‘Meisje ontmoet jongen’ door Ali Smith

De ondertitel De mythe van Iphis is een verwijzing naar een van de meest vrolijke verhalen uit de Metamorfosen van de Romein Ovidius. Ali Smith maakt er een geestig, kritisch, hedendaags sprookje van. 

“Ik ga jullie vertellen over toen ik een meisje was, zegt grootvader”. Met deze prachtige zin begint het sprookje. De hoofdpersonen zijn twee zusjes, Anthea en Imogen. Ze zijn gezellig op zaterdagavond bij grootvader en grootmoeder, oefenen onder leiding van grootvader koprollen en radslagen, kijken televisie en zitten op schoot bij grootvader die verhalen vertelt. Ali Smith weet stemming te creëren maar presenteert ook onmiddellijk veel verschillende verhaallijnen, dubbele boodschappen en tegendraadse gedachten. Pas bij tweede lezing kalmeert dat en kun je rustiger lezen. Het dubbele, tegendraadse blijft, is vaak geestig, is een doel. Het verhaal speelt zich af in Inverness, een stad in Schotland. De volwassen zussen wonen inmiddels in het huis van hun overleden grootouders. Ze houden van elkaar, zijn alle twee slim en hoogopgeleid, maar verschillen erg in de manier waarop ze in de wereld staan. Imogen is eerzuchtig, heeft een goede baan bij Pure, een bedrijf dat gebotteld water verkoopt. Ze gaat tot het uiterste om in de smaak te vallen van collega’s en vooral van haar baas, Keith. Deze Keith heeft de rol van boze tovenaar. Sinds kort werkt Anthea ook bij Pure maar ze houdt dat slechts een paar dagen vol. Zij bekijkt het bedrijf en wat er gebeurt met weerzin. Tijdens de eerste grote vergadering, die ze bijwoont, wordt buiten het uithangbord van Pure beklad. Ze pakt al haar spullen om nooit meer terug te komen, loopt naar buiten waar al veel mensen staan te kijken en leest “in prachtige rode letters: WEES NIET STOM, WATER IS EEN RECHT VAN DE MENS, ELKE MANIER VAN VERKOOP IS MOREEL VERKEERD.” Is degene die aan het mooi schrijven is een jongen, een meisje? “Zij was de mooiste jongen die ik ooit gezien had.” Het is Robin Goodman, een meisje. Anthea en Robin worden stapelverliefd op elkaar. Tot grote ontzetting van Imogen. Via haar gedachten en een ontmoeting met mannelijke collega’s (vazallen van de boze tovenaar) lezen we alle vooroordelen over gender die je kunt bedenken. Gelukkig eindigt het hoofdstuk positiever. Totaal dronken gevoerd komt Imogen thuis en ontmoet Robin. De twee komen nader tot elkaar. Robin geeft haar een glas water (Eau Caledonia, het water van Pure!). Imogen vraagt: “Wat is het correcte woord voor jou?……Het juiste woord voor mij, zegt Robin Goodman, is ik.”

Anthea en Robin genieten van hun verliefd zijn. Robin vertelt de mythe van Iphis aan Anthea. Ali Smith doet dat mooi, grappig. In het kort komt het verhaal er op neer dat twee meisjes, Iphis en Ianthe, met elkaar willen trouwen. Door de hulp van godin Isis verandert Iphis op de dag voor het huwelijk in een jongen.  

Imogen vertrekt naar Londen voor een promotiebespreking met Keith. Tijdens de reis komt ze uit de ban van de boze tovenaar. Ze ervaart dat Pure een bedrijf is dat verkeerde dingen doet (b.v. dat ze ergens in India een filtreerdam bouwen om Pure laboratoria te bevoorraden, maar die dam blokkeert de toegang tot vers water voor de plaatselijke bevolking), dat Keith een absoluut verkeerde man is en dat ze de baan niet wil. Ze vlucht weg en in de trein terug verklaart ze haar collega Paul (geen vazal!) haar liefde, die door hem beantwoord wordt. Hij staat op het station in Inverness en leidt haar langs diverse gebouwen waar teksten op geschreven staan, ondertekend met Iphis en Ianthe en die teksten gaan allemaal over maatschappelijke misstanden: “Wereldwijd worden 2 miljoen meisjes bij hun geboorte gedood omdat ze geen jongen waren. Dat is officieel.(Helaas staat er niet bij per welke tijdseenheid.) “Tel daarbij de officieuze schatting van nog eens 58 miljoen meisjes, gedood omdat ze geen jongen waren. Dat maakt 60 miljoen meisjes. Vrouwen verdienen nergens hetzelfde loon als mannen.” En zo nog veel meer teksten. Imogen en Paul zijn gelukkig, met elkaar en met de situatie. 

Als Anthea de grote verandering bij Imogen waarneemt, roept ze: “Het wonder. Dat de hemel mijn zus voor jou heeft geruild, wie je ook bent.” En Imogen antwoordt: “Een met liefde gegeven glas water, daar komt het door.” Zoals in de mythe Iphis verandert van een meisje in een jongen, zo verandert in dit sprookje Imogen van een behekste vrouw in een tot zichzelf gekomen vrouw. 
Het sprookje eindigt met een prachtig gedroomd huwelijksfeest van Robin en Anthea, een waar happy end. 

Ali Smith heeft een originele, mooi geschreven variatie geschreven op de oude mythe. Achterin het dankwoord schrijft ze dat de op de muren geschreven teksten berusten op statistieken verzameld door Womankind, een Britse liefdadigheidsorganisatie. Dat zijn dus geen sprookjes! 
Ali Smith schreef Meisje ontmoet jongen als onderdeel van de serie Canongate Myth Series, boeken van uiteenlopende schrijvers die een klassieke mythe hervertellen. Uitgeverij Orlando is gespecialiseerd in het uitgeven van mythologische hervertellingen, vertaald in het Nederlands. Er zijn zeker al 14 titels verschenen.

De vertaling uit het Engels door Hi-en Montijn is ook mooi gedaan.  

Uitgeverij          Orlando, 2023                    
Pagina’s           158 
Vertaald            uit het Engels door Hi-en Montijn (Girl meets boy) 
ISBN                 978 9083 335 803 

Recensie door Vera Berendsen, maart 2024                          




‘Empusion’ door Olga Tokarczuk

Een natuurgeneeskundig griezelverhaal

Op het eerste gezicht kan Empusion moeilijk toegankelijk zijn. De titel spreekt niet voor zich. Ik wist in ieder geval niet dat een empousa in de Griekse mythologie een vrouwelijk demonisch figuur is, die zich zou voeden met mensenvlees en geassocieerd werd met de nacht. Ook de vergelijking met De Toverberg van Thomas Mann was niet direct een aanbeveling: een vuistdikke roman over mannen die tijdens hun herstelperiode in een sanatorium eindeloos filosoferen. Empusion zou hierop een feministisch antwoord zijn. Toch had ik er zin in. Een paar jaar geleden heb ik genoten van Olga Tokarczuks roman Jaag je ploeg over de botten van de doden (2009, vertaald in 2020), al vond ik de titel noch het omslag van de Nederlandse vertaling uitnodigend.

Empusion begint met de aankomst van een jongeman, Mieczysław Wojnicz, in een kuuroord in Görbersdorf, het huidige Poolse Sokołowsko. Het is 1913 en hij is 24 jaar. Hij lijdt aan tbc en de lucht in het hooggelegen bergdorp moet genezing brengen. Omdat er nog geen plaats is in het sanatorium, verblijft hij in een herenpension, samen met vier andere mannen. Het verhaal wordt grotendeels verteld vanuit het perspectief van Wojnicz, maar aan het begin en soms op latere momenten zijn er andere stemmen die alles heel precies observeren. Geen personen, maar aanwezigheden uit een ver verleden.

De vijf heren dineren gezamenlijk met de eigenaar van het pension en maken ook regelmatig wandelingen, naar het sanatorium voor hun behandelingen, of door het dorp en in de omgeving. Bij die gelegenheden wordt er volop gefilosofeerd. Nou ja, er worden opvattingen gespuid, onder andere over het wezen van de vrouw. Op Wojnicz’ eerste dag in het pension overlijdt de echtgenote van de pensioneigenaar door zelfdoding. Dat is bij het avondeten aanleiding tot uitspraken als ‘Bij een man kan een sterke wil bepaalde verleidingen van gekte overwinnen, maar vrouwen zijn daar bijna geheel van verstoken en beschikken over geen enkel krijgswapen.’En later in het boek: ‘De vrouw is als het ware een evolutionaire lanterfant. Terwijl de man al voortgang heeft geboekt en nieuwe vaardigheden heeft opgedaan, staat de vrouw nog altijd op haar oude plek en ontwikkelt ze zich niet verder.’ Aan het eind van het boek somt de Poolse schrijfster op waar ze alle misogyne opvattingen over vrouwen en hun plaats in de wereld gevonden heeft: een lange lijst van 36 auteurs door de eeuwen heen.

Wojnicz arriveert in september. Vanaf het begin van zijn verblijf hoort hij van zijn medegasten dat er in het dorp en omgeving herhaaldelijk mensen vermoord worden. Op de begraafplaats ziet hij inderdaad dat er opvallend veel graven zijn van mensen die in november zijn overleden. Elk jaar komt er een man om, soms twee, in stukken gereten in het bos. Dat lijkt terug te voeren op een gewelddadige confrontatie tussen twee religieuze kampen ten tijde van de reformatie. Enkele vrouwen werden van ketterij en hekserij verdacht. Een van hen noemde onder marteling de namen van alle vrouwen die ze kende in de omgeving. Dat leidde ertoe dat alle vrouwen uit angst de bergen in vluchtten en mannen, kinderen en huishouden achterlieten. Toen daardoor alles uit de hand liep, kwam uiteindelijk van hogerhand de opdracht te stoppen met de martelingen. Maar een aanzienlijk deel van de gevluchte vrouwen is nooit meer teruggekeerd, zo gaat het verhaal.

Op een van de uitstapjes naar de bergen bezoeken de heren ook een kamp van houtskoolbranders. Dat zijn nogal ruwe lui die daar het hele seizoen bivakkeren. Om in die periode aan hun gerief te komen maken ze een soort vrouwenfiguren in de grond. Deze episode roept een beklemmende sfeer op. De suggestie wordt gewekt dat zij iets te maken hebben met de mysterieuze moorden.

Ook verder in het boek is er weinig sprake van vrolijkheid of lichtheid. Wojnicz probeert zich staande te houden door zich niet teveel in te laten met de anderen. Hij lijkt een geheim met zich mee te dragen en is bang ontmaskerd te worden als hij zich teveel laat zien. Ook is hij er niet erg op gebrand weer terug naar huis te gaan. Volgens zijn vader en zijn oom (die officier in het leger is) is hij veel te zacht, ‘hij lijkt wel een wijf’. Zonder de clou van het verhaal te verklappen kan ik wel zeggen dat dat uiteindelijk juist zijn redding is.

Ik heb Empusion met veel plezier gelezen. Olga Tokarczuk heeft er een echte thriller van weten te maken, door het oproepen van de beklemmende en geheimzinnige sfeer, steeds kleine stukjes informatie te geven over Wojnicz en de raadselachtige moorden. Ze werkt toe naar een climax die je nog wel kon zien aankomen, maar een verder onverwacht einde. In het boek staan enkele foto’s van het dorp en in de epiloog lezen we wat er met enkele personages na de beschreven gebeurtenissen is gebeurd. Een waargebeurd verhaal dus? Wat mij betreft een mooie mix van realiteit en fantasie.

Olga Tokarczuk (1962) is de belangrijkste Poolse auteur van haar generatie. Na haar studie psychologie had ze enige tijd een praktijk, maar al snel begon ze haar literaire carrière. Vanaf 1996 kreeg ze daarin succes. Ze won verschillende literaire prijzen, met als bekroning de Nobelprijs voor Literatuur 2018. De reden voor de toekenning is volgens de jury ‘voor een verhalende verbeelding die met encyclopedische passie het overschrijden van grenzen voorstelt als een vorm van leven’. Daar is Empusion een mooi voorbeeld van.

Uitgeverij      De Geus, 2023
Pagina’s        361
Vertaald        uit het Pools door Karol Lesman (Empuzjon – Horror przyrodoleczniczy Empuzjon – Horror przyrodoleczniczy)
ISBN             978 9044 548 655

Recensie door Marianne van der Weiden, maart 2024




‘De Schoft’ door Marente de Moor

De Schoft van Marente de Moor is typisch een ideeënroman. Handelingen vinden nauwelijks plaats, terwijl gedachten de hoofdrol spelen, en met name die in het hoofd van journalist Tom Willems.

Het onderwerp van het verhaal is actueel: bootvluchtelingen. Ze worden opgevangen door het naamloze schip van stichting Archangel dat ‘bemand’ wordt door vrouwen. Hun namen wisselen want die zijn niet belangrijk. De vluchtelingen op de Middellandse Zee noemen zij ‘evacués’. Aan het hoofd staat ‘Lady Aga’ die haar idealisme luidkeels uitroept: “Wat nou vluchtelingencrisis? Het Westen verwoest de planeet en is de oorzaak van de oorlogen op het zuidelijk halfrond. Hier is niets eerlijks aan, goddammit!”

Hoofdpersoon Tom Willems, die eigenlijk Tomasz Wilenski heet, is de zoon van een anticommunistische Oekraïens-Joodse vader, die gevlucht is voor de Russen, en een moeder, die zich fanatiek met arbeidsmigranten bezighoudt. Tom was journalist, maar eruit gewerkt wegens te rechtsextremistische ideeën, waar overigens weinig van naar voren komt. Hij krijgt van een oude vriend de kans om toch weer een reportage te maken en wel op het schip. Daar komt hij onder pseudoniem omdat hij anders afgewezen zou kunnen worden door mensen die zijn ideeën kennen. Hij was altijd voor niets of niemand bang, maar aan boord van het schip voelt hij zich voortdurend bedreigd. Waardoor is niet duidelijk. Hij is een introverte, mensenschuwe, aan alles twijfelende man van vijftig met smetvrees en voelt zich uitgerangeerd.

De vluchtelingen die aan boord gehaald zijn geen wanhopige, uitgeteerde mannen en vrouwen, maar uitsluitend jonge, sterke mannen die elkaar onderling wantrouwen. Wegens plaatsgebrek zal Tom zijn hut moeten delen met een van hen en dat wordt Adama, een Senegalese vluchteling, die het alter ego van Tom lijkt te zijn. Hij is de enige die zijn naam van begin tot einde houdt. Bedoeld of onbedoeld lijkt die te verwijzen naar de eerste mens op aarde, terwijl alle andere namen niet van belang zijn. Ze voeren talloze gesprekken waarbij Adama de wijze man is en Tom het angstige kind.

De hele situatie is op zich interessant. Een groep linkse vrouwen tegenover een groep gelukzoekende moslimmannen, en een rechtse toeschouwer die dit alles mag beschrijven in de besloten ruimte van een schip, waar het voedsel op begint te raken als er nergens aangemeerd kan worden. Opvallend is dat de linkse kant overkomt als schreeuwerig en dogmatisch en de rechtse kant als doordacht en veel realistischer én niet echt rechts.

Tom krijgt geen letter op papier. Wat hij niet durft te vragen is of de vrouwen met hun schip niet medeplichtig zijn, omdat ze de handel in vluchtelingen faciliteren. Als hij vraagtekens zet bij Aga’s goede werk ”zal hij de rest van zijn leven worden onderbroken, afgebroken, overschreeuwd.” Hoe erg zou dat zijn voor zijn dochter Lauren? “Zij zal door het leven moeten als het kind van die schoft.” Hij zit ingeklemd tussen enerzijds het mantra van de vrouwen “het doet er niet toe wie we redden, maar dat de mensen die we redden, gered moeten worden.” en anderzijds “kun je afzijdig blijven als je getuige bent van een misdaad?

Tussen de bedrijven door staan cursief gedrukte delen van heiligenlevens uit Legenda Aurea van Jacobus de Voragine. Tom leest die graag, aangevuld met verhalen over mythologische vrouwen uit de Oudheid. Alle fragmenten gaan voornamelijk over vrouwen die hun lichaam offerden voor hun geloof of ideaal. “Waarom oogsten vrouwen pas bewondering als ze lijdend en strijdend ten ondergaan voor hun idealen”, vroeg Marente de Moor zich af. Die gedachte lijkt zij niet te koppelen aan haar verhaal. De vrouwen op het schip komen hoegenaamd niet heldhaftig uit de verf en lijden doet alleen degene die wordt verkracht. Maar daar wordt de volgende dag al niet meer over gepraat. Waarom dan die lijdende strijdende vrouwen? Marente de Moor zegt hierover in een interview: “Toen ik me verdiepte in de activisten die op de ­Middellandse Zee migranten redden, bleken dat vaak vrouwen te zijn. Met een nogal gesloten wereldbeeld. Ze deden me denken aan vrouwelijke heiligen uit de katholieke canon. Die heilige meisjes van toen (…) ­waren ook activisten, maar dan voor Jezus Christus”.

Van het ene op het andere moment verandert het karakter van het boek. Tom springt overboord en komt aan land na een soort mythologische ervaring. Wat werkelijkheid is of niet, wordt niet duidelijk. Tom is nu ook een vluchteling zonder geld of paspoort. In een kerk spreekt een man in een visserstrui hem aan. Hij lijkt sprekend op Toms vader en zegt: “Tegenwoordig is niemand meer heilig. Zowel onder de toeristen als onder de vluchtelingen heb je lieverdjes en schoften. Wat ben jij? Een lieverdje of een schoft?” Tom reageert alleen met: “Dat ligt aan wie je het vraagt.
De slotgedachte is dan: “Je moet toch een verhaal hebben. De geschiedenis vormt zich door besluiten. Wat men besluit door te vertellen en wat men besluit te verzwijgen.” 

Zo eindigt deze roman vol tegenstellingen. Het gaat wel en niet over bootvluchtelingen, wel en niet over links contra rechts, wel en niet over strijdende vrouwen, die zichzelf opofferen. Uiteindelijk gaat het alleen maar over een man die op zoek is naar een verhaal en dan wel voornamelijk over zichzelf.

Marente de Moor zegt in een interview dat haar missie geslaagd is als de lezer zich voortdurend afvraagt wie er nou eigenlijk een schoft is. Ze heeft daarnaast een lans willen breken voor de twijfel. Dat je altijd mag vragen ‘Is dat wel zo?’, zonder onder verdenking te worden geplaatst. Twijfel wordt in onze cultuur gezien als een teken van zwakte. “Twijfel is juist een teken van verdraagzaamheid. Als je die toelaat, erken je dat een verhaal altijd twee kanten heeft. Tegenwoordig oordelen mensen meteen: ‘Is dit een fout mens of een goed mens? Een schoft of niet?’ ”

Uitgeverij      Querido, 2023
Pagina’s        221
ISBN              978 9021 475 530

Recensie door Janny Wildemast, februari 2024




‘Ragnarök’ door A.S. Byatt

De ondergang van de goden

Uitgeverij Canongate in Edinburgh was bezig een serie samen te stellen over mythen en legendes en vroeg de zeer gelauwerde en in de adelstand verheven Antonia Susan Byatt – oudere zus van schrijfster Margaret Drabble – om een bijdrage. Ze aarzelde geen moment en koos voor haar versie van Ragnarök -godenschemering-, een noordse mythe waarin de goden allemaal vernietigd worden. Als kind had ze Asgård en de Goden gelezen en herlezen naast The Pilgrim’s Progress van John Bunyan. Ze was vanwege astma vaak bedlegerig en las dus veel.
In haar bewerking van de mythe speelt ze gefictionaliseerd de hoofdrol als ‘het tengere kind’ dat Asgård en de Goden van haar moeder krijgt. Ze leest het en denkt erover na. Ze krijgt geen naam of leeftijd, maar ze leeft ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, die voor haar ouders reden was  om van de stad naar het platteland te gaan. Van de oorlog merkt ze niet veel maar ze voelt wel de angst voor het vergaan van de wereld die gekoppeld wordt aan de ondergang van de Asen.

Laat ik het eerlijk toegeven: ik weet niets van noordse mythen op wat namen na die ik ooit gehoord heb en naar Wagners Götterdämmerung luister ik niet vrijwillig. Nu lees ik A.S. Byatt’s roman en ik word overladen met drie verhalen die samengeperst zijn tot één verhaal, vol gruwelijkheden en weerzinwekkende details, en met een hoeveelheid onuitspreekbare namen die je doet duizelen. Hoe een kind zich door de wereld van strijdende goden, die werkelijk nergens voor terugdeinzen, heen heeft geworsteld is me een raadsel. Het boek was ook nog eens in het Duits. Heel verwarrend voor het kind dat zich afvroeg of de oude germanen dezelfden waren als de ‘Germans’, de Duitsers.

Het verhaal geeft het ontstaan van de wereld weer, de strijd tussen de goden met als voornaamste opponenten Odin en Loki, en vervolgens het vergaan van de wereld. De goden zijn niet onsterfelijk en hun macht is eindig. Ragnarök betekent ongeveer het noodlot van de goden en Asgård is het domein van de Asen – lees: de goden – waarin zich ook het Walhalla bevindt.
Steeds wordt de godenwereld gespiegeld aan de christelijke wereld. Het kind, met een Quakerachtergrond, leert in de wekelijkse Bijbelles over ‘de boze grootvader, de gefolterde goede man en de klapwiekende witte vogel’. Haar worden blijde en goede dingen voorgespiegeld om de moed erin te houden tijdens de oorlog, maar ze gelooft niet dat ze haar vader, die ergens in Afrika vecht, ooit zal terugzien. Door haar paradijselijke wereldje vol bloemen op het platteland loopt ze met haar gasmasker aan haar arm. Als ze de noordse mythen vergelijkt met het christelijke verhaal ziet ze alleen een andere mythe die veel minder boeiend is. Het zoete en duidelijke verhaal van The Pilgrim’s Progress lijkt in de verste verten niet op de mysterieuze chaotische magie van Asgård en de Goden.

Geleidelijk aan raakte ik toch onder de indruk van die merkwaardige wereld van de levensboom Yggdrasil, de onberekenbare Odin, de geniepige Loki en zijn dochter, de slang Jörmungandr die de wereld omvat en van zoveel anderen. Naast rommelige delen zijn er ook prachtige samenhangende delen, zoals dat over de dood van Baldur, met wie schoonheid, licht en hoop verdwijnen. Het kind vergelijkt hem met Jezus: ook ‘een en al witte zachtheid en gouden glans’ en ook een god die gedoemd was te sterven. Dat doet dan toch ook even denken aan de zoon die A.S. Byatt verloor bij een verkeersongeluk.
Daarnaast zijn er stukken waar je moeilijkt doorkomt, want Byatt kan zelden één ding noemen zonder meteen alles te noemen. Een voorbeeld: “Er waren massa’s krabben: porseleinkrabben, gewone spinkrabben, gestekelde sponspootkrabben en steenkrabben, helmkrabben, cirkelronde krabben, eetbare krabben, havenkrabben, zwemmende krabben, vierkante krabben, allemaal met hun eigen gebied.“ Daar staan prachtige poëtische beschrijvingen tegenover: “(Loki) was mooi, dat werd overal bevestigd, maar zijn schoonheid was moeilijk vast te leggen of te zien, want hij schitterde, sprankelde, flakkerde en versmolt met zijn omgeving, hij was een vormeloze vlam, hij was de wervelende kolk van naaldjes in de vormeloze massa van de waterval.”
Ook wat over het kind verteld wordt, raakt. Ze is zo eenzaam. Haar vader is er niet en haar moeder is helemaal opgeleefd omdat ze weer les mag geven, wat ze als getrouwde vrouw zonder de oorlog niet had gemogen. Alleen via literatuur lijkt ze een band te hebben met haar kind, maar verder is ze niet echt moederlijk. Daar is dan dat kind dat midden in een wereldoorlog troost en een vluchtweg zoekt in de noordse mythologie. Wat ze vaag aanvoelt aan angst over de oorlog, ziet ze verwoord in de oude verhalen. Ook de goden kenden angst. Haar verbeelding wordt erdoor gestimuleerd waardoor ze later zal gaan schrijven.

Al lezend kom je erachter dat A.S. Byatt in drie heel verschillende stijlen schrijft. Gaat het over de mythologische wereld, dan is ze niet te houden en schrijft ze vol passie in de meest kleurrijke bewoordingen en zodanig dat de vonken eraf spatten. Gaat het om de wereld van het kind, dan schrijft ze beschouwend, kalm en lieflijk. Aan het eind van haar boek geeft ze een beschouwing over mythologie en komt de academica tevoorschijn.

Het gaat in Ragnarök niet om goed of kwaad, of oorlog en vrede, maar om chaos en orde en over de vergankelijkheid van de mens én van de aarde die wij kapot maken. Ragnarök, het noodlot, is in feite klimaatverandering waaraan de wereld ten onder gaat en verstard in sneeuw en ijs eindigt. Door wat de goden doen zien wij hoe wij de wereld naar de ondergang brengen.

Om zoveel in één dun boek samen te brengen moet je van goeden huize komen en dat komt A.S. Byatt. Jammer alleen dat ze aan het slot een mini-essay heeft toegevoegd over mythologie. Het haalt de magie van het voorafgaande af. Ook jammer dat de meest prachtige staalgravures, afkomstig uit het boek van Wägner maar zonder vermelding van de maker, veel te klein zijn afgedrukt, zodat de betekenis ervan deels verdwijnt.

Byatt laat de lezer achter met een dubbele boodschap. Enerzijds blijft het tengere kind geloven in ‘de eeuwige herhaling van alles wat groeit’ maar anderzijds wil ze niets weten van het vervolg op het door haar gelezen verhaal waarin een soort wederopstanding plaatsvindt. Byatt laat dat gedeelte heel bewust weg.

Tot slot een groot compliment aan de vertaalsters die alleen al hun handen vol gehad moeten hebben aan het vertalen van talloze bekende en onbekende of uitgestorven plant- en diersoorten.

Uitgeverij      Orlando, 2023
Pagina’s        192
Vertaald        uit het Engels door Gerda Baardman en Marian Lameris (Ragnarok. The End of the Gods)
ISBN             978 9083 293 844

Recensie door Janny Wildemast maart 2024




‘ Het recht op seks’ door Amia Srinivasan

Feminisme in de 21e eeuw

 “Hoe kunnen we ervoor zorgen dat seks werkelijk vrij is? Dat weten we nog niet. Het is een kwestie van uitproberen.”    

Seks wordt vaak gezien als iets natuurlijks, iets wat buiten de politiek staat. Volgens de Britse filosofe Amia Srinivasan (Bahrein, 1984) is seks echter een bij uitstek politieke aangelegenheid. De rollen die we spelen, wie geeft, wie neemt, wie begeert, wie begeerd wordt, wie er beter van wordt, wie er onder lijdt: al die regels waren al bepaald voordat we geboren werden. In haar essaybundel Het recht op seks onderzoekt Amia Srinivasan de relatie tussen politiek en seks, en probeert ze de politieke kritiek op seks te vertalen naar de 21e eeuw.

Amia Srinivasan schreef het titelessay, het bekendste van de zes essays in de bundel, in 2018 naar aanleiding van de moord op 6 studenten op een Amerikaanse universiteit door Elliot Rodger, een zgn. ‘incel’ (onvrijwillig celibatair). Voordat hij zichzelf met een vuurwapen doodde, stelde Rodger in een online manifest dat hij op seksueel vlak werd gemarginaliseerd omdat hij niet zou voldoen aan hetero-masculiene normen. Vanwege zijn vrouwelijke uiterlijk en zijn raciale afkomst (hij was half wit en half Aziatisch) zou hij geen seksuele relaties met vrouwen kunnen krijgen, reden waarom hij had besloten ‘alle vrouwen te straffen’ voor hun misdaad hem seks te ontzeggen. Naast afschuw riep zijn daad ook bewondering op bij mannen die zichzelf in hem herkenden. De auteur onderzoekt in dit essay hoe Elliot Rodger tot zijn denkbeelden kon komen, en of er inderdaad zoiets bestaat als ‘het recht op seks’.

Amia Srinivasan benadert haar onderwerp zonder oordeel, en met een onderzoekende, nieuwsgierige geest. Ze is er niet op uit een schuldige aan te wijzen, maar wil de onzichtbare patronen blootleggen die onze menselijke relaties en gedragingen bepalen. In het essay over pornografie, Met mijn studenten in gesprek over porno, gaat ze uitvoerig in op de aard van seksuele verlangens, en in hoeverre die worden beïnvloed door factoren van buitenaf. Want we zijn geneigd te denken dat onze seksuele voorkeuren en verlangens authentiek, uniek en aangeboren zijn, maar in hoeverre worden ze ook bepaald door de heersende westerse en patriarchale normen? Is het toeval dat porno-actrices vaak dezelfde uiterlijke kenmerken hebben (lichte huidskleur, grote borsten, slank) of spelen hier patronen van westerse overheersing en uitsluiting mee?

Persoonlijk vond ik het laatste essay, Seks, carceralisme en kapitalisme, het meest interessante, wellicht omdat de schrijfster hier het meest concreet wordt. Voorstanders van het carcerale feminisme zien wetgeving, inclusief strafrecht, als het ultieme middel om gelijke rechten voor mannen en vrouwen te bewerkstelligen. Denk aan hoge celstraffen voor verkrachting en huiselijk geweld. Hoewel daar op het eerste gezicht niets mis mee lijkt, laat de auteur zien dat ook dit een problematische kant heeft, aangezien rechtssystemen helaas niet voor iedereen hetzelfde werken. Strafrecht werkt vaak in het voordeel van rijke, witte mannen, terwijl zwarte en/of minder rijke mannen en vrouwen juist het risico lopen benadeeld te worden door datzelfde rechtssysteem. Het gevaar van een focus op het strafrecht is dan ook dat je geen misstanden de wereld uit helpt, maar juist een al bestaande ongelijkheid vergroot.

Amia Srinivasan biedt nergens kant en klare oplossingen, ze schetst juist uitvoerig de dilemma’s waarmee hedendaagse feministen te maken krijgen. Neem het verbod op prostitutie: sommige feministen zien prostitutie als het ultieme uitvloeisel van de patriarchale ideologie en vinden een verbod dan ook een belangrijk symbolisch signaal – dat het niet ‘normaal’ is dat mannen zich door middel van geld het lichaam van een ander toe eigenen. Tegelijkertijd brengt een verbod kwetsbare vrouwen in een nog moeilijker positie als zij in het geheim hun werk moeten doen. Maar ook legalisatie leidt niet altijd tot veilige situaties voor sekswerkers, en in sommige gevallen speelt ze juist mensenhandelaren in de kaart. De auteur beschrijft hoe overheden in verschillende landen hiermee omgaan, variërend van een gehele of gedeeltelijke regulering, tot het uitsluitend strafbaar stellen van de klant (het Zweedse model), maar elke variant blijkt naast voor- ook nadelen te hebben, met soms grote risico’s tot gevolg. Een ideale oplossing waar echt àlle sekswerkers van profiteren lijkt er niet te zijn.

Het recht op seks is een boek dat je niet in een paar middagen uitleest, je moet er echt voor gaan zitten en het af en toe wegleggen om de inhoud te laten bezinken. De geschetste problemen en dilemma’s zijn talrijk en een perspectief of een oplossing ontbreekt, waardoor de moedeloosheid je soms bekruipt. De schrijfster is zich hiervan bewust. Al in het voorwoord waarschuwt ze de lezer dat haar essays op een aantal onderwerpen ambivalent zijn, omdat ze complexe zaken niet wil reduceren tot iets makkelijks. Feminisme moet meedogenloos de waarheid vertellen, niet in de laatste plaats over zichzelf. “Feminisme kan zich niet de illusie permitteren dat belangen altijd overeenkomen, dat onze plannen geen onverwachte, onwenselijke gevolgen hebben, dat politiek een troostplek is”, aldus Amia Srinivasan. Haar boek is dan ook vooral een uitnodiging aan iedereen, ook aan feministen, om kritisch naar zichzelf te kijken en zich bewust te zijn van de consequenties van eigen keuzes.   

Om terug te komen op het geval Elliot Rodger: hier is de schrijfster minder ambivalent. Nee, concludeert ze, er bestaat niet zoiets als het recht op seks, wel hebben mensen het recht om niet verkracht te worden. Ook Rodgers argument dat hij seksueel gemarginaliseerd werd vanwege zijn gebrek aan stereotiepe mannelijkheid en zijn ras, veegt ze van tafel – het is veel aannemelijker dat hij geen seks kon krijgen vanwege zijn bizarre gedrag en misogyne ideeën. Elliot Rodger was gewoon een engerd.

Uitgeverij    de Geus, 2022
Pagina’s     230
Vertaald      uit het Engels door Isabel Goethals, Anne Marie Koper en Laura Weeda  (The right to seks)                                                      ISBN           978 9044 543 636

Recensie door Sandra Bessems, februari 2024




‘Bertha von Suttner’ door Greta Noordenbos

Vredesactivist, feminist en nobelprijswinnaar

Het leven van Bertha von Suttner (1843-1914) is zeer zeker een biografie waard. Goed dat de auteur het leven van deze vredesactiviste, feministe en Nobelprijswinnares onder de aandacht brengt. Het leven van deze vrouw straalt kracht en moed uit aan het einde van de 19e eeuw en begin 20e eeuw. Ze blijft standvastig proberen, om te beginnen bij haar directe familie, de wapens neer te leggen. Bertha ziet in het militaristische Oostenrijk te veel jonge mannen sneuvelen, of gehandicapt uit de oorlog terugkomen. Ze doet dit in een periode waarin vrouwen volledig afhankelijk zijn van de inkomsten van hun man.

Met veel interesse las ik dit levensverhaal over de eerste vrouw die de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, hoewel ze er lang op heeft moeten wachten. Bertha schrijft in 1889 haar roman Die Waffen nieder!. Geschiedenisboeken prijzen de heldhaftige daden van een oorlog, maar vermelden nauwelijks leed. Bertha beschrijft in haar roman de gruwelijkheden die wapens aanrichten. Ze doet dit aan de hand van het leven van Martha Althaus, een sterke 19e-eeuwse Weense aristocrate die alles lijkt te hebben: geld, plezier, aanzien en liefde. Maar haar leven wordt meermalen op zijn kop gezet wordt door oorlogen. Daardoor ontpopt haar levensgeschiedenis zich tot een aanklacht tegen de zinloosheid van de gewapende strijd. Haar levenservaringen en levensbedreigingen zijn nog altijd overtuigend.
De roman sloeg in als een bom: ze verwoordt op persoonlijke en pijnlijke wijze wat oorlog ons aandoet, hoe oorlog families verscheurt, sociale verhoudingen ontregelt en de welvaart negatief beïnvloedt. Binnen enkele jaren werd het boek vertaald in 26 talen en heeft het mensen uit de hele wereld ertoe bewogen zich in te zetten voor vrede. Zo behoorde de Russische tsaar Nicolaas II tot de lezers. Hij heeft zich door haar boek laten inspireren om in 1899 een vredesconferentie te organiseren waarmee hij geschiedenis schreef: het resulteerde in de bouw van het Vredespaleis in Den Haag.

Bertha start vredesgroepen en spreekt internationale vredescongressen toe. Ze staat in 1899 aan de wieg van het Permanente Hof van Arbitrage in Den Haag en is aanwezig bij de opening van het Vredespaleis in Den Haag in 1913. (*opmerking: op Wikipedia vind ik haar naam hier niet bij vermeld!) Interessant is haar contact met Alfred Nobel van wie ze jarenlang financiële ondersteuning ontvangt. De Nobelprijs voor de Vrede komt uit hun contact voort.
Bertha verzet zich tegen het opkomende antisemitisme, tegen de sociale ongelijkheid in de maatschappij, en ze komt op voor gelijkheid tussen vrouwen en mannen in alle opzichten. Haar persoonlijke, strijdvaardige leven kent tragische momenten, maar Bertha blijft schrijven en spreken, overtuigd als ze is dat wapens ellende en verdriet veroorzaken. Het is erg interessant om kennis te nemen van haar leven.

Het is jammer zitten dat er zoveel slordige fouten in het boek zitten, ik heb in een bijlage een overzicht gemaakt. Nogal wat herhalingen en overlappen zijn eveneens een storende factor. Het begrip duurzame vrede kan hopelijk bij een herdruk af en toe vervangen worden door blijvende vrede. Evenals het consequent gebruik van de juiste hoofdletters bij het Hof van Arbitrage en de Nobelprijs voor de Vrede.

In Utrecht is, zoals in meerdere plaatsen, een straat naar haar vernoemd: Bertha von Suttnerlaan, in Transwijk-Noord.

Uitgeverij       Eburon, 2023
Pagina’s        222
ISBN             978 9463 014 434

Recensie door Laura Bertens, januari 2024.




‘Een geest in de keel’ door Doireann Ní Ghríofa

Doireann Ní Ghríofa, in het Engels zoiets als Doreen Griffith, is een Ierse schrijfster die na een serie dichtbundels nu met haar eerste roman is gekomen. Of misschien een biografie, want het leven van dichteres Eibhlín Dubh Ní Chonail (Dark Eileen O’Connell) wordt helemaal uitgeplozen. Of mogelijk een autobiografie, want parallel aan het verhaal over Eileen beschrijft Doireann haar eigen levensverhaal.

De oorsprong van Een Geest in de Keel ligt in een gedicht uit 1773, dat verplichte leeskost is op alle scholen in Ierland. Het heet Caoineadh Airt Uí Laoghaire, oftewel De Klaagzang voor Art O’Leary, en is voornamelijk geschreven door Eibhlín, de vrouw van Art.  Caoineadh [‘kwi:nƏ] is Iers voor ‘keen’ en ‘keening’ is wat vrouwen doen bij begrafenissen: de dode wordt beklaagd en verheerlijkt op een half gesproken, half gezongen manier.

Doireann Ní Ghríofa (1981) is een jonge Ierse vrouw die zich volledig heeft gestort op het huisvrouw en moeder zijn, maar ze is daarnaast wel dichteres die publiceert. Ooit begon ze aan diverse studies en uiteindelijk werd ze onderwijzeres tot de geboorte van haar eerste kind. Ze kreeg in korte tijd vier kinderen en leeft met takenlijstjes die ze per dag afwerkt. Het geeft haar structuur en een voldaan gevoel als ze weer wat kan afstrepen. Haar enige rustmomenten zijn als ze haar kinderen de borst geeft en als ze aan het kolven is voor de moedermelkbank. Dan kan ze nadenken, bijvoorbeeld over haar wel heel dienstbare leven, over situaties in haar verleden én over dat gedicht dat ze vroeger op school moest lezen: De Klaagzang voor Art O’Leary.
Vroeger vond ze het gedicht eerst saai, toen boeiend en nu zal het een obsessie voor haar worden. Wie was die Eibhlín Dubh Ní Chonail en wat zegt ze nou eigenlijk in haar gedicht? Ze is het niet eens met de Engelse vertaling van het Ierse gedicht en omdat ze, zoals de meeste Ieren, tweetalig is opgevoed, wil ze haar eigen vertaling maken. En ze wil het hele leven van Eibhlín uitzoeken, die altijd in de schaduw is gebleven van haar mannelijke familieleden en met name van haar neef, de beroemde Daniel O’Connell. Hij was de grote voorvechter – ‘The Liberator’ – voor gelijkheid tussen Ieren en Engelsen, na 800 jaar Engelse onderdrukking die een hoogtepunt bereikte in de 18e eeuwse Penal Laws, de beperkende en vernederende strafwetten opgelegd door de Engelsen aan de Ieren.
Voor een nieuwe vertaling heeft Doireann niet de juiste papieren maar dat weerhoudt haar er niet van zich volledig op haar nieuwe taak te storten. We krijgen zo een prachtig beeld van werkend moederschap en de daaraan inherente problemen. Waar Doireann in het begin zeer pragmatisch schrijft, wordt ze allengs lyrischer en poëtischer in haar beschrijvingen van Eibhlín Dubh Ní Chonail en haar werk.

De Caoineadh Airt Uí Laoghaire werd pas in 1800 op schrift gesteld na mondelinge overlevering en gedrukt in 1892. Eibhlín Dubh Ní Chonail beschrijft erin hoe ze Art leerde kennen, meteen dolverliefd op hem werd, met hem trouwde en kinderen kreeg. Dan komt de fatale dag waarop Art weigert zijn prachtige paard aan de Iers-protestante Abraham Morris, sheriff van Cork, te verkopen voor de door de Penal Laws voorgeschreven vijf pond. Een duurder paard mocht een Ier niet hebben. Morris laat hem dan vogelvrij verklaren en later doden. Arts paard vlucht naar huis en Eibhlín weet genoeg. In vliegende vaart rijdt ze naar haar man die bebloed op de grond ligt. Ze drinkt zijn bloed en wentelt zich in wanhoop. In haar tekst verschijnen nu allerlei verwensingen richting de daders. Tussendoor zijn er ook strofen van haar eigen tweelingzus Mary en van een zus van Art. Het gedicht besluit ermee dat klagen niet helpt, want eens zijn we allemaal dood.

Naar Eibhlín Dubh Ní Chonail – c. 1743 – c. 1800, dichteres van gegoede stand, doet Doireann ongelooflijk veel speurwerk. Al is er niet veel over haar bekend, ze weet toch een veel gedetailleerder beeld van Eibhlín te schetsen dan alleen ‘tante van Daniel O’Connell, vrouw van Art O’Leary’. Eibhlín wordt haar ‘geest’. Haar zoektocht naar afstammelingen van Eibhlín is enerzijds een beetje een detectiveachtig relaas, maar ook wel wat taai om te lezen. Dit kijkje in de wereld van de wetenschappelijke onderzoeker is boeiend, maar het toevoegen van véél fantasie-elementen staat daar weer lijnrecht tegenover.

Keer op keer herhaalt Doireann Ní Ghríofa de eerste zin van haar eerste hoofdstuk: “Dit is een vrouwelijke tekst.” Meestal slaat dat op de Caoineadh van Eibhlín, of op gedachten van haarzelf, maar begrijpen doet ze het zelf niet. Wel benadrukt ze het ondergewaardeerd zijn en in de vergetelheid raken van vrouwen in het algemeen en schrijfsters in het bijzonder. Haar hele verhaal is gedrenkt in melk en bloed.

Met grote veranderingen in stijl en inhoud, in stukjes en beetjes, duidelijk geschreven ‘tussen de bedrijven door’, heeft Doireann haar verhaal verteld. Het is doorspekt met elementen van het mysterieuze Ierland, waarin ‘stone forts’ en elfenheuvels toegangspoorten naar de Andere Wereld onder de grond zijn. Even mysterieus blijft Eibhlín.
Door haar zoektocht heeft Doireann een bestaan gecreëerd naast dat van huisvrouw en moeder. Beide bestaansvormen kan en wil ze niet loslaten, maar met haar verhaal komt ze niet meer verder en kinderen zal ze niet meer krijgen. Haar laatste kind kreeg tweeëneenhalf jaar borstvoeding, maar ook daar stopt ze mee. Ze voelt zich in alle opzichten tekortschieten, maar er opent zich een nieuwe wereld voor haar met een nieuw aantekenboek. ‘Deze keer zal ik mezelf niet toestaan daarin woorden als ‘stofzuigen’ of ‘lakens’ of ‘dweilen’ of ‘kolven’ op te schrijven. In plaats daarvan zal ik nieuwe woorden bedenken die ik dan achterna zal gaan.’

Dan volgen tot slot drie versies van de Caoineadh, in het Nederlands van de vertaalster van Geest in de Keel Caroline Meijer, in het Iers en in het Engels van Doireann. Er zijn héél veel Engelse vertalingen van de Caoineadh. Het voert te ver deze vertalingen naast elkaar te leggen, maar het is wel interessant om de vertaling van Thomas Kinsella die op internet staat eens naast die van Doireann te leggen. Dan blijkt dat die van Ghríofa oneindig veel poëtischer en persoonlijker is.   Overigens is er in april 2023 alweer een nieuwe vertaling van de Caoineadh verschenen van de hand van John FitzGerald.
Caroline Meijer heeft een helse klus gehad aan het vertalen van een vertaling van een vertaling. Ze gebruikt echter te vaak woorden die echt niet passen in een 18e-eeuws gedicht. Los van het gedicht is haar werk prijzenswaardig.

Een Geest in de Keel is een schitterend relaas over het zoeken naar jezelf via het zoeken naar een ander. Dat de schrijfster een dichteres is, blijkt uit elke pagina. Ghríofa schrijft zo eerlijk, zo bevlogen en zo liefdevol dat het je wel moet raken.

Uitgeverij      Van Oorschot, 2021
Pagina’s        300
Vertaald         uit het Engels door  Caroline Meijer (A Ghost in the Throat)
ISBN              978 9028 213 005

Recensie door Janny Wildemast, januari 2024

 




‘Breuklijnen van begeerte’ door Shubhangi Swarup

Enthousiast begon ik aan Breuklijnen van begeerte. Het verhaal speelt zich af in Zuid-Azië (India, Myanmar/Birma en het Himalaya-gebied) en bestaat uit vier delen. In elk deel beschrijft de auteur een of twee hoofdpersonen met hun onderlinge relatie en hun relatie met de natuur. Het feit dat deze regio erg gevoelig is voor aardbevingen speelt een belangrijke rol, zoals de titel ook al aangeeft.

Het eerste deel (Eilanden) beschrijft het leven van Girija Prasad en Chanda Devi op de Andaman eilanden, vanaf het begin van hun huwelijk tot aan de dood door een tsunami van Girija. Chanda is dan al overleden bij de geboorte van hun dochter. Chanda is helderziende en kan met bomen praten, Girija voelt zich sterk verantwoordelijk voor de eilanden en hun natuur. Hun gelijkwaardige relatie is in deze tijd en regio ongehoord, maar wordt geaccepteerd door het ontzag dat men heeft voor de geesteskracht van Chanda. Het echtpaar ontfermt zich over Mary, een Karen-vrouw die als alleenstaande moeder gedwongen wordt haar kind af te staan.

In het tweede deel (Breuklijn) volgen we hoe het Mary’s zoon Plato vergaat, een opstandige student die gevangen is genomen en gemarteld wordt door het regime van Myanmar, dat toen nog Birma heette. Een vriend van Plato, Thapa, weet Mary op te sporen en is de verbindingspersoon tussen beiden. Aan het eind van dit deel komt Plato door amnestie vrij en ontmoet hij voor het eerst zijn moeder. Daarna vlucht hij naar India, waar hij zich bij opstandelingen aansluit.

Deel drie (Vallei) gaat over de inmiddels 60-jarige Thapa, die als smokkelaar is aangeland in Thamel, een verlopen wijk in Kathmandu, Nepal. Thapa voelt, net als Chanda uit het eerste deel, de bewegingen van de aarde en weet wat de toekomst gaat brengen. Toen hij een jongeman was is zijn dorp, met zijn hele familie, door een aardbeving en aardverschuiving verwoest. In Thamel wacht hij op Plato, met wie hij een smokkelactie op touw wil zetten. Die mislukt en Thapa blijft berooid en alleen achter in het hooggebergte. Hij vindt tijdelijk onderdak bij Apo, het oude stamhoofd van de Drakpo.

Over Apo en zijn liefde voor de eveneens bejaarde Ghazala gaat deel vier (Sneeuwvlakten). In deze periode speelt zich een strijd af tussen India, Pakistan en China over Tibet en Kasjmier. Apo krijgt bezoek van militairen en een wetenschapper die zich verdiept in gletsjers en de bewegingen van het Himalaya-gebergte. Deze wetenschapper, Rana, blijkt de kleinzoon van Girija uit het eerste deel te zijn. Apo en Rana zijn het erover eens dat de bewegingen van het gebergte alleen zullen ophouden als het bloedvergieten stopt, want dat sijpelt in de spleten van het land.

Tot slot beschrijft de auteur het samenkomen van de zon en de maan als ultieme vorm van liefde die een nieuwe wereld verwekt met ‘daarbinnen, de mogelijkheid van jou en mij’.

Zoals gezegd begon ik enthousiast met lezen. Uit de samenvatting blijkt wel dat er veel gebeurt en dat de verschillende verhaallijnen in elkaar grijpen. Toch kon het verhaal mijn aandacht op den duur niet goed vasthouden. De metafysische beschrijvingen van de verschillende natuurverschijnselen zijn vermoedelijk voor de auteur een essentieel onderdeel van het boek, maar voelden voor mij als lezer niet altijd overtuigend. Deze beschouwingen en de verschillende deelvertellingen (die ik hierboven niet allemaal genoemd heb) vormen een groot deel van de tekst, maar voelen soms wat gekunsteld aan en hebben niet altijd een organische relatie met het hoofdverhaal. Dat maakte het voor mij een traag verhaal.

Op de achterflap staat de aanbeveling ‘een bijzonder lyrisch debuut over liefde en verlangen tussen de mensheid en de aarde zelf’, dat ’een wervelend inzicht (geeft) in de mensheid; onze schoon- en lelijkheid, onze capaciteit om te verwonden en om lief te hebben en onze mysterieuze en heilige relatie met de natuur.’ Voor mij was het geen wervelend lezen en ook het lyrische zag ik niet terug. Ik voelde me als lezer niet echt ‘meegenomen’ in het verhaal. Daarvoor is het te complex en krijg je teveel informatie over de feitelijke achtergronden van de hoofdpersonen. Daarbij komt ook dat veel kennis wordt verondersteld over de geologie, geografie en geschiedenis van de regio, zoals ik ook verwoord zag in andere reviews: “De plot springt van de hak op de tak en is door alle sprongen in tijd en gedachten lastig te volgen. De afstandelijke schrijfstijl vergroot deze verstoringen in de begrijpelijkheid van de plot.”

De Indiase auteur en journaliste Shubanghi Swarup heeft duidelijk veel research gedaan naar de plekken waar zij over schrijft en naar de verhalen en geschiedenissen die zich daar afspelen of ermee samenhangen. Het is jammer dat ze er niet echt een mooi, indringend verhaal van heeft weten te maken.
Overigens heeft deze debuutroman diverse prijzen gewonnen en heeft Shubanghi Swarup voor haar journalistieke werk gerelateerd aan haar werk met straatkinderen in Mumbai, eerder ook prijzen gewonnen.

Uitgeverij       Hollands Diep, 2021
Pagina’s        349
Vertaald        uit het Engels door Anne Jongeling (Latitudes of Longing, 2018)
ISBN             978 9048 852 536

Recensie door Marianne van der Weiden, januari 2024

 




‘Dagen van Glas’ door Eva Meijer

Eva Meijer is beeldend kunstenares, filosofe, schrijfster en singer-songwriter. Haar nieuwste roman, Dagen van glas, gaat over een gezin van drie leden die stuk voor stuk aan bod komen in heel verschillende tijdperken. Alle drie hebben ze grote moeite met het leven. Er zit een duidelijke opbouw in het verhaal. Eerst wordt de vrouw beschreven, dan de dochter en tenslotte de man. Daarna komen ze in omgekeerde volgorde voorbij. Het eerste deel is al eerder verschenen, Haar vertrouwde gedaante, een novelle uit 2021.

Het verhaal begint in 2019 met een vrouw, Emel Kara. Ze is filosofe en gaat helemaal op in haar werk, een monografie over de Frans-Algerijnse filosoof Jacques Derrida, waarvoor ze zich letterlijk en figuurlijk afsluit voor haar gezin. Hij is de grondlegger van het deconstructivisme, waarin niets een vastleggende betekenis heeft. Dat boeit haar mateloos.
Van de ene op de andere dag ziet ze in de spiegel een vrouw die kleiner is dan zij is, maar verder op haar lijkt. Dat beeld, dat ze lang niet altijd zomaar kan oproepen, wordt voor haar een obsessie, want wat wil die vrouw haar zeggen?
Meer nog dan haar werk leidt de spiegel ertoe dat ze vervreemd raakt van haar man. Vroeger was ze in therapie en nu denkt haar man dat ze opnieuw aan wanen lijdt. Zij zoekt echter alleen zichzelf en ontdekt hoe ze gevangen zit in zichzelf en in regels, opgelegd door haar werk en haar man. Ze besluit weg te lopen en koopt met haar spaargeld een huisje in een Belgisch bos.

De tijd verspringt naar 2025 en dochter Doris. Zij is een ongelukkige tiener die aan haar vriendje vraagt: “Heb jij ook weleens het gevoel dat er een gat zit tussen jou en de wereld?” Ook zij ziet af en toe geesten, maar houdt zich daar verder niet mee bezig. Ze fotografeert veel: “Foto’s maken is goed, zo krijgt de wereld nog eens gestalte, maar dan mooier.”  Ze is in therapie omdat ze zich nergens thuis voelt en ongelukkig is, maar wat ze haar therapeut zou willen zeggen, zegt ze niet: ‘vergeefsheid’ is het bij haar overheersende gevoel.
Haar moeder is weer thuis. Doris weet van het huisje in Henegouwen waar haar moeder naartoe vluchtte. “Ze was toen van plan om te verdwijnen, het lukte haar ook even. Ik weet eigenlijk niet waarom ze weer terug is gekomen. Ze zei dat ze ons miste.” Doris besluit naar het huisje te gaan. Ze zegt dat ze haar vriendje mee zalnemen, maar gaat alleen. Haar ouders reageren nauwelijks en vinden het wel best.
Met moeite vindt ze het huisje in het donker en in de sneeuw. Als ze de volgende dag boodschappen doet, bedenkt ze: “De mensen in de supermarkt deden het gewoon, leven, alsof er niets aan de hand is – waarom komt niemand in opstand tegen de tijd? Het is toch verschrikkelijk dat alles voorbijgaat?“. In dat licht past haar fotograferen goed, een werkelijkheid zoeken en onveranderbaar vastleggen.
Weer thuis vindt ze in het bos een kuil waar ze precies in past en gaat erin liggen. Ze weet dat ze op moet staan, al is de sneeuw nog zo zacht. Dit is een voorbereiding op haar ‘performance’ die later aan bod zal komen.

Terug naar 1997, naar echtgenoot en vader Johannes, die Neerlandicus is. Hij is bezig met een promotieonderzoek over de briefwisseling tussen twee (fictieve) vrouwen, Philippa Draw en Marie Vanderbeecke. De vrouwen correspondeerden vanaf 1920 als geliefden, al waren beiden getrouwd. Marie heeft een roman Kamers achter glas gewijd aan haar depressieve man die zelfmoord pleegde.
Daarnaast houdt Johannes zich bezig met het proberen te kiezen tussen twee vrouwen. “Linksaf Emel, moeilijk, pijnlijk, bonkend van verlangen. Rechtsaf Sonja, lief, slimmer dan ik, helder als een bergrivier.”
De verhalen over Johannes en over de twee vrouwen lopen dwars door elkaar, zonder samenhang.

Nu gaat het verhaal in omgekeerde volgorde verder. Het is echter nauwelijks Johannes die beschreven wordt, maar veel meer de vrouwen van de briefwisseling. Marie Vanderbeecke’s Kamers achter glas levert wel een verklaring op voor de titel van Meijers roman: “Het glas uit de titel is een wand die tussen de hoofdpersoon en de anderen staat. Maar het is ook een vergrootglas, waardoor ze hen beter ziet en waardoor ze zichzelf te scherp laat zien.” Ook leren we van Marie dat je in je hoofd vrij kan zijn, vooral door te schrijven. Daar staat tegenover dat Doris al eerder zei: “We hebben te weinig woorden voor gevoel.

Dan volgt een Verslag van een Performance van Doris Schouten uit 2033. Ze heeft zich 31 dagen getraind in het steeds langer buiten op de grond blijven liggen om ‘de tijd te leren kennen’ en ‘al het willen uit te bannen’. Haar vader is gestorven en ze moet dit doen. Haar moeder is verdwenen.
Dit deel is geschreven in een vorm tussen proza en poëzie in. Als lezer kun je je alleen maar laten meedrijven op de gedachten van een ander. Wat die gedachten toevoegen aan het grote geheel is mij niet echt duidelijk geworden.

De roman eindigt met een beschrijving van Emel in 2060. Ze zit in een inrichting en is niet helemaal bij zinnen. Ze verlangt naar haar dochter aan wie ze talloze niet-verzonden brieven heeft geschreven. Echt contact is er niet meer. Emel loopt stiekem weg, de sneeuw in, en kijkt door het raam van de tijd.

De eerste twee delen, over moeder en dochter, zijn verreweg de mooiste door de breekbare, haast mystieke sfeer ervan. Johannes komt daarentegen nauwelijks uit de verf. Hij lijkt de meer nuchtere tegenhanger van zijn vrouw en dochter te zijn, maar vlucht voortdurend in de levens van twee vrouwen uit het verleden. Wat de functie is van zoveel correspondentie tussen Marie en Philippa, de memoires van Marie en delen van Johannes’ dissertatie, met voetnoten en al, heb ik niet goed begrepen. Die delen maken het verhaal minder sterk.
Daar staat tegenover dat er prachtige natuurbeschrijvingen worden gegeven en alle gefilosofeer boeiend is. Allerlei thema’s komen aan bod, zoals eenzaamheid, je niet thuis voelen, identiteit, depressiviteit, tijd, reden van bestaan en menselijke relaties. De hele roman staat bol van de symboliek. Het geheel is chaotisch en heeft geen begin of eind. Mogelijk is dat opzettelijk en helemaal in het kader van filosoof Derrida. Hoe dan ook, deze roman geeft genoeg stof om over jezelf na te denken.

Uitgeverij      Cossee, 2023
Pagina’s        232
ISBN             978 9464 521 009

Recensie door Janny Wildemast, januari 2024

 

 




‘Helenka’ door Anna van Suchtelen

Pionier tussen wetenschappers en vrijheidsstrijders

Helenka Drecka wordt in 1887 geboren op het Oekraïense platteland als oudste van een gezin met 6 kinderen. Zij is de dochter van een Poolse suiker-ingenieur. Polen was sinds 1795 verdeeld onder Rusland, Oostenrijk en Pruisen. Vader Drecki is Pools nationalistisch en het streven naar onafhankelijkheid wordt haar met de paplepel ingegeven.

Helenka is een zeer begaafd kind, leren gaat haar gemakkelijk af, zij weet veel van de natuur en speelt verdienstelijk piano. Zij wordt naar een kostschool in Warschau gestuurd. Hier wordt clandestien in het Pools les gegeven, leerlingen worden geïnstrueerd wat te doen bij controle door de Russische inspectie. Helenka is zeer geïnteresseerd in de bèta-vakken en zij volgt de wereldberoemde Marie Curie op de voet. Een hoogtepunt is de komst van Madame Curie naar de school. Als er een nationale schoolstaking wordt uitgeroepen tegen de Russische invloed, protesteert Helenka mee.

Naar haar eindexamen gaat ze op zichzelf wonen en schrijft zich in als studente bij de vereniging voor wetenschappelijke cursussen. Ook komen haar twee zusje bij haar wonen, en ook zij gaan in Warschau naar school. Begin 1909 wordt Helenka toegelaten tot de Eidgenossische Polytechnische Schule in Zürich waar een grote Poolse gemeenschap in ballingschap leeft. Zij gaat daar natuurkunde studeren, maar na een tijdje stapt ze over naar scheikunde. Zij geniet van haar studententijd en besteedt veel tijd aan botanie. Ook maakt zij kennis met Teddy van Suchtelen. Deze Nederlander is opgegroeid in Indië maar woont sinds kort in Haarlem. Hij studeert ook scheikunde en is een begenadigd violist. Zij worden verliefd. Dan wordt Teddy door zijn vader teruggeroepen naar Nederland, hij kan de studie niet meer betalen. Teddy heeft zijn studie niet afgerond en om toch aan de kost te komen vertrekt hij weer naar Indië om daar in een zeepfabriek te gaan werken. In zijn vrije tijd geeft hij concerten in de grote Javaanse steden. Bach, Chopin en Bruch staan op het programma. Ondertussen studeert Helenka ijverig door en slaagt voor haar ingenieursexamen. Dit alles heeft haar uitgeput en zij gaat naar huis in Kiev om te uit te rusten.

Dan breekt de Eerste Wereldoorlog uit in Europa. Teddy is op dat moment in Japan en besluit om met de Trans-Siberië Expres naar Kiev te reizen om Helenka te zien. Zijn aanstaande schoonfamilie lijkt niet erg ingenomen met hem. Terugkeren is niet mogelijk; vader Drecki stelt voor dat hij naar Zweden gaat. Zweden is het land waar Marie Curie twee maal de Nobelprijs heeft gewonnen. Teddy reist naar Stockholm, waar hij gaat werken in een zeepfabriek. Helenka promoveert in de tussentijd. Ze wordt lerares terwijl de oorlog door raast.
In de winter van 1915 trouwen Helenka en Teddy en vertrekken weer naar Zweden, ditmaal naar Hudiksvall. Samen runnen zij daar de zeepfabriek, waarbij Helenka het chemische deel op zich neemt. In 1916 wordt zoon Kiki geboren en in de volgende jaren volgen nog twee jongens. Langs het dorp loopt een spoorlijn. Teddy gebruikt deze soms en ook Lenin rijdt langs het dorp na de Februari-revolutie vanuit Zurich terug naar Rusland.

In 1918 verhuist de familie naar Stockholm, waar Teddy als directeur van weer een andere zeepfabriek aan de slag gaat. Helenka zorgt voor haar zoons en verlangt erg naar haar vaderland. Haar vader heeft een landgoed in Slupia gekocht, in midden-Polen. De familie van Suchtelen reist ernaartoe, maar Teddy moet al snel weer terug naar Zweden. Helenka en de jongens blijven achter en genieten. Helaas blijkt nu dat Helenka tuberculose heeft, waarvoor zij eindeloze kuren volgt in het eerst sanatorium te wereld, de Brehmerisch Heilanstalt für Lungenkranke. Omdat Teddy moet werken, blijven de kinderen bij hun grootouders in Polen. Daar brengen zij lange tijd door en het wordt hun tweede huis. De ouders van Helenka geven Teddy de schuld van de ziekte, hij zou haar in Zweden hebben blootgesteld aan tuberculose.

Omdat het niet beter gaat met Helenka besluit Teddy dat zij moet gaan kuren aan zee, in Nederland. Hij kan een nieuwe betrekking krijgen in Den Dolder en de kinderen kunnen weer naar huis komen. Helenka is dolgelukkig. Ondanks alle kuren, overlijdt Helenka in augustus 1925.

Na haar dood ontvangt Teddy een patent op een zeepverstuivingsapparaat. De basis van deze uitvinding heeft Helenka gelegd.

Zoon Kiki en zijn broers gaan jaarlijks naar hun grootmoeder in Polen. Teddy is daar al lang niet meer welkom en dat verscheurt hem. Als ook grootmoeder overlijdt en blijkt dat er niets van de erfenis richting Nederland komt, breekt Teddy met de schoonfamilie en verbiedt zijn kinderen naar Polen af te reizen. Pas veel later hoort Teddy dat er van het landgoed niets meer over is, de Duitsers hebben er in de Tweede Wereldoorlog huisgehouden en daarna kwamen de Russen.

Anna van Suchtelen is de dochter van Kiki. De verhalen over de familie zijn door haar vader aan haar doorgegeven. Dat maakt dit boek wat verwarrend. Ik kwam er niet achter welke gebeurtenissen op waarheid stoelen en waar de schrijfster haar eigen invulling aan het geheel heeft gegeven. In de verantwoording komt Anna Van Suchtelen met een verklaring: ”Sterke verhalen….. wat is dat nu helemaal: de waarheid.”
Ook is het jammer dat er weinig data vermeld staan, zodat je soms moet gissen hoe lang een periode duurde. De schrijfster heeft willekeurig feiten uit de Eerste Wereldoorlog toegevoegd. Helenka was waarschijnlijk een feministische vrouw, geboren in een verdeeld Polen/Oekraine. Zij zag hoe sommigen daar verzet tegen pleegden, maar nergens heeft zij daar een rol ingespeeld. Wetenschapper was zij zeker, maar door haar ziekte heeft zij niet de carrière gemaakt die zij voor ogen had.

Een heel leuk detail is de QR code achter in het boek. Daarin bevindt zich de playlist op Spotify waar alle werken die Teddy heeft gespeeld, bijeen zijn gebracht.

Uitgever          Cossee, 2023
Pagina’s          299
ISBN               978 9464 520 965

Recensie door Emilie Jonxis, januari 2024

 




‘Onze kinderen’ door Renée van Marissing

Alles blijft
Alles gaat voorbij
Alles blijft voorbij gaan           -Jules Deelder

Met dit toepasselijke motto begint Renée van Marissing haar roman Onze kinderen. Mia’s vader is net overleden en Mia’s partner Sally is zwanger van hun eerste kind. Het zijn dus hectische tijden, het komen en gaan van een generatie.

Mia, de ik-figuur, is de oudste van een gezin met twee dochters. Vrij snel na de geboorte van zus Iris zijn hun ouders gescheiden. Moeder blijft met de meisjes in Amsterdam wonen, vader verhuist na enkele jaren naar Oudemirdum in Friesland. Als kind gaan de zusjes geregeld bij vader logeren. Iris is inmiddels getrouwd en heeft 2 kinderen, Mia en Sally wonen in een klein appartement in Amsterdam en worden dus binnenkort moeders.

Onze kinderen is geschreven in korte hoofdstukken in een goede stijl, en is makkelijk leesbaar. De intro van het verhaal is het laatste etentje op de Prinsengracht van Mia met vader Nico. Vader verslikt zich erg, maar na enkele minuten op het toilet en een biertje lukt het ademen weer. Twee weken later, alleen thuis in Friesland verslikt hij zich zodanig dat hij er aan sterft. De schrik is bij iedereen groot. Mia en Iris moeten de begrafenis gaan regelen en het huis in Friesland leeghalen. De baby op komst bepaalt het leven van Sally en Mia daarnaast sterk. Mia verdient de kost met het schrijven in opdracht, en voor haar eigen plezier schrijft ze ook essays. Als ze daarover vertelt, schrijft ze de prachtige zin: “een essay (is) niet het verslag van een zoektocht, maar de zoektocht zelf”. Op een gegeven moment overdenkt ze hoe haar eigen begrafenis zal zijn. Hoe Sally en hun zoon op de eerste rij zullen zitten en het Agnus Dei van Rufus Wainwright zal klinken, waarin het Lam Gods wordt aangeroepen. Op een geestige manier gaat ze in dialoog met het Lam. Mia is onzeker, bang voor haar eigen ontoereikendheid in het algemeen, maar zeker nu als aanstaande ouder. Geef me vrede, Lam, en rust. Doe het zelf! Zegt het Lam. Stel je niet aan, zet thee voor je vriendin.

Zowel Iris als Mia hebben alleen negatieve herinneringen aan hun vader. Als ze er met z’n tweeën over praten, vergoelijkt Mia de nare dingen eerder dan Iris. Daardoor ontstaat er ruzie: Mia kiest vaders kant volgens Iris. De herinneringen die langskomen zijn inderdaad erg naar en soms vreselijk. Vader was alcoholist en gedroeg zich naar zijn dochters vaak onverantwoordelijk en egoïstisch. Hij kleineerde de meisjes, reed dronken met de kinderen in de auto, en werd heel snel heel kwaad. Echt schokkend is de herinnering dat de zoon van 10 van een van de vriendinnen van vader de meisjes verschrikkelijk pest en Mia (dan 6) een keer aanrandt. Met daarna een lauwe, tot geen reactie van Pa.

Vooral Mia besteedt veel tijd aan het leeghalen van het huis in Friesland. Jammer genoeg beginnen de herinneringen steeds meer op elkaar te lijken zodat ze het beeld van vader niet vergroten.  Ook jammer dat moeder nauwelijks wordt uitgewerkt. Op de laatste avond alleen in het Friese huis drinkt ze veel te veel en wordt met een kater wakker. Toen Sally en Mia besloten een kind te nemen, wist Mia onmiddellijk dat zij het kind niet zou dragen. Haar genen waren daar niet geschikt voor met zo’n vader. Mia neigt zelf niet naar alcoholisme. Is deze kater bedoeld als een hommage aan vader? Ze blijft veel zachter in haar oordeel over vader dan zus Iris. Op de laatste bladzijde fantaseert ze erover zelf in het huis te gaan wonen, zij en Sally en hun toekomstige kinderen. Een open einde dus.

Uitgeverij     Querido, 2021
Pagina’s       164
ISBN            978 9021 414 461

Recensie door Vera Berendsen, december 2023