Recensies

‘Kamers Antikamers’ door Niña Weijers

Wat heb ik eigenlijk gelezen vroeg ik me af, toen het boek uit was. Waar gaat dit boek over? Herlezend ‘kom ik er ook niet in’. Werkelijkheid, fantasie, dromen, verleden en angsten voor gebeurtenissen lopen door elkaar. Personages krijgen geen namen, maar worden ‘de kleine’, ‘de ander’, ‘haar vrouw’, of M genoemd. Perspectieven veranderen voortdurend.

Een half-dove schrijfster van 61 jaar of “een vrouw, die een boek wil schrijven”  filosofeert over het leven en over mogelijke en onmogelijke relaties en toekomst. Het speelt zich af tegen het decor van een Amsterdams kunstenaarsmilieu. De schrijfster leeft in een kamer in een Amsterdams kunstenaarshuis, gelegen aan een park, waar regelmatig filosoferend in gewandeld wordt met een hond en/of met vriendin M. (Verder in het boek wordt er ook nog een oudere, vaderlijke man M ten tonele gevoerd). Een combinatie van sterrenbeelden en mythologie lijkt een, overigens niet expliciet gemaakte, invloed te hebben op de aangegane relaties.

De jonge (31) ik-persoon in het boek heeft een ‘burgerlijk bestaan’ met man en kinderen. Ze wil een boek schrijven over dit ‘kalme geluk’, maar ze droomt over een vrijer leven en schaamt zich voor haar ‘escapades’.
“Het was een verlangen om begeerd te worden, zonder iets anders terug te verlangen dan zichzelf. Soms duwden de mannen haar hoofd hard in het matras, of sloegen ze haar op eigen verzoek. Is dit wat je wilt, vuile slet, En ze zei: ja, ja, alsjeblieft, sla me harder.”  (pag. 39-40)

Op een skivakantie in de Alpen wordt de ik-figuur door een medereiziger (een geluidstechnicus) van een zwarte piste gered.
Hij had me gered en ik wilde met hem vrijen. Tijdens de avonden, die er op volgden, probeerde ik dat gevoel terug te roepen. Maar hoe ik ook mijn best deed, het kwam niet terug. Het enige wat overbleef, was het verlangen door hem bijeengehouden te worden, maar dat kon ik natuurlijk niet van hem vragen. Zoiets kun je eigenlijk van niemand vragen.”   (pag. 67)

De ik-figuur wordt jaloers op de geluidstechnicus, die wel grote verhalen kan vertellen (over een gehandicapte jongen), terwijl zij, zich afzettend tegen het nut van het schrijverschap, niet kan ontkennen dat ze zelf “een gebrek aan betekenis heeft, of in elk geval gebrek aan iets waar ze woorden aan kan geven”.  

Verder in het boek is sprake van de beëindiging van een lesbische relatie, waarbij de geliefde haar gezin niet verlaat.
“Zij had voorgesteld elkaar te blijven zien, maar daarvoor had ik bedankt. Ik wilde haar maîtresse niet zijn en bovendien wilde ik haar maximaal krenken. Het deed me goed er aan te denken, hoe zij iedere ochtend wakker werd in haar koophuis, naast degene met wie ze was getrouwd; haar twee kinderen gillend aan te ontbijttafel, hagelslag en yoghurt op het parket, kinderzitjes in een lelijke gezinswagen; al dat burgerlijke gedoe waar mensen zich in vastdraaien om maar niet alleen te hoeven zijn. Ze kon onmogelijk gelukkig zijn zonder mij. Daarover voelde ik me, ondanks alles, tevreden.”   (pag. 101-102)

Vanaf pagina 123, waar een etentje met vrienden in het kunstenaarshuis beschreven wordt, wordt de lezer(es) ‘verrast’ met het bestaan van (ex-)echtgenoot Daniel en 4-jarig zoontje Arie van de ik-figuur. De beschreven relatie tussen moeder en kind voelt niet aan als ‘echt’, maar misschien is het ook wel een droom.
Vriendin M vertelt bij het etentje, dat ze in Bali was met haar vriendin en bedreigd werden door een man met een kapmes. Ze realiseert zich dat ze eigenlijk wilde dat haar vriendin vermoord zou worden, en dat ze niet ingreep, maar vanaf afstand alles gadesloeg. Door de ik-figuur wordt dit verhaal genadeloos afgedaan als een “gefabriceerde bekentenis. Niet bewust, maar toch. Schaamte waarover je kunt praten is hoogstens schaamte light, aangelengd met ijdelheid of een drang naar zogenaamde openheid en zelfkennis, allemaal uiteindelijk ook weer ijdelheid en narcisme.”   (pag. 145)

Daarna lijkt er wel enigszins chronologisch een verhaal te ontstaan van de jeugd van de ik-figuur (hoewel hier overgegaan wordt naar de derde persoon). Ze gaat terug (met een reisbeurs van het Letterenfonds) naar het eiland van haar jeugd (Curaçao?). Ze herinnert zich dat ze haar broertje bijna liet verdrinken en dat haar lesbische gevoelens boven kwamen. Ze herinnert zich de scheiding van haar ouders.
Ze begrijpt haar vader. Het is altijd haar vader die ze begrijpt. Pas veel later zal ze de volstrekte onredelijkheid hiervan inzien, het eeuwige wrede cliché van dochters, die hun moeders straffen om de mythes over hun vaders overeind te houden. Hun moeders, die er altijd zijn; hun vaders net genoeg om niet afwezig te lijken.”   (pag. 167)

De vakantie op het eiland brengt haar weinig. “Vakantie lijkt hier een oefening in sterven.” Ze zal vanwege de beurs een stuk schrijven over het eiland, maar “het zal te gepolijst zijn en te geforceerd politiek correct.”

Verderop wordt in een indringende en prachtig beeldende, humoristische, gedurfde stijl de lesbische liefde en het eind daarvan, beschreven tussen ‘de kleine’ en “de ander” in een kasteel (of een klooster, of een villa) in Frankrijk (of in Italië, of in Duitsland). Het doet er allemaal niet toe bij Nina Weijers.
“Hun fantasieën waren de gebruikelijke clichés van onschuld en onderwerping; misdaad en straf, maar de volle overtuiging waarmee ze die uitleefden op elkaar en de steeds wisselende posities van hoer en heilige, macho en meisje, leerling en meesteres, maakten ze in hun beleving volstrekt origineel. “    (pag. 193)

“Het ene sterrenteken houdt ervan thuis te zijn en trekt zich terug om aan de wreedheden van de samenleving te ontsnappen. De ander houdt er juist van onder de mensen te zijn. Geef daarom zo nu en dan een barbecuefeestje in de tuin. Op die manier blijft de een lekker thuis, terwijl de ander zijn vrienden aan zijn zijde heeft.”     (pag. 220)

De relatie loopt stuk; de kleine blijft wachten. De ander gaat terug naar haar vrouw. “Op een dag spraken ze af in een zakelijk café, waar alles vierkant was, zelfs het geluid. Ze spraken beleefd met elkaar en dronken cappuccino.”   (pag.224)

In het laatste hoofdstuk vliegt de ik-figuur naar New York, waar ze een tour zal maken om haar boek te presenteren. Toevallig (?) ontmoet ze hier opnieuw de half dove schrijfster, die weer kan horen. Het schrijverschap wordt humoristisch gerelativeerd. Samen blikken ze terug op de voorbije jaren, de dromen, de al dan niet geschreven boeken, de idealen en denken aan wat nog komen kan. “To be almost saved is to be totally lost.”    (pag. 237)

Kamers Antikamers is eerder een diepgaande verkenning van mogelijke en onmogelijke relaties, levens en situaties dan een boek met een kop en een staart. Daardoor blijft het vaak wat anekdotisch en – als een essay -afstandelijk. Wellicht komt dit ook omdat de schrijfster put uit eerder door haar geschreven korte verhalen en columns. Het cement (een onderliggend thema) en de samenhang wordt door mij node gemist, maar het boek is zeker vanwege de experimentele stijl voer voor literatuurcritici. Ongetwijfeld zitten er veel autobiografische elementen in, terwijl Niña Weijers ook put uit de levensverhalen van haar bekende vrienden en vriendinnen uit de Amsterdamse kunstwereld.

Uitgeverij      Atlas Contact, 2019
Pagina’s        239
ISBN              978 9025 445 614

Recensie door Ammy Langenbach, juli 2019.

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress