Recensies

‘Wij zijn de wrekers over dit alles’ door Conny Braam

Dit is een huiveringwekkend historisch verhaal en in zijn gruwelijkheid bijna niet te bevatten. Schrijfster Conny Braam presenteert het in romanvorm, met een grote hoeveelheid dialogen. Het persoonlijke maakt dit verhaal tot een buitengewoon indrukwekkend document over een onmenselijke tijd in de geschiedenis.

Een groep zwarte mannen uit Zuidwest-Afrika (ex-Duitse kolonie, nu Namibië) wordt aan het begin van de Tweede Wereldoorlog geronseld als soldaten voor het Britse leger. Hoofdpersoon Jacob Witbooi heeft een technische opleiding en spreekt behalve zijn eigen taal Engels, Duits en Kaaps Hollands. Zijn vader is dominee en ‘kapitein’ van hun dorp. De vrouw van Jacob is overleden. Het dorp van Jacob is aan het begin van de Tweede Wereldoorlog onderdeel van het door de Britten aan Zuid-Afrika gegeven mandaatgebied. Ze leven daar in bittere armoede en onder zware omstandigheden, nog altijd gecommandeerd door de witte Duitsers, die er zijn blijven wonen.

Jacob heeft voor het Britse leger getekend vanwege het ‘Atlantisch Handvest’, opgesteld door Churchill, Roosevelt en Smuts, waarin staat dat ieder volk, dat aan de kant van de geallieerden heeft gevochten, zelfbeschikkingsrecht krijgt.

De eerste oorlogactie van de Tweede Afrikaanse Infanterie Divisie is tijdens de verdediging van de havenstad Tobroek. Het Britse leger wordt ingesloten door het Duitse Afrika korps van Rommel en Tobroek valt op 21 juni 1942 vanwege gebrek aan munitie. De Divisie wordt krijgsgevangen gemaakt en (alleen) de zwarte mannen worden te werk gesteld in de haven. Volgens de Geneefse Conventie (van 1929) mogen krijgsgevangenen niet werken ten behoeve van de vijand. Ze ‘slaan terug’ door Duits materieel te saboteren door bij voorbeeld suiker of zand in de tanks te gooien en spullen te jatten, zoals een radio waar ze via de BBC de situatie van de legers kunnen opvangen.

Vanwege de sabotage worden ze afgemarcheerd uit Tobroek en moeten 500 km lopen door het snikhete landschap van Afrika, naar Benghazi, waar ze met 1800 man worden ingescheept in het veel te kleine ruim van een oud vrachtschip. Het is ruw weer en ze worden alle kanten opgeslingerd. Geen toiletten, geen wasgelegenheid en nauwelijks eten; alles onder toezicht van Italiaanse militairen. (Later horen ze dat Benghazi twee dagen na hun vertrek door de geallieerden werd bevrijd.)

Ze komen op 23 november 1942  aan in Napels, waarna ze met treinen verder naar een krijgsgevangenkamp in een klein plaatsje in de Apennijnen worden vervoerd. Hun kapitein is een witte Boer, Dirk Geldenhuys. Hier verblijven ze 15 maanden. De Italiaanse bewakers zijn wreed en onverschillig, maar de mannen mogen wel de boeren op het land helpen. Ook hier proberen ze te saboteren om te kunnen ontsnappen. Jacob wordt er verliefd op een Italiaanse.

Sergeant Jacob Witbooi probeert zijn groepje overeind te houden en te beschermen waar hij kan. Onder in zijn rugzak heeft hij een atlas waarmee hij probeert te bepalen waar ze zijn.

Het wordt 8 september 1943. Italië heeft gecapituleerd. De Duitsers hebben Italië bezet en Mussolini is in zijn functie hersteld. De groep van Jacob helpt de partizanen, waartoe ook zijn geliefde behoort. Ze doen met gevaar voor eigen leven mee aan overvallen, o.a. op transporten naar Monte Casino. Ze worden verrast in een hinderlaag en op 28 januari 1944 in treinen op straftransport gesteld naar een hun onbekend werkkamp.

Ze arriveren vermoeid, stinkend en verslapt van de honger in Stalag VIII, een buurkamp van Auschwitz. Daar zijn 60.000 gevangenen, die moeten werken in een verffabriek in oprichting, waar olie wordt geproduceerd om het militaire materieel van de Duitsers rijdende te houden, nu de Kaukasus is weggevallen. Ze gaan door met sabotage, omdat daardoor de oplevering van de fabriek vertraging oploopt. De ontdekking ervan kost een aantal gevangenen het leven.

Dan is het 19 januari 1945 en het kamp wordt leeggemaakt. De mannen worden afgemarcheerd naar een kamp 80 kilometer verderop. De Duitsers willen de zwarte militairen doodschieten om met minder man te kunnen lopen. Een bombardement redt ze van de Duitsers: ze zijn ‘bevrijd’. Met Dirk Geldenhuys als hoogste officier lopen ze in winters Polen de ijzingwekkendste tocht die ze tot nog toe hebben gemaakt. Maanden later komen ze aan in Neurenberg, met achterlating van hun dode kameraden.

De kracht van dit boek ligt in de omgang van de krijgsgevangenen met helse ontberingen, zoals extreme hitte, bittere kou, wrede straffen, honger, gebrek aan kleding, schoeisel en hygiëne. En hoe de groepen met elkaar omgaan. Elke groep kijkt wel neer op een andere, zoals de Britten op de Boeren en de Ieren, en alle witte militairen uit de Gemene Best op alle andere zwarte- en gekleurde militairen. Zwarte militairen worden voortdurend achtergesteld bij de witte, die hen ook nog eens ‘koloniaal uitschot’ noemen. Hun slaapplaatsen zijn altijd bij de latrines. Telkens weer zijn er confrontaties tussen zwart en wit, waarbij Joods wel wit is, maar net zo slecht behandeld wordt als zwart.

Wat na de drie jaren van krijgsgevangenschap blijft is de kameraadschap en de vindingrijkheid van het groepje zwarte Afrikanen van Jacob Witbooi. Diens Joodse kameraad bv weet dat hij door de Duitsers zal worden vermoord. Jacob ruilt met hem van militair naamplaatje, waardoor hij nu de Joodse Moritz Rabinowitz is en zijn vriend de Lutherse Jacob Witbooi. Als Jacob later uitlegt hoe het komt dat hij als zwarte man Joods is, neemt niemand hem serieus.
Heeft hij Moritz hiermee gered?

Pas later, onder de meest afschuwelijke omstandigheden, groeit er wat kameraadschap tussen de witte Boeren en de zwarte soldaten, maar als de omstandigheden weer beter worden, worden de Boeren weer bevoordeeld en de zwarte soldaten opnieuw achtergesteld.

Vanuit Neurenberg komen de Zuidwest-Afrikanen tenslotte thuis. De Britten en Amerikanen maken hun beloften niet waar. Zo ook de Zuid-Afrikaanse premier Verwoerd, die de apartheid invoert. Ze krijgen segregatie, geen zelfbeschikkingsrecht en ook geen wraak.

Conny Braam schrijft romans sinds 1992, ze is journaliste en was in 1971 een van de oprichters van de Anti-apartheidsbeweging.

Uitgeverij            Atlas Contact, 2020
Pagina’s              384
ISBN                   978 9025 451 639

Recensie door Hannah Kuipers, oktober 2020

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress