Recensies

‘Ons leven in de bossen’ door Marie Darrieussecq

Ons leven in de bossen is gesitueerd in de ‘verwachte toekomst’. De hoofdpersoon/ik figuur heeft zich met een groep anderen teruggetrokken in de bossen. Ze noemen zichzelf vluchtelingen, want ze zijn op de vlucht voor de totalitaire maatschappij, die hen door technologie, informatica en medisch fanatisme, terroriseert. Iedereen wordt continu gecontroleerd door drones. Het gaat niet goed met de wereld. Er zijn geen vogels meer.
Veel mensen verdwenen. Het was de tijd van de enorme ontvoeringsgolven. Bij het journaal werd een soort weerbericht bijgehouden van de vloed aan ontvoeringen, de orkanen van verdwijningen en de stormen van aanslagen.”    (pag. 76)

Hoofdpersoon Viviane, die evenals de schrijfster psychotherapeute is en gespecialiseerd in traumabehandeling, schrijft in het bos over haar leven voor haar vlucht. Ze relativeert de mogelijkheden van haar vroegere beroep. Ze kon de vrouw, de enige overlevende van een vliegtuigongeluk, niet redden. Ook de zgn ‘Aanklikker’ (ook wel patiënt nul genoemd) kan ze niet helpen. De bekende traumatherapie EMDR, wordt door hem ‘En Maar Door Ratelen’ genoemd. Het is de taak van de Aanklikker om aan de vele robots impulsen te geven, zodat ze ook enige empathie kunnen gaan voelen.

Voor de vlucht hebben de mensen de implantaten uit hun lijf gesneden. Dat betekent, dat ze niet meer een deur kunnen openen (want dat kan alleen nog met een implantaat in de hand) en zich niet meer kunnen identificeren, want dat kan alleen met het implantaat in hun oog.

De meeste vluchtelingen hebben een kloon van zichzelf ter beschikking. Soms is dat niet meer dan een box met organen, maar de hoofdpersoon heeft een ‘hele helft’, Marie genoemd. Viviane heeft van Marie al een long en een nier ontvangen. Alle klonen/helften zijn opgenomen in rustoorden. Ze worden door de vluchtelingen bevrijd, maar ze kunnen weinig.
“Ze hebben geen enkel positief besef, geen enkel metafysisch verlangen; geen enkele gerichtheid op de toekomst alles in het nu.”         (pag. 92)

“De helften waren niet dood, dat wisten we. Ze waren geen poppen of wat dan ook. Hun huid was lauw en zacht en normaal en hun adem gaf wasem af, net als de onze.”                        (pag. 59)

Viviane blijft wel menselijk. Ze houdt van Marie en van de Aanklikker, voelt pijn over het verlies van organen en haar gezondheid. Ze heeft verdriet over haar overleden ouders; bereidt zich voor op haar dood. Daarom schrijft ze alles op. Uiteindelijk beseft ze, dat ze niet een echte kloon heeft, maar ‘een soort aftreksel’. Alleen de superrijken, 1% van de bevolking, die 99% van de rijkdom bezit, hebben de beschikking over steeds weer verse klonen waardoor ze welhaast onsterfelijk worden.

Je zou het boek kunnen zien als een waarschuwing voor de digitale, ver doorgevoerde technologische samenleving. Wat blijft er dan over van het zelfbeschikkingsrecht? En m.n. dat van ‘de armen’. En wie zullen de nieuwe dictators zijn? Wel een actueel thema in onze tijd van algoritmen, dwingende maatregelen en een twitterende Trump.

Het grimmige van het verhaal is, dat alle gebeurtenissen en ontwikkelingen als onvermijdelijk worden beschreven. Je verzetten of vluchten is onmogelijk. De ironische toon en de vele fantasievolle anekdotes, relativeren wel de ernst van de situatie.

Uitgeverij          Arbeiderspers, 2018
Pagina’s            139
Vertaald            uit het Frans door Mirjam de Veth (Notre vie dans les forêts)
ISBN                 978 9029 524 964

Recensie door Ammy Langenbach, januari 2021

Share

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress