Recensies

‘Verborgen tuinen’ door Anneke Brassinga

Anneke Brassinga werd op 20 augustus 1948 geboren in Schaarsbergen. Ze volgde van 1967 tot 1972 de opleiding Literair Vertalen aan de Universiteit van Amsterdam.
Ze vertaalde o.a. Beckett, Forster, Highsmith, Auden, Bruch, Nabokov, Orwell Proust, Rousseau, Verne en Wilde.
In 1974 verscheen proza en poëzie van haar onder de schuilnaam A. Tuinman.
Maar in 1980 werd ze tijdens het vertalen van de poëziebundel ‘Ariel’ van Sylvia Plath zo gegrepen door dit werk, dat ze zich is gaan toeleggen op gedichten schrijven. Voordat Verborgen tuinenuitkwam verschenen 12 poëziebundels en 7 prozawerken. En dat naast het vele vertalen!
Twee van de poëziebundels, Wachtwoorden, hebben als inhoud verzamelde herziene gedichten. Anneke Brassinga blijft haar teksten namelijk bijwerken en die veranderingen komen in herdrukt werk te staan. Zelf zei ze eens over dichten dat het “een spel is, waarbij je je eigen regels maakt en invallen en gedachtesprongen kunt losmaken waar je op een andere manier niet zo snel opkomt.”

In deze nieuwe bundel is te ontdekken wat deze mét – en ín taal levende schrijfster ditmaal zoal bij elkaar speelde. Ten eerste: lauw is het nergens; het onderste zal uit de kan gehaald worden en dat graag via zich aandienende wendingen. Verborgen tuinenslaat niet alleen op tuinen die tevoorschijn kunnen komen, zoals op de voorplaat te zien is, maar op alles wat zich aan kan aandienen vanuit alle kanten, die nergens overzichtelijk zijn. Anneke Brassinga probeert in woorden te vatten wat maar ontdekt kan worden. En dat vatten is niet blijvend, want dat zou kunnen suggereren dat er iets echt te begrijpen is, terwijl alles in beweging blijft, verschijnend, veranderend, verdwijnend. Zo wordt in Hemellichten het bestaan in het heelal een stukje verkend. Een paar regels eruit:

“Uit elke gedachte vonkt een steenworp op
die aan het uitspansel verschijnt, nieuw sterrenschrift –
om honderden levens later te herlezen bij nacht, 

en dan de steelpan uit te vinden, of het wiel. Kortom:
het brandende woord verteert zich niet,
en in versteende lava slaapt de vulkaan. Wat sprong?

overal popelend, reken maar; hoe zou de wereld anders
voort nog moeten – en voort zal hij! Er is geen terug.
…..
Maar varend latend alle hoop op u die niet komt, niet
binnentreedt, besta ik minder dan de stoel waarop –
van verwachting brandend en in hemellicht uw wezen lezend  

als het komend wonderwerk van mij – vergeefs ik
eeuwig zitten was gebleven. Een stoel dient. Zonder aanzien
des persoons. Dat zij de ware kroon op onze wordings- 

worsteling! Wie, als verworpene, schopt het zo ver?
Wat mij nu nog beweegt – laat het de grote blindganger zijn:
een doffe zucht, voorspoedig eind aan u en heel ’t heelal.”            (pag.23)

Heerlijk voor de lezer om zich als geworpene in het onbegrijpelijk bestaan niet alleen te weten in zijn verwarrende onbepaaldheid en vrolijk op te kunnen veren bij het zich vergelijken met een stoel die het morele gebod van dienstbaarheid wél waarmaakt.
Het hele heelal met “u die niet komt” en het eigen denken daarbij is misschien louter spiegeling. Deze spiegeling, door het zover mogelijk reikende, tastende bewustzijn eindigt hier voorlopig met een doffe zucht. Het was ook nog eens een blindganger, wat betekent dat het altijd een verrassing blijft, welk doel zal worden getroffen. Gelukkig maar, want waarom zou Anneke Brassinga schrijven, wanneer ze van te voren wist welke associaties met welke woorden zouden verschijnen in haar brein?

Ook gebruikt ze in haar gedichten oude woorden, waarvan de klank betekenis geeft. Dat is bijvoorbeeld in Verzoekschrift aan filosofie:
“mijn valkenperspectief is gekrompen tot vierkante meters
mijn logica blijkt hier sof en beschamend…”
De klank ‘sof’werkt lichamelijk en dan komt er ook nog ‘beschamend’ achteraan om de sensatie van mislukking compleet te maken. Prachtig hoe in de eindregel een bestaande uitdrukking nieuw leven te vinden is: “geloof me je kunt me genezen van bittere troost.” Bij het beschrijven van de treurnis van het onvermijdelijke tekortschieten laat Anneke Brassinga onverwacht licht van verschillende kanten op de zaak vallen. Het biedt geen oplossing, maar wel een uitweg uit een vastlopend perspectief. Zo’n sprong lucht reuze op, wat lachen teweegbrengt bij alle melancholie.

In het eindgedicht Overgave onder protest komt het onbegrijpelijke bestaan weer met andere woorden aan de orde. We lezen erin:

“Hoe geef ik mij gewonnen aan u liefde
die zon en andere sterren stuwt en afmat-

u Grote zuster wier schoot een knusse rotonde
voor wielewalen zielen zware metalen eencelligen
atoomklokken en parallelle heelallen
…..
kortom in u is alles ja dus ook ik en de ergste dingen.
…..
Ik stem niet in maar leg mij neer ootmoedig.”           (pag. 98)

Meer aanhalen van het vele dat in de bundel staat, is in dit bestek helaas niet mogelijk. Na me in de gedichten te hebben begeven voel ik me in ieder geval eerder een zwervende, bewuste (in hoeverre en hoezo??) bewoner van het heelal dan van een bepaald straatje. Zelf in de bundel grasduinen is de enige manier om op eigen manier mee op ontdekking te gaan.

Uitgeverij      De Bezige Bij, 2019
Pagina’s        101
ISBN              978 9403 136 301

Recensie door Maud Ockers,  juli 2019

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress