Recensies

‘Mathilde’ door Leïla Slimani

Na het lezen van De perfecte oppas (Chanson douce), dat de Prix Goncourt kreeg en een wereldwijde besteller werd, was ik razend benieuwd naar Mathilde, deel 1 van de trilogie Het land van de anderen. Leïla Slimani baseerde deze roman op haar eigen familiegeschiedenis.

Het verhaal begint in 1947, als Mathilde vanuit Mulhouse met haar kersverse echtgenoot Amine in Marokko aankomt. Je kunt je voorstellen dat het een enorme schok moet zijn om vanuit een redelijk welvarend burgerbestaan in de Elzas terecht te komen in een dor land: “niet meer in Toscane, dacht Mathilde, maar in de Far West.”De ezelskar waarmee ze vanuit Rabat reizen houdt stil bij een “onooglijk wit gebouwtje, met een dak dat niet meer was dan een stuk golfplaat. Het was geen huis, maar een reeks schamele kamers achter elkaar, die vochtig, klein bemetenen donker waren….”    (pag 14). Tel daarbij op dat Amine, zodra hij in zijn vaderland terugkeerde de gewoonte van de machocultuur zonder meer overnam en van zijn vrouw verwachtte dat zijn wil wet was en je kunt begrijpen dat voor Mathilde het avontuur al snel een domper werd.

De Franse titel is niet voor niets La guerre, la guerre, la guerre. Behalve de Tweede Wereldoorlog – Amine vocht voor en in Frankrijk, zoals zovele Noordafrikanen – is het ook de tijd van het nationalisme. Omar, de jongere broer van Amine, is een hartstochtelijk voorvechter van de onafhankelijkheid, die in 1956 een feit werd. Dan is er ook nog de ‘oorlog’ tussen de seksen. Het knettert af en toe flink tussen de echtelieden en meermalen zijn we getuige van bruut geweld tegen vrouwen. Toch gaat Mathilde niet weg bij Amine. Zich schikken in haar lot doet zij ook niet, maar probeert er het beste van te maken. Ze leert Arabisch in de keuken van haar schoonmoeder, die veel respect toont voor de geletterde Mathilde. Ze stuurt haar dochtertje naar een christelijke school en min of meer bij toeval raakt zij bekend als genezeres van de landarbeidsters uit de buurt. Al snel heeft zij een geïmproviseerde kliniek, waar de vrouwen met allerlei kwalen bij haar komen. Amine staat achter haar in dit opzicht: ”Liefdadigheid is een moslimplicht.”  “Het is ook een christenplicht.” “Dus zijn we het eens. Daar hoeven we geen woorden meer aan vuil te maken.”  (pag 156).

Als haar vader overlijdt gaat Mathilde voor een maand terug naar Frankrijk, Amine legt haar niets in de weg. Ondanks het cultuurverschil houdt hij van zijn stoere, eigenzinnige vrouw en dat gevoel is wederzijds. Daarom, en tevens door de kille houding van haar oudere zus, gaat zij na wat twijfel terug naar het zware bestaan in Marokko.

De roman bestaat uit korte scènes en er wordt behoorlijk met tijd en perspectief gesprongen. Dat maakt het verhaal levendig en echt. Er wordt veel open gelaten. Er zijn veel stemmen en samen scheppen zij het beeld van een samenleving op het Marokkaanse platteland in de periode 1945-1955.
Leïla Slimani, die ook interviews heeft gepubliceerd over de dubbele seksuele moraal in Marokko, fileert de maatschappij van dat moment. Het is een periode van onderdrukking: Fransen maken er de dienst uit; mannen onderdrukken hun vrouwen, moeders en zussen. De gewezen soldaat Mourad verbergt zijn homoseksuele gevoelens voor Amine, met vreselijke gevolgen voor hemzelf en anderen. Deze beschrijvingen zijn heel raak, nooit veroordelend, maar met een zeker mededogen. Dat tilt de roman uit boven een familiegeschiedenis. Het is veel meer een inkijk in een wereld waarover nog niet zoveel geschreven is, maar die duidelijk maakt hoe er ook toen geworsteld werd met identiteit, gevoelens van eenzaamheid en overleven.

Belangrijk is de rol van Aïcha, het dochtertje van Mathilde en Amine. Het gevoelige, angstige meisje wordt op school geminacht en gepest door klasgenoten, ondanks of wellicht dankzij haar begaafdheid, haar anders-zijn. Zij lijdt daaronder, maar vertelt thuis niets. Als de ouders op school worden uitgenodigd om te praten over een klas overslaan antwoordt Mathilde:  “Als u denkt dat het goed voor haar is.” En dan: “Toen ze weer bij Aïcha kwamen, die braaf op straat op hen stond te wachten, keken ze nieuwsgierig naar haar, alsof ze haar voor het eerst zagen. Dit kind, dachten ze, was hun vreemd, ondanks haar jonge leeftijd had ze een ziel en geheimen, iets eigenzinnigs dat zij niet konden begrijpen of invoelen. Dit bleekneusje met knokige knieën en een moe gezicht, dit meisje met haar stugge bos haar, was dus heel intelligent.”    (pag 138)

Pas op de laatste regels lijkt Aïcha wraak te nemen voor haar onderdrukking, als ze vanaf de heuvel waarop hun huis staat uitkijkt over de brandende huizen van de kolonisten: “Het vuur verzwolg de jurken van de lieve kleine meisjes, de deftige mantels van de mama’s, en de diepe kasten warin de dure, hooguit eenmaal gedragen japonnen in lakens gerold werden opgeborgen. De boeken waren tot as verbrand, net als de erfenissen die uit Frankrijk waren gekomen en vol trots waren uitgestald voor de ogen van de mensen van hier. ”Ze geniet van dit schouwspel. “Laat ze branden, dacht ze. Laat ze ophoepelen. Laat ze creperen.” (pag 313)

Zal de vertaalster deel 2 van de trilogie Aïcha noemen? Ik kijk er naar uit.

Uitgeverij      Nieuw Amsterdam, 2020
Pagina’s       318
Vertaald        uit het Frans vertaald door Gertrud Maes   (La guerre, la guerre, la guerre)
ISBN             978 9046 827 000

Recensie door Elsje Smit, september 2020

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress