Recensies

‘Fonkelend van woede’ door Soraya Chemaly

Soms tref je een boek dat je tegelijkertijd triggert en tegenstaat. Fonkelend van Woede van Soraya Chemaly is er zo een. De titel en de thematiek klinken verfrissend en creatief. “Boosheid is een krachtig middel voor verandering,” zegt Soraya Chemaly op de achterflap. “We moeten boosheid onderkennen als een kracht en ernaar handelen.”

Als dochter van de tweede feministische golf ben ik opgevoed met de aansporing om assertief te zijn, mijzelf uit te spreken, voor mijzelf op te komen. Hoewel, dat geldt maar deels. Ik heb ook genoeg boodschappen meegekregen over nette bescheiden meisjes die hun plaats moeten kennen. Sindsdien was ik deel van de derde en de vierde en de vijfde en wie weet welke feministische golf nog meer. Dit boek vormt een goede aanleiding om weer eens te spiegelen wat ik nou met boosheid doe. Of ik boosheid voldoende inzet om de wereld te veranderen. Of dat beter kan.

De inleiding zet de toon: “Dag woede, prettig kennis te maken”. Ze begint met het beschrijven van het bordenslinger-incident met haar moeder. Als jong meisje zag ze haar moeder rustig en weloverwogen, zonder ook maar een onvertogen woord, een stapel borden van het balkon af gooien toen ze ergens boos over werd. Er werd verder geen woord aan vuil gemaakt. “Ze kon boos zijn zonder boos te lijken. Haar boosheid moest eruit, maar wel op een manier die expliciet gescheiden bleef van haar relaties met anderen. Je boosheid op die manier botvieren is niet hetzelfde als boosheid zien als iets dat je kunt inzetten om de wereld om je heen te veranderen.” Een herkenbare anekdote. Niet dat mijn moeder niet soms duidelijk liet zien en horen dat ze boos was, integendeel. Maar als ik nu terugkijk zat er ook vaak machteloosheid in.

Dan volgen een reeks hoofstukken waarin het thema wordt uitgediept. Hoofdstukken met prikkelende titels als: Vrouwen zijn geen broodroosters, Kijk eens wat vrolijker, schatje, en Drup, drup, drup. Ze begint met de opvoeding, een voorbeeld dicht bij huis. Haar dochter zit op de kleuterschool en speelt met blokken die doorlopend door een jongetje worden omgegooid. Er wordt een beroep gedaan op haar redelijkheid, ze wordt aangespoord om niet boos te worden. Moeder Chemaly grijpt in en spreekt de jongen aan. “Door het idee te verspreiden dat meisjes niet boos maar verdrietig zijn en te eisen dat dat ze hun boosheid voor zich houden, geven we aan dat de behoeften en gevoelens van vrouwen sociaal niet meetellen…Verdriet als emotie gaat gepaard met acceptatie. Boosheid stelt ons juist in staat om de wereld te veranderen en terug te vechten.”

Het fenomeen dat vrouwen hun hele leven proberen om de mening van anderen te eerbiedigen typeert zij treffend als een ‘cosmetische koepelgevangenis’. En boosheid is niet compatibel met eerbied. Als we onze meningen objectiveren verliezen we ons vermogen om subjectief te zijn, en subjectiviteit is nu juist een voorwaarde voor boosheid. Je kunt niet boos zijn zonder het te hebben over ik en over je eigen perspectief, als het ware ongehoorzaam en rebels je boosheid te uiten en tot actie op te roepen. Dat wordt als bedreigend ervaren. Het heeft nog een andere kant. De ervaring van het onrecht van ingehouden boosheid leidt tot mentale en fysieke pijn, tot depressie en chronische pijn.

En dan de zorg. Het merendeel van de (mantel)zorg, ook in Nederland, wordt verricht door vrouwen. Soraya Chemaly benoemt terecht wat vaak te weinig wordt belicht: “De onbetaalde en ondergewaardeerde (mantel)zorg die vrouwen leveren kan met recht de grootste welvaartsoverdracht in onze hedendaagse economie genoemd worden.” Ze citeert Gloria Steinem die dit de masculinisering van de rijkdom noemt. Het doen van dit waardevolle vaak ongeziene en veelal onbetaalde werk vraagt veel emotionele arbeid, die vrouwen uitput en van zichzelf vervreemdt. “Maar daar boos over worden is weer zo… nou ja, lelijk.” In een volgend hoofdstuk roept ze op om te werken aan een cultuur waarin ‘vrouw’ niet meer gelijkstaat aan ‘moeder’, of ‘moeder’ aan ‘opoffering’.

Schatje kijk eens wat vrolijker’. ‘Drup drup drup’. De titels van deze hoofdstukken zeggen eigenlijk genoeg. Het dagelijkse fysieke en sociale geweld en de angst die dat teweegbrengt, de dagelijkse subtiele vooroordelen en de onbewuste discriminatie die je als vrouw ervaart. Dit schatje werd beslist niet vrolijker van het lezen van deze hoofdstukken. Herkenbare beelden. Gelukkig niet altijd mijn eigen ervaring maar het weten dat dit dagelijks overal gebeurt is pijnlijk genoeg. Soraya Chemaly zet het weer eens allemaal op een rijtje en roept op om boosheid te gebruiken als een emotie die je daarin beschermt, die je inzet om dreigingen te trotseren. Iedere keer weer zijn dat kleine haarden van verzet. Want “als we vrolijk kijken, moet dat zijn omdat we dat zelf willen”, stelt ze.

Epistemisch onrecht is vaak nog subtieler. Met die term wordt bedoeld dat de spreekster vanwege vooroordelen van de kant van de luisteraar onbetrouwbaar of ongeloofwaardig wordt gevonden. De waarde van haar stem wordt als het ware onrecht gedaan. Dat heeft ook een zogenaamde hermeneutische component; je omgeving ontkent je ervaring en/of is nog niet in staat om er begrip voor te ontwikkelen. Boosheid kan een creatieve motor zijn voor een tegengeluid. Een van de vrouwen van de actiegroep achter #YesAllWomen maakt een sterk statement: “Ik ben hier. Dit is mijn mond. Dit is mijn stem. Jullie kunnen me niet het zwijgen opleggen.”

Soraya Chemaly stelt hele relevante en actuele vragen aan de orde. Waarom zou een maatschappij meisjes en vrouwen van de wieg tot het graf het recht ontzeggen om boosheid te voelen, te uiten en te benutten zonder het respect van hun omgeving te verliezen? Boos zijn heeft een slechte reputatie, terwijl het eigenlijk een van de meest hoopvolle en vooruitdenkende emoties is. Boos zijn leidt tot verandering, toont onze passie en zorgt ervoor dat we ons verbonden voelen met wat er in de wereld gebeurt. Het overbrugt de kloof tussen wat ‘is’ en wat ‘zou moeten zijn’.

Het lezen van dit boek (hoewel niet altijd een genoegen, waarover later) was voor mij inderdaad een spiegel. Het riep op tot hernieuwde bewustwording, strijdbaarheid en solidariteit. Ik herkende me in haar standpunt, in haar verontwaardiging over maatschappelijk onrecht en…ik realiseerde me dat ik als assertieve vrouw toch ook menigmaal de ontregeling die boosheid kan en moet teweegbrengen heb ontweken. Was dat nou mijn opvoeding? Of sociale druk? Ik denk dat het allemaal wel eens een rol speelde. Hoe dan ook, het is een hardnekkig patroon. Hardnekkiger dan ik zelf vaak denk.

Hoogleraar Economie Henriette Prast benoemt die verwarring helder en legt tegelijk een nuchtere en praktische link naar de economische component van de dynamiek die Soraya Chemaly schetst (Volkskrant 13-12-2019): “Vrouwen die goed onderhandelen, zo leert gedegen onderzoek, worden minder vaak aangenomen…Impliciet eist de cultuur dat een meisje bescheiden is en niet inhalig. … Vrouwen zijn de enige groep mensen met wie vrijwel niemand solidair is…. Die moeten hun achterstelling en discriminatie zelf bestrijden…. Ze zijn op allerlei manieren in liefde verbonden met de man, terwijl het masculiene in de cultuur ze benadeelt. Dat is een lastige strijd. En een verwarrend rollenspel.” Inderdaad, het is een verwarrend rollenspel.

Waarom staat het boek mij, ondanks die relevante vragen en adviezen, tegelijkertijd tegen? Allereerst vanwege de eikenhouten stijl. De bekende Amerikaanse mix van kleine verhaaltjes, veel informatie gelardeerd met een eigen mening die heel goed kan werken werkt hier vaak niet. Want hij wordt niet goed uitgevoerd. Het is te rommelig en te wijdlopig, waardoor het verhaal aan helderheid verliest. De toon is soms te drammerig en geeft te weinig ademruimte. Juist een zware boodschap wordt niet minder ernstig van af en toe een lichte toets. Het verhaal kan er juist krachtiger van worden. Nu is het soms echt doorbijten.

Er was nog een aspect waarin het boek mij teleurstelde. Van een schrijfster die met zoveel passie de veranderkracht van boosheid belijdt verwacht je in ieder geval een paar nieuwe perspectieven. Maar de laatste hoofdstukken daarover overtuigen mij niet. Het boek is een overtuigend betoog over wat er nog steeds structureel scheef zit in de verhoudingen tussen man en vrouw, Soraya Chemaly maakt een overtuigend punt dat boosheid een creatieve kracht kan zijn die vaker moet worden aangeboord. Maar dat is het individuele verhaal. Ik mis de lijnen naar een politiek-economische visie, lijnen die Henriëtte Prast ook aanstipt. Ik moest vaak denken aan wat Tine Halkes, hoogleraar feministische theologie ooit kort maar krachtig zei toen wij spraken over het feminisme: “Feminisme is cultuurkritiek.” Het gaat er om zowel kritisch te zijn over de sociale-economische en politieke verhoudingen die ons expliciet en impliciet bepalen, als om het ontwikkelen van een nieuwe taal, een taal die nieuwe handelingsperspectieven en verhoudingen kan scheppen.

Nina Weijers spreekt daarover in Een gezicht zijn, bij de opening van het academisch jaar van de Radboud Universiteit. Ze wil het niet meer zeggen, sorry. Steeds maar sorry. “We worden in andermans taal geboren, en ook later in ons leven komen we terecht in andermans taal… We leren taal via hen, en als wat we denken inderdaad berust op verbale structuren, komt ons denken dus ook van hen”. Niña Weijers wil spreken vanuit een positie. “Ik wilde een stem die van mijzelf was”. Zij citeert Audre Lorde: “What is most important must be spoken”. Ze heeft het over het belang van het spreken, van de weigering om gedefinieerd te worden in andermans taal. Dat spreken moet een Ander, een luisteraar tegenover zich vinden. De luisteraar is net zo belangrijk als de spreker, die moet niet verdwijnen uit het spreken. Luisteren is een vorm van spreken. Ze refereert aan het lange en weerbarstige gesprek dat Audre Lorde eens voerde met haar vriendin Adriene Rich, waar zij ondanks pijnlijke verschillen van inzicht met elkaar in gesprek bleven. Ze noemt dat een nieuwe manier van luisteren, een waarin je door je weerstand heen luistert.

Het was de moeite waard om Fonkelend van woede te lezen, hoeveel uithoudingsvermogen het soms ook vroeg. Wat zij aanroert is pijnlijk, dat valt niet te miskennen. Helaas ondersteunt de manier waarop zij dat doet haar verhaal niet altijd, maar dat maakt het niet minder relevant. Het zet je aan het denken en maakt je ontvankelijk voor andere inspirerende stemmen, zoals als die van Henriëtte Prast en Niña Weijers. Hoe jij je boosheid laat fonkelen is deels een individuele zoektocht, maar zeker niet alleen. Het is ook steeds weer een gezamenlijk ‘worden’, in spreken en luisteren.

Uitgeverij                  De Geus, 2018
Pagina’s                   415
Vertaald                    uit het Engels door Patricia Piolon (Rage Becomes Her. The Power of Women’s Anger)
ISBN                         978 9044 541 533

Recensie door Ine van Emmerik, januari 2020

 

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress