Recensies

‘Een van ons’ door Christine Otten

De hoofdpersoon in deze roman is schrijfster Katrien Achenbach. Ze lijkt zich in een soort midlife crisis te bevinden. Ze heeft geen werkelijk contact met haar moeder in het verpleegtehuis. Haar twee dochters leven hun eigen leven en haar man woont in Hamburg en komt alleen in het weekend thuis.

De schrijfster probeert zingeving, liefde en vriendschap te vinden. Ze laat langgestraften in de gevangenis over hun leven schrijven in de door haar begeleide workshops. Schijf over je herinneringen, zegt ze, want je herinneringen ben je zelf. Het maakt niet uit of het een verzonnen of een echt gebeurd verhaal is. Ze is niet geïnteresseerd in wat je op je kerfstok hebt.

De gevangenen bekijken haar met wantrouwen. Ze dagen haar uit en stellen haar naïviteit op de proef; hebben lak aan haar bekentenissen.
“Het punt is, zegt ze; als ik naar de mannen in de groep luister, naar wat ze soms in een half uur opschrijven, dat ik alle moed verlies zelf nog niets te bedenken.”    (pag. 99)

De levenslang gestrafte Luc S. doet niet mee aan de workshops, maar volgt haar met argwaan en schrijft in zijn dagboek zijn waarnemingen in feilloos proza op. Hij is meedogenloos, zowel over zichzelf en zijn misdrijf als over haar.
“Ze wil beter worden door ons, niet met ons, maar alleen echte onbaatzuchtigheid levert in de bak wat op. Ze is een spion, een mol. Ze is hier met een tweeslachtig doel; daarom haat ze zichzelf. Daarom smeekt ze om goedkeuring, een omhelzing, aanraking.”     (pag. 148)
“Ik kijk dwars door die schalkse pseudo-intellectuele blik van haar de diepte in en ik zeg je: het is er donker en het tocht. In wezen verschillen zij en ik niet zoveel. Dat ze zich laaft aan anderen, aan hun adem, bloed en ziel, aan hun verhalen, als een vampier.”      (pag. 101)

De deelnemers aan de workshops – veelal met een migratieachtergrond – vertrouwen haar hun schrijfsels toe, zoals de jongen Yahya, die binnenkort vrijgelaten zal worden en hoopt op een nieuwe carrière als schrijver.
“Alsof hij (Yahya) een lasso om mijn hals gooide en die steeds verder aantrok. Pijn deed het. Zijn overgave, doorzichtigheid, de potentie van het materiaal, de hardheid ervan, de schoonheid, die erin verstopt zit. Het besef, dat mij dat al die jaren niet meer lukt; zo onbevangen schrijven, leven zo vrij, dat het misschien wel nooit meer gaat lukken.”    (pag. 144)

De schrijfster kan het succes van Yahya niet aan en kiest ervoor om hem te vernederen en te ontmoedigen. Luc helpt hem als een vader over de teleurstelling heen en biedt hem een nieuw perspectief.
Uiteindelijk kan de schrijfster de verschillen niet aan en beseft ze min of meer, dat je je eigen leven buiten de muren niet zinvoller kunt maken met de hulp van de levens van mensen binnen de muren. Je blijft gewoon een buitenstaander. Ieder moet zijn eigen ding doen, zoals Yahya haar aanraadt als hij vrijkomt.

Het leven in de gevangenis en de onderlinge relaties (ook met de bewakers) wordt genuanceerd –vaak met humor- beschreven. De schrijfster speelt veel met de taal; zowel door gebrek aan leestekens als de vaak wisselende perspectieven. Dit maakt de tekst wel wat onrustig.

Uitgeverij      De Geus, 2020
Pagina’s       238
ISBN             978 9044 541 038

Recensie door Ammy Langenbach, augustus 2020

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress