Recensies

‘Weg uit de Armoede’ door Truus Rozemond

Truida’s reis

Weg uit de armoede is een familiekroniek met Truida als hoofdpersoon. Het verhaal gaat terug tot eind 19e eeuw en eindigt als Truida sterft in 1975. Truida groeit op in het Groningse Ulrum in een middenstandsgezin te midden van enkele rijke boeren en veel arme boerenarbeiders. De stamboom, waar het boek mee begint, is handig, ik heb er vaak in gekeken.

Truida is van 1884. Als ze 28 is, trouwt ze met Cents. Samen vertrekken ze naar Heerlen omdat Cents daar in de mijnen kan werken en er een huis voor hen is. Het huis blijkt zeer armoedig, maar Truida en Cents kunnen goed met elkaar overweg. Toch is Truida somber, angstig, keert zich helemaal in zichzelf en in haar huis. Cents is wel actief, ook buiten zijn werk. Hij wordt lid van de Algemene Nederlandse Mijnwerkersbond en gaat een woningbouwvereniging oprichten die onafhankelijk van de werkgever is. Truida is snel zwanger en in februari 1913 wordt hun eerste kind geboren, Aaltje. Een jaar later komt Albert. Hij leeft maar een dag. Oma Aaltje komt over uit Groningen en blijkt een onverwacht goede hulp bij dit grote verlies. Deze periode wordt mooi beschreven. Voor mij is dat het beste deel van deze kroniek.
In 1915 wordt Geertruida geboren. Albert in 1918 en Pietertje in 1921.

In de zomer van 1916 verhuist het gezin naar een moderne nieuwe woning met water en elektriciteit. Ze hebben dan bevriende buren. Hij is een socialistische collega en zijn vrouw Geeske is de enige vrouw die door Truida geaccepteerd wordt.
De katholieke kerk is een allesbepalende factor in deze tijd in Limburg. De roomse geestelijkheid beheerst het dagelijkse leven en beïnvloedt de directies van de mijnen. Ze zorgen er mede voor dat de beroerde werkomstandigheden in de mijnen lang blijven voortduren. Het socialisme wordt heftig geweerd, de vakbonden doen er lang over om voet aan de grond te krijgen. De eerste wereldoorlog is er in de vorm van voedselschaarste en nog meer armoede. Cents is er sterk mee bezig. Bij Truida lijkt het allemaal ver van haar te blijven.

Het is 1920 en voor het eerst is Truida een beetje gelukkig. Cents neemt haar en de beide meisjes soms mee uit voor een dagje Aken. “Bij deze feestelijke uitstapjes straalt ze aan de arm van haar man”. Truida is heel blij met de mooie jurk die ze heeft kunnen kopen. Ze zijn uit de geldzorgen, de titel van het boek is bereikt! Maar helaas, nu ze persoonlijk uit de ergste financiële armoede zijn, beginnen de zorgen van een opgroeiend gezin, de opvoeding. Truida kan de taak van moeder zijn niet aan. Ze kan niet van de kinderen genieten, ervaart de kinderen alleen als last. Cents stort zich helemaal op zijn werk als lekenadvocaat bij een bureau voor arbeidsrecht. Hij is een strenge vader. De pijn van socialistische Groningers te zijn in het katholieke Limburg wordt steeds heviger. Voor de kinderen is deze tweespalt ook erg moeilijk.

In 1939 koopt Cents een café in Marum op de grens van Groningen en Friesland. In Marum “is de armoede net zo onontkoombaar als in Heerlen.” Maar er zijn wel kieviten en visdiefjes (mooi op de omslag) en een Groninger tongval. Trui lijdt nog steeds aan somberheid, ze is angstig en teruggetrokken. Cents bestiert het café. De Tweede Wereldoorlog heeft veel invloed. “De oorlog maakt hen beiden mat en berustend. Trui heeft haar man niet eerder zo meegemaakt”.

Truus Rozemond verlegt nu haar aandacht van Trui naar Geertje. De tekst wordt weer persoonlijker, en daardoor prettiger om te lezen. Geertje werkt als cheffin in een herenmodezaak in stad Groningen en woont daar op kamers. Op zaterdagavond gaat ze vaak met de tram naar Marum om in het café te helpen. Dan staat ze achter de bar en brengt de stemming erin met het zingen van liedjes. Toch maakt ze moeilijk vrienden, ze vertrouwt mensen niet. Via haar hospita leert ze Sam Rozemond kennen. Ze trouwen in 1942. De oorlog is zwaar. Sam duikt onder in het café onder de naam Bob. Aan het einde van de oorlog is Cents oud en ziek, Bob is sterk vermagerd.

Geertje en Bob krijgen 3 kinderen. Met Geertje gaat het slecht. Ze is somber, ontevreden, wantrouwend, heeft veel moeite met de opvoeding van de kinderen. In die zin weet de auteur de gelijkenissen tussen moeder Aaltje, dochter Trui en kleindochter Geertje mooi weer te geven. Aaltje en Trui worden wel heel goede, lieve oma’s. Dus maar hopen dat dat voor Geertje ook nog is weggelegd.

De schrijfster vertelt het levensverhaal van de vele personen in chronologisch detail, waardoor er veel gebeurtenissen worden behandeld, maar op een vluchtige manier. Er zijn delen erg mooi verteld, maar de vluchtigheid maakte het moeilijk om mijn belangstelling voor de personen vast te houden. De verschillende personen blijven ook eerder werkelijke mensen dan romanpersonages, met wie je je zou kunnen identificeren. Daarmee lijkt de kroniek eerder een soort biografie dan een roman.

Op de begrafenis van Trui komt de familie bij elkaar voor het afscheid. De verhoudingen zijn kil en moeizaam. De dag eindigt met ruzie over een medaillon en 3 bestekjes. Ze zijn weg uit de financiële armoede, maar niet uit de emotionele.

Uitgeverij      Magonia, 2021
Pagina’s        278
ISBN             978 9492 241 481

Recensie door Vera Berendsen, december 2021

Share

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Powered by: Wordpress