Recensies

‘De middelste dag van het jaar’ door Maria Stahlie

Het centrale thema van De middelste dag van het jaar is ‘schuld, boete en vergeving’ met de focus op ‘de balans opmaken’, als je ouder wordt.

De hoofdpersoon Sylvia Ciccierzky, twee keer gescheiden, is zestig geworden. Haar eerste man Tommy, vader van haar tweelingdochters, wonend in Chicago en isdrummer in een jazzband. Hij komt voor een optreden naar Amsterdamen en wil ook zijn ex-vrouw bezoeken. Omdat zijn ‘nieuwe’ vijftien jaar jongere vrouw hem net verlaten heeft, zoekt hij troost bij Sylvia en stelt haar voor om samen met haar oud te worden. Hij wil graag aan het eind van de dag antwoord hebben op zijn voorstel.

Deze vraag is voor Sylvia de ‘trigger’ om na te denken over zichzelf, over het leven wat ze tot dan toe geleid heeft en over haar (eenzame?) toekomst. Is ze wel de onafhankelijke, sociale, bewust levende vrouw, waar ze zichzelf voor houdt?
Sylvia is bezig met de vertaling van een Poolse verhaal, Een zachte baard. Het gaat over de traditie in een Pools dorpje, dat iemand pas begraven mag worden, als er minimaal één iemand is, die iets goeds over de overledene zegt. In dit verhaal over een overleden slechte man duurt het dagen voordat eindelijk de kapster van het dorp vertelt dat de man tenminste een zachte baard had. Wat is de ‘zachte baard’ van Sylvia?

Sylvia gaat met de opdracht voor de vertaling in haar tas wandelen door het snikhete Amsterdam. Ze denkt op deze vijfjarige sterfdag aan haar tweede man, de arts Andrei Kostin, en denkt terug aan haar leven met hem op een Grieks eiland. Andrei

Kostin had volgens iedereen vele ‘zachte baarden’. Hij raakte bevriend met de plaatselijke bevolking en respecteerde hun cultuur. Nadat Sylvia van hem scheidde (ze hield niet van het eiland en de mensen daar) vertrok Andrei Kostin naar Soedan, waar hij later is omgekomen in de burgeroorlog.

Wandelend naar Zorgvlied (prachtige beschrijving van de mensen met hun bezigheden, die ze tegenkomt) denkt Sylvia terug aan de begrafenis van Andrei Kostin en schaamt zich voor haar misplaatste rouw.
Kappen moest ze, kappen met haar misplaatste rouw; kappen met haar ongezonde verlangen naar de nabijheid van een man, die dood was, naar de nabijheid van een man, die ze dertien jaar daarvoor uit haar leven had verbannen.” (pag. 117)

Verder wandelend, komt Sylvia – het lijkt intuïtief – aan op de begraafplaats Zorgvlied, waar Andrei Kostin begraven ligt. Hier ontmoet ze Lucien, het destijds half Nederlandse/half Griekse vriendje van haar dochter Mirjam. Lucien is wel bewust naar het graf gekomen, omdat het de 5esterfdag is van Andrei Kostin. Hij had een enorme bewondering voor de goedmoedigheid en vergevingsgezindheid van deze man. Lucien is na een misdaad op het eiland, die hij samen met Mirjam gepleegd heeft, aan lager wal geraakt. Welke misdaad dit is, blijft bijna tot het eind van het boek geheim.

“Ik groeide op als een doodnormale eilandjongen, lapte op mijn zestiende wetten aan mijn laars, die ik nooit aan mijn laars had mogen lappen; verhuisde naar Parijs, waar ik nog een jaar heb gestudeerd maar niet voor één tentamen slaagde; ging in de horeca werken; ontmoette een meisje, dat tweemaal een miskraam kreeg; ik begon te drinken, ging terug naar het eiland; erfde het hotel van mijn vader, liet het hotel verkrotten; ontmoette Mariska, die een ticket voor me heeft gekocht zonder vragen te stellen…..and here I am.”
Lucien is naar het graf gekomen om vergiffenis te vragen, want alleen Andrei Kostin had kunnen accepteren, dat Lucien tegen de ‘orde der dingen’ was opgestaan en hem vergiffenis kunnen schenken.

Lucien is vervuld van zelfhaat. Sylvia probeert hem, samen wandelend, te kalmeren, maar vraagt zich steeds wanhopiger af, of zij zelf ook niet een slecht leven heeft geleid. Ze geeft geld aan goede doelen, is vriendelijk tegen iedereen, maar wil ze zich wel laten betrekken in het leven van anderen? Wil ze zich wel verbinden met (de pijn van) anderen?
Ze overdenkt opnieuw haar relatie met een buurtgenote, de fotografe Machteld van Ginneken, die met iedereen pijn wilde delen en geloofde in het goede van alle mensen en de wereld. Eerst probeert Sylvia met haar weerzin tegen het ‘etaleren van dit altruïsme’ (Machteld van Ginneken houdt een vlog bij van al haar goede daden), dichter bij de ziel van haar overleden man te komen. Andrei Kostin, die zijn opoffering voor armen en oorlogsslachtoffers met de dood moest bekopen en zijn goede daden altijd stil hield. Sylvia denkt, dat Andrei Machteld ook bekritiseerd zou hebben om haar ‘etalage van goede daden.’

Machteld van Ginneken had een 17-jarige pleegzoon in huis genomen. Hij was ‘opgegeven’ door Jeugdzorg, maar Machteld van Ginneken weet zeker, dat je iedereen kunt ‘redden, als je maar vertrouwen geeft’.
De jongen “wilde het zijn weldoenster inwrijven, dat haar liefdadigheid niet opwoog tegen zijn wreedheid. Ook zij zou hem terugsturen naar het tehuis waar hij vandaan kwam.” (pag. 145)

Toen de jongen zijn wreedheid en haat tegen iedereen en tegen zijn pleegmoeder omzette in een daad, nam Machteld de verantwoordelijkheid en bijpassende gevangenisstraf op zich. Sylvia is toevallig op de hoogte geraakt van de onschuld van Machteld van Ginneken, maar heeft dit nooit bij justitie gemeld. Nu, terwijl ze dit aan Lucien vertelt, vraagt ze zich af of ‘iets nalaten’ niet een even grote misdaad is als ‘iets doen. Heeft ze eigenlijk haar hele leven niet in ‘lauwheid’ geleefd? Heeft ze niet altijd gekozen voor de zekerheid van een kabbelend bestaan?
Ze voelt zich wanhopig worden: “wanhoop, die niet aan de oppervlakte ligt, zoals bij Lucien, maar diep in haar binnenste verborgen en die erop neerkomt, dat haar verlangen naar een natuurlijk vertrouwen in de wereld om haar heen – een verlangen naar overgave, naar ontspanning – nooit partij zou zijn voor haar angst om ook maar het kleinste onderdeel van het systeem te moeten prijsgeven, dat ze zich als een tweede natuur had eigen gemaakt.” (pag. 85-86)

Ontredderd loopt Sylvia met Lucien weg van het kerkhof, op zoek naar een tandarts voor de ontstoken kies van Lucien. Al wandelend realiseert ze zich dat de bekentenis van haar aan Lucien over wat ze heeft nagelaten te doen geen band schept en geen verbintenis. “Lotsverbondenheid ontstaat niet, alleen omdat je beide de dode hebt gekend. Natuurlijk zou Lucien nu niet op zijn beurt gaan vertellen, wat hij op zijn geweten heeft.” (pag. 172)
Al wandelend (prachtige lyrische beschrijving van de route door Amsterdam) wordt Sylvia steeds strenger voor zichzelf. Ze wil alleen zijn, maar schrikt ook terug voor de ‘lauwheid’ van haar leven.

Wanneer ze samen met Lucien dezelfde avond naar het concert van de band van Tommy luistert, gloort er toch weer hoop; hoop op mildheid, op genade, op mystiek misschien. Lucien lijkt door zijn bezoek aan het graf vergiffenis en vrede gevonden te hebben. Hij is voor het concert naar Machteld van Ginneken gegaan, om haar te vertellen, dat iemand weet dat zij onschuldig is. Hij voelt eindelijk bevrijding na twintig jaar een zware schuld, op zich gevoeld te hebben. Hij danst zich letterlijk vrij op de swingende muziek van de band van Tommy.

Al lezend voel je, tot je tevredenheid, dat Sylvia ook gaat proberen het anders te doen, gaat proberen zich te verbinden. Open te staan voor intimiteit en mild te zijn voor zichzelf als er toch weer lauwheid over haar komt.

Het boek is prachtig en gemakkelijk leesbaar (echt een zomerboek voor een te hete dag) met een lichte, opbouwende spanning. Het schept ook een mooi beeld van het ouder worden in een stad als Amsterdam. Wat beweegt en wat vermaakt oudere mensen? Hoe gaan ze met elkaar en met jongeren om? Hoe vinden ze zingeving?

Uitgeverij         Querido, 2017
Pagina’s            271
ISBN                 978 9021 405 100

Recensie door Ammy Langenbach, april 2019

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress