Recensies

‘Frankusstein’ door Jeanette Winterson

Het leven lijkt alleen gewoon wanneer we het leven. Wanneer we het vertellen, zijn we vreemden omringd door het vreemde.” (pag 195)

Frankusstein vangt aan in 1816, als de dichters Lord Byron, Percy Shelley, diens vrouw Mary, haar halfzuster Claire, en Byrons lijfarts Polidori in een buitenhuis aan het Meer van Genève verblijven. Onophoudelijke regen houdt hen noodgedwongen aan huis gebonden. Om de verveling te bestrijden besluit het gezelschap elkaar spookverhalen te vertellen. Gedreven door discussies over de dood, sterfelijkheid, het beginsel van de man, vrouw en de verhouding tussen lichaam en geest, vloeit hieruit het bekende Frankenstein van Mary Shelley voort. Tijdloze discussies, die ook hun hedendaagse equivalenten nog altijd onderhouden:

Is de inhoud niet ook de context? vraag ik hem. Je ervaringen, je omstandigheden, de tijd waarin je leeft? Het bewustzijn staat niet op zichzelf; het is met alles verbonden.” (pag 124)

Aan het woord is de jonge arts Ry Shelley, uit de 2e verhaallijn, die in het heden speelt. Hij is transgender, geboren in het lichaam van een vrouw en na een serie uiterlijke ingrepen nu zelfbenoemd ‘hybride’. Hij richt het woord tot Victor Stein, die hij heeft ontmoet tijdens een conferentie over kunstmatige intelligentie in het Amerikaanse Memphis. Victor is een vooraanstaand computertechnicus, die de menselijke geest wil bevrijden van zijn lichaam door deze te digitaliseren en te uploaden. Het lichaam is een ballast, zo vindt hij, dat enkel begrenzingen geeft.Ry, die juist een eenheid heeft gevonden tussen zijn/haar lichaam en geest, intrigeert hem.

Maar wanneer wij ons lichaam kwijtraken -wij niets meer zijn dan onze geest- wat zijn wij dan nog anders dan een verhaal?
De mensheid kan niet veel werkelijkheid verdragen.” (…) “Daarom verzinnen we ook verhalen, zei ik. En als we nu het verhaal zijn dat we zelf verzinnen? vroeg Shelley.” (pag 65)

Door herhalingen in stijl en opbouw in de beide verhaallijnen, afgewisseld met precies gekozen citaten, laat Jeanette Winterson heden en verleden, feit en fictie, in elkaar vervloeien. Zo onderzoekt ze de waarde van het lichaam, van de geest, en het samenspel daartussen. Elk personage neemt hierin zijn eigen positie in; de uitersten: levend vanuit enkel de geest (Victor, Shelley), en het lichaam (Lord Byron); en daartussenin (Mary, Ry).

Wanneer er geen taal is, of wanneer er nog geen taal is, bedacht ik, kan de geest zich niet troosten. En toch worden we eerder gekweld door de taal van onze gedachten dan door het geweld of de ontberingen van de natuur. Hoe zou het zijn -nee, wat zou het zijn? Niet hoe. Het valt namelijk nergens mee te vergelijken. Wat zou het zijn om een wezen zonder taal te zijn- geen beest, maar iets wat dichter bij me staat?” (pag 8)

Zo beklemmend als het lichaam Victor aandoet, zo kan ook taal een mens gevangen houden, lijkt Jeanette Winterson duidelijk te willen maken. Haar hoofdpersonage Mary Shelley is op zoek naar “iets wat dichterbij haar staat”. Een woordeloze identificatie tot acceptatie van zichzelf -onszelf, in bredere zin- ongeacht de vorm waarin we zijn gekomen. Taal staat hierbij tussen ons en de werkelijkheid in. Jeanette Wintersson erkent de naarstige behoefte van de mens zich te identificeren met een concept of begrip (man- vrouw, mens- machine). Echter, deze conventies en (taal)constructies waar we onszelf in vast- en uitgelegd hebben, doen ons in onze huidige samenleving steeds vaker geweld aan. Zij zijn geen afspiegeling van de fluide ‘taalloze’ ik. De ‘lichaamsloze’ ik, zo Victor wil.

De dingen die zo solide en zo zeker lijken maken in werkelijkheid deel uit van een onophoudelijk historisch proces van sloop en wederopbouw van de geschiedenis, waarbij de woeligheid van het verleden tot mijlpaal wordt omgevormd, tot icoon, tot traditie, tot een zaak die we verdedigen, steunen- tot het tijd wordt om de sloopkogel te laten komen. (…) De geschiedenis wordt constant herschreven.” (pag 84)

Jeanette Winterson laat duidelijk merken dat het haars inziens weer tijd is voor die sloopkogel, dwars door de huidige conventies en samenlevingsnormen. Frankusstein is haar moedige poging tot het overbrengen van deze krachtige boodschap. De kluchtig aandoende, hedendaagse verhaallijn leidt hier helaas bij tijd en wijlen vanaf, en haalt de vaart uit het lezen.

Desalniettemin pleit Jeanette Winterson met Frankusstein voor een radicale verandering in denken. Ze besluit dan ook met de vraag: “Zullen we opnieuw beginnen?” (pag 369)

Uitgeverij          Atlas Contact, 2019
Pagina’s            373
Vertaald            uit het Engels door Arthur Wevers (Frankisstein)
ISBN                 978 9025 455 514

Recensie door Céline, november 2019.

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress