos. Klytaimnestra begint een verhouding met hem en beraadt met hem een plan om Agamemnon te vermoorden zodra die na 10 jaar terugkomt. Dit lukt, zij doodt hem in bad. Haar kinderen en vooral Orestes kunnen dit niet verkroppen, maar de koningin trouwt met Aigistos en heerst verder over Sparta.
Klytaimnestra wordt als heel sterk, wraakzuchtig en moordzuchtig neergezet, in een masculiene omgeving waarin zij stand weet te houden.

Er worden heel wat zijpaden ingeslagen in deze roman. Je moet je hoofd er goed bijhouden. Gelukkig staan aan het begin van het boek twee duidelijk stambomen als leidraad. Toch heb ik zo nu en dan toch wat moeten opzoeken. Ik vraag me af of zoveel informatie niet wat veel is, maar kan het aan de andere kant wel begrijpen: alles heeft met alles te maken. Jammer vind ik dat er een persoon Leon is toegevoegd. Ik kan hem nergens in de naslagwerken vinden. In de roman is hij de lijfknecht en soms minnaar van Klytaimnestra en speelt een flinke rol in het verhaal. De toegevoegde waarde kan ik niet vinden. Het oorspronkelijke verhaal gaat overigens na het eind van de roman nog verder: Klytaimnesta en Aigistos worden uiteindelijk ook vermoord en wel door zoon Orestes.

Klytaimnestra leest vlot en is met zwier geschreven. Er worden Griekse aanduidingen gebruikt die niet in een verklarende woordenlijst worden weergegeven. Dit echter went snel.  Soms vind ik het woordgebruik opeens een beetje uit de toon vallen, maar daar lees je makkelijk overheen. Al met al een knap debuut.

Uitgeverij         Orlando, 2024
Pagina’s          397
Vertaald           uit het Engels door Saskia Peterzon-Kotte (Clytaimnestra)
ISBN               978 9083 335 742

Recensie door Emilie Jonxis, mei 2024




‘Heksenjacht’ door Dick Harrison

Een geschiedenis over angst, repressie en vrouwenhaat

Volgens de Zweedse historicus Dick Harrison zijn er in de 15e t/m de 17e eeuw in Europa zo’n 80.000 heksenprocessen gevoerd, waarbij ongeveer 35.000 mensen ter dood zijn gebracht. Tussen de 75 en 85 procent was vrouw. In Nederland zijn ‘maar’ tussen de 160 en 300 mensen geëxecuteerd wegens hekserij, vooral dankzij onze Gouden Eeuw. Een algemene verklaring voor de heksenjachten is nog door geen enkele geleerde gevonden. Dick Harrison noemt wel ‘de grimmige onderstroom van boosaardigheid die altijd in de menselijke samenleving heeft bestaan’, hoewel wij dat maar al te graag ontkennen.
Dick Harrison begint zijn Heksenjacht in de Oudheid en eindigt in onze tijd, want zonder context valt heksenvervolging niet uit te leggen. Hij richt zich voornamelijk op Noord- en West-Europa. Een speciaal deel over Nederland en België is toegevoegd en het boek bevat twee delen kleurenafbeeldingen.

Geloof in het bovennatuurlijke is een bijna universeel verschijnsel. Zolang als er mensen zijn, zijn er heksen, of liever magiërs. “In wezen komt de magie –de dromen en de handelingen– voort uit een menselijk verlangen om de natuur te manipuleren” zegt Harrison. Die manipulatie hangt samen met de uitoefening van macht. Uit de Griekse oudheid kennen we figuren als Medea, Circe en Lamia. Toen was magie iets dat ten goede of ten kwade gebruikt kon worden. Ook in de Bijbel komt die tegenstelling voor. In Exodus 22:17 staat: “Een tovenares mag niet in leven blijven.” Dat verhindert Saul niet om de heks van Endor te raadplegen. Echter, met de komst van het Christendom, verandert er het een en ander: tovenarij ging in tegen de almacht van God. Heksen en tovenaars hoorden bij de voorchristelijke wereld, die van de heidenen, en die moesten bestreden worden. Dan ontstaat de strijd van de kerk tegen de ketters. Denk hierbij aan bijvoorbeeld de Joden en de Katharen. Uitgangspunt was: “Dood ze allen; de Heer herkent de zijnen wel.”
Het volksgebruik van toverij, meestal alleen gebruikt op medisch gebied, raakte verweven met ketterij. Toch waren er in de middeleeuwen geen grootschalige heksenprocessen, in tegenstelling tot de gangbare mening. De kerkelijke inquisitie sloeg alleen toe als er duidelijk sprake was van ketterij. De gedachte ontstond dat ketters zich tegen God keerden en dús samenspanden met de duivel. De volkse magie werd geassocieerd met Satan en demonen. Geleidelijk aan kreeg het nieuwe heksenbeeld theologische en juridische kaders.

In de 15e eeuw gaat het al mis. De Malleus Maleficarum, de Heksenhamer, geschreven in 1486 door dominicaner inquisiteur Heinrich Kramer, wordt een bestseller. Mannen domineerden de samenleving en vrouwen waren een makkelijke zondebok. Ook de theologen beweerden dat vrouwen veel makkelijker beïnvloedbaar zijn dan mannen.
Na de grote Jodenvervolgingen in de late Middeleeuwen en de Renaissance – vooral ten tijde van pestepidemieën – zijn in de 16e en 17e eeuw de heksen aan de beurt. Dit was de tijd van het begin van de Reformatie. Alle andersdenkenden werden een prooi voor de katholieken. Heksenjagers waren er overigens ook onder de protestanten, die de kunst afkeken van de katholieken. Ging er iets mis in de maatschappij, dan werden vrouwen op groteske wijze van de meest onzinnige dingen beschuldigd: ze brachten schade toe aan mensen, dieren en gewassen, ze stonden onder invloed van de duivel met wie ze gemeenschap hadden, ze konden verschijnen en verdwijnen, ze riepen stormen op zodat schepen vergingen, ze brouwden toverdrankjes, of…ze hadden ruzie met de buren en werden voor heks uitgemaakt.

De beschuldigde vrouwen werden gemarteld en bekenden dan alles. Ook ontstond al snel een sneeuwbaleffect: een gemartelde vrouw gaf gemakkelijk namen van andere ‘heksen’ door. En zo werden ze met duizenden tegelijk verbrand.
Een heks kon overigens ook een man zijn, vooral in Rusland, maar mannen worden nauwelijks genoemd. Hooggeplaatsten konden eveneens terecht gesteld worden als heks, maar die konden met geld vaak aan de juiste getuigen komen om aan de dood te ontsnappen. In het algemeen kan gesteld worden dat “toen de mannen het monopolie op het priesterschap kregen, kregen ze het ook te zeggen bij toverijgevallen.”

Bij alle processen, martelingen, verbrandingen en onthoofdingen moet niet vergeten worden dat men vroeger echt bang was voor de duivel, die voor hen een realiteit was. Evenzeer was er angst voor wanorde, controleverlies en machtsverlies.

Als de Verlichting ontstaat, komt het scepticisme t.a.v. heksen naar voren en gaan de brandstapels doven. Tovenarij en heksen worden nu met het verstand benaderd en daardoor in twijfel getrokken. Maar het geloof in allerlei vormen van magie verdween nog niet. Tijdens de Romantiek, die volgde op de Eeuw van de Rede, bloeide dat geloof juist weer op. Denk hierbij aan Frankenstein en andere gothic novels, de sprookjes van Grimm en de opleving van de oud-Germaanse sagen. De duivel werd nu een innerlijke demon. Gerelateerd aan heksen was de toenemende belangstelling voor weerwolven, vampiers en ondoden.

En daarna? De Harry Potter verhalen waren immens succesvol. Halloween vieren we steeds vaker. De duivel is een onderwerp van horrorfilms. “En wie heeft de duivel nodig om zich zorgen te maken als we in de schaduw leven van Auschwitz, Hiroshima en de goelags?”
Tovenarij willen we eigenlijk helemaal niet kwijt ‘want die haalt ons uit de voorspelbaarheid van het dagelijkse leven en plaatst ons in een parallelle wereld waar alles mogelijk is, zonder te rommelen met science fiction of religie.’

Wij doen tegenwoordig aan racisme en complottheorieën en lopen met de massa mee zoals tijdens de Communistenjacht in de jaren 50, of de bestorming van het Capitool of als mensen zich niet laten vaccineren. Volkerenmoorden zijn er nog steeds en Navalny is net begraven. Zoveel is er niet veranderd sinds vroeger.
Heksenjacht is daarmee geen boek over vroeger.

Dick Harrison heeft in Heksenjacht een ongelooflijk diepgaand onderzoek gepresenteerd, dat heeft geresulteerd in een uiterst leesbaar verhaal.
Twee kanttekeningen: Een groot deel van Heksenjacht wordt gevuld met een chronologisch en geografisch verslag van de tovenarijprocessen. In heel veel gevallen eindigt zo’n verslag met: we weten niet hoe het is afgelopen wegens gebrek aan documentatie. Wetenschappelijk gezien kan dit deel niet weggelaten worden, maar voor een gemiddelde lezer is hier moeilijk doorheen te komen. Uit pure verveling door al die opsomming ga je zelfs uit het oog verliezen hoe erg het was wat er gebeurde.
Een ander minpunt is dat dit boek zeker geen volledig overzicht geeft van de heksenvervolgingen, maar dat was ook niet de bedoeling van de schrijver. Toch heb ik de indruk dat het boek aan kwaliteit gewonnen zou hebben als minder landen diepgaander beschreven waren.

Dat neemt niet weg dat Heksenjacht veel stof tot nadenken geeft. Allereerst rond de vraag wat er van de heksenjacht op vrouwen nu nog over is. Daarnaast ook heel andere vragen als: waarom roepen wij denkbeeldige angsten in het leven en hoe doen we dat? Tot welk kwaad zijn wij in staat? Hoe dragen wij allemaal het heksen jagen in ons, al noemen we het nu anders?

Uitgeverij      Omniboek, 2024
Pagina’s        448
Vertaald         uit het Zweeds door Ger Meesters (Ondskans Tid)
ISBN              978 9401 920 087

Recensie door Janny Wildemast, april 2024