Recensies

‘Er is geen ander zijn dan anders zijn’ door Barber van de Pol

Denken met Carry van Bruggen

Als jong meisje kreeg ik van mijn moeder haar exemplaar van Het Huisje aan de Sloot. Carry van Bruggen (1881-1932) schreef het in 1927, op het hoogtepunt van haar bekendheid en haar kunnen. Ik vond het een boeiend, meeslepend, ontroerend boek, diepgaand in de zielenroerselen van een gevoelig kind. Mij trok en ontroerde de warme sfeer in het armoedige huisje en de Joodse rituelen en gebruiken.
In mijn boekenkast staan zeven boeken van Carry van Bruggen en twee biografieën over haar werk en haar leven. Ik ben een fan.

Carry van Bruggen schreef romans, verhalen, beschouwingen, essays, columns, krantenartikelen. Ze was recensente en vertaalde werk van Franse- en Engelstalige schrijvers (de Musset, Shaw, John Galsworthy, etc). Ze was de enige schrijfster in haar tijd die de ‘goedkeuring’ van Menno ter Braak kreeg: schrijven was een mannending, vrouwen konden niet denken.
De uitgever noemt dit boek ‘een liefdevol portret van Carry van Bruggen, een van de grootste auteurs van de twintigste eeuw.’ Barber van de Pol is auteur van diverse kinderboeken, romans, essays en columns. Ze vertaalde belangrijk werk, zoals Moby Dick, Don Quichot en werk van Jorge Luis Borges.

De intentie van Barber met dit boek is: “geen biografie, dacht ik meteen, al zijn haar leven en werk niet los van elkaar te denken. Een eerbetoon om mezelf beter te begrijpen, maar niet achter haar aan te hobbelen, en geen zelfontboezeming als de Carry-factor niet in het geding is. Niet het raadsel verkleinen maar het voeden met nieuwe wegen. En niet teveel toeters en bellen.”

Barber bespreekt denkbeelden van Carry en heeft daar herkenning op. Ze denkt –evenals Carry- ook graag. Ze benoemt gebeurtenissen en thema’s van Carry in haar leven en werk. Daarna beschrijft ze wat ze er zelf van vindt en heeft dan nog tal van associaties over het denkbeeld of het onderwerp, en citeert uitspraken van andere schrijvers, van haar partner P en haar vriendinnen. Ze beschikt over een ongelooflijke hoeveelheid aan materiaal over Carry, wat ze, sinds ze Carry ontdekte in 1978, met grote gretigheid heeft verzameld. Carry zelf heeft voor haar dood al haar persoonlijke papieren vernietigd.
Barber is het vaak met Carry eens, soms gaat ze een geheel andere kant op.

Een belangrijk denkbeeld voor Barber is een uitspraak van Carry, die Barbers titel van haar boek werd, Er is geen ander zijn dan anders zijn. Carry zoekt in haar denkend en schrijvend leven haar zelf, haar ik en de verhouding met de ander. Ze schrijft verhuld autobiografisch, wil zichzelf door en door begrijpen en denkt zich onderscheidend, om er te mogen zijn. Het ‘buitenbeentje’ dat juist in het anders zijn haar identiteit vindt. Barber voelt zich ook ‘anders.’ Ze vereenzelvigt zich hierin met Carry en put kracht uit dit thema: “Ze maakt me duidelijker dat ik normaal ben. Ze is mijn tijdloze ik, en ook die van anderen, merk ik, ….”. Ze citeert Annie Romein over Carry: “…heeft het getalenteerde nerveuze meisje, als Jodin, als autodidact en als vrouw eendrievoudige achterstand”. Ook Barber voelde zich in haar jeugd achtergesteld.

Aan de orde komen Carry’s grote thema’s: individualiteit en distinctie, levensdrift is distinctiedrift en ‘van alles het middelpunt’. Maar ook het huwelijk, seks, vrouwen en mannen, gender, het Joodse, Carry’s jaren in Indië, kinderen en moederschap, haar taal, haar veelzijdigheid en haar psychische ziekte en haar dood. Barber doorvorst het in 1919 verschenen Prometheus. Een bijdrage tot het begrip der ontwikkeling van het individualisme in de literatuur, omdat ze Carry ten volle wil begrijpen. Het is veruit het moeilijkste boek, waar Carry zelf overigens het meest trots op was.

Carry was dol op haar twee kinderen uit haar huwelijk met Kees van Bruggen. Barber is ook dol op haar kinderen en kleinkinderen. Beiden zien het hebben van kinderen als een verrijking van hun leven. Barber haalt schrijfsters aan die blij zijn met het moederschap, die zonder dat geen schrijfster waren geworden. Barber gaat behoorlijk scheef, gesteund door een uitspraak van haar kinderloze partner P (Piet Meeuse): “een leven zonder kinderen is een half leven”. Mijns inziens kun je niet oordelen over een leven dat je niet leidt. Carry dacht alleen vanuit haar eigen ervaring en ik ben ervan overtuigd dat zij  – in tegenstelling tot Barber- dit nooit beweerd zou hebben.

Barber schrijft levendig en gedreven, gebruikt soms archaïsche of chique woorden als ‘verwaten’ ‘trantel’ ‘patafysica’ ‘maxime’, alsook met even groot gemak ‘popi-zinnetjes. Ze put uit alles wat ze tegenkwam over Carry, sinds ze Carry ontdekte in 1978, zoals radio-uitzendingen, artikelen, interviews. Ze noemt bekende en onbekende schrijvers -een hoop namesdropping -, noemt liedjes, associaties, opmerkingen van mede Carry-fans/vriendinnen, waarvan ze vindt dat die ter zake doen. Barber laat niks onbesproken en of presenteert het net even in een iets andere nuance. Het werd mij wel wat veel.

Of  je dit portret zal kunnen waarderen als je niet veel of niets van Carry van Bruggen hebt gelezen, zou me verbazen. Voor diegenen die bekend zijn met het werk van Carry zitten er –ondanks mijn kritiek – prachtige stukjes in dit boek.
Carry c’est  moi,’ zegt Barber een vriendin na. Dat lijkt me de kern van dit boek.

Uitgeverij          E.M.Querido’s, 2021
Pagina’s            312
ISBN                  978 9021 422 343

Recensie door Hannah Kuipers, maart 2021

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress