Recensies

‘Schemerland’ door Berthe Spoelstra

Schemerland speelt zich af in hartje Parijs, in een van de warmste zomers van de eeuw, tegen de achtergrond van terroristische aanslagen, de tour de France en bootvluchtelingen op tv.

De hoofdpersoon, tevens ik-figuur, Jeanne, is een oude, dementerende vrouw en woont alleen in een appartement. Ze heeft onlangs haar heup gebroken en komt niet meer buiten. Ze praat niet meer, hoewel het onduidelijk is of ze dat niet meer kan of niet meer wil.

Haar vier volwassen kinderen (Vivienne, Camille, Sebastièn en Alain) vinden dat ‘het zo niet langer kan’ en hebben besloten, dat haar appartement leeggeruimd zal worden en dat ze naar een verzorgingstehuis moet verhuizen.
Het besluit van de kinderen maakt hun moeder een beetje angstig, hoewel ze ook mild is over hun goede bedoelingen en zich niet verzet tegen het leegruimen. Ze zoekt naar bescherming tegen wat komen gaat en verzint daarvoor het kleine meisje Lilou. In dit meisje kan ze de herinneringen aan haar kindertijd kwijt, toen ze nog in de bergen woonde. Het meisje is een schild tegen wat moeilijk is. Jeanne fantaseert, dat het meisje allerlei avonturen meemaakt en zich verzet tegen de dagelijkse gang van zaken. Jeanne blijft verward zoeken in haar verleden naar een lopend, samenhangend verhaal, maar haar herinneringen vallen in kleine brokjes uiteen.

De week, waarin de kinderen haar kamer onttakelen en ze verzorgd wordt door de Algerijnse conciërge Boudou, neemt Jeanne ons mee in haar levensverhaal. Ze is jong getrouwd met haar speelkameraadje en had een gelukkig huwelijk, waaruit haar man helaas later, toen haar jongste zoon uit huis ging, weggelopen is. Ook over haar man is ze mild en romantisch.
Ik was moeder van drie kinderen toen ik verhuisde. Voor zijn werk moest mijn buurjongen, theedoekvlagbloedbroeder en inmiddels ook echtgenoot, naar de grote stad. Ik volgde; mijn piano kon overal wel staan. Leerlingen waren juist hier in overvloed aanwezig, zeiden we tegen elkaar. Niets kon ons verbond schenden. We hadden het als kind met dwergengoud gesmeed, onder aan de uitloper waar achter elke dag de zon oprees en we elke winter honderden sneeuwengelen uit de sterrennacht lieten neerdalen.”

Jeanne denkt terug aan haar zus Ophelie. Ze weet niet meer of haar zus nog leeft en of zij boven haar op het zolderappartement woont. Ophelie werd altijd liever en mooier gevonden. Jeanne kon het nooit goed doen bij haar moeder. Heeft ze echt het ouderlijk huis met haar moeder in brand gestoken of heeft ze alleen maar gewenst, dat haar moeder dood zou gaan?
Jeanne realiseert zich dat een moeder veel korter een functie heeft in de opvoeding, dan je van tevoren denkt. Haar jongste zoon beslist nu over háár toekomst. Hij vloeit samen met haar man en met de zoon van Boudou. Ze weet maar weinig van het liefdesleven van haar dochters.
Vivienne ritst midden in de kamer haar broek dicht. Daar staat een opgeruimde vrouw, een toonbeeld van praktisch nut. Haar blik verraadt een leven doorgebracht in zorgzame paraatheid. Voeten stevig in sandalen, nagels donderrood. Was ik ook zo? Zou Viviennes man op plannen broeden bij haar weg te gaan?’

De volgorde in de tijd gaat het eerst verloren. Jeanne heeft altijd moeite gehad om in het hier en nu te leven.
“Ik ben nog steeds het kind van vroeger, het meisje met een dode pad in de zak en vlekken op haar jurk. Alleen het uiterlijk verandert…….Pas op mijn vijftigste begreep ik hoe slank ik op mijn veertigste moet zijn geweest. Met zestig rouwde ik om vijftig en op mijn tachtigste liet ik tranen om alle voorbije jaren. Nooit heb ik genoten van het lichaam dat ik had.”         

Als de ochtend gloort, vraagt Jeanne zich af, waarom ze niet met mildheid om kan zien, naar het leven, dat ze had. Ze heeft nog zoveel wrok om bot te vieren. Haar aftakeling wordt steeds schrijnender.
”U komt vandaag van ver,” lispelt de conciërge. Ze helpt mijn lichaam uit het
nachthemd. Huid vecht om voorrang met de doorligplekken. In dit weer is een luier een broeikas van gedoe. Er wordt gedept, gesmeerd, gemurmeld. Aan de handen half omhooggetrokken; behendig schuift een arm onder mijn benen. Een draai, ik zit. ….Boudou vraagt of het wel gaat. Ze fluistert over een nachtwoestijn vol akelige dromen en dat het tijd is voor professionele zorg.”

Jeanne voelt zich ’s nachts en in de opkomende ochtenden belaagd door haar demonen. Ze droomt, dat ze aan het eind van de week, gesteund door twee lieve ouders de hemeltrap zal bestijgen.

Omdat het boek in de ik-vorm, vanuit het hoofd van Jeanne, verhaalt over het dementieproces, wordt de verwarring en het onvermijdelijke einde, voor de lezer pijnlijk goed invoelbaar. Berthe Spoelstra’s stijl is fantasierijk en dichterlijk. Naarmate het verhaal vordert, gaat het soms iets te ver en wordt haar stijl wat bombastisch.
“De dondergod komt op zijn arend nederstreven. Zie de kale wagenaar in natte lappen hangen, ontbloot van al het aardse, hollend op het rad.”

Met Schemerland debuteert Berthe Spoelstra (1969) als romanschrijfster.
Het is knap om over zo’n moeilijk te bevatten, kwetsbaar onderwerp zo’n mooi boek te schrijven.

Uitgeverij          Van Oorschot, 2019
pagina’s            219
ISBN                 978 9028 291 010

Recensie door Ammy Langenbach, februari 2021

Share

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress