Recensies

‘The best of Delphine Lecompte’

Delphine Lecompte werd in januari 1978 in Gent geboren. In 2004 debuteerde ze met een roman in het Engels, Kittens in the boiler. Daarna stapte ze over op gedichten in haar eigen taal. Voor haar debuutbundel, De dieren in mij, ontving ze de C. Buddingh’-prijs en de prijs Letterkunde van de provincie West-Vlaanderen. Er volgden meer dichtbundels en inmiddels wordt Delphine Lecompte alom gevraagd haar werk te komen voorlezen (op internet te zien!).

Toen ze nog niet kon schrijven tekende ze haar fantasieën, maar vanaf het moment dat ze het schrijven machtig was, schreef ze ze op. Als kind las ze veel uit de uitgebreide boekenkast van haar grootouders. Door andere mensen met een rijke fantasie te leren kennen, kon ze haar eigen manier van denken omarmen en die volop gaan gebruiken in haar werk. ‘Dat maakt haar gelukkig’, zegt ze. 

Lezers en luisteraars kunnen van haar associatieve omzwervingen en sterke taal genieten. Zelf zegt ze: “Het is een uitlaatklep, maar ook een manier om structuur aan mijn eigen leven te geven. En verder is mijn manier van leven een zachte weigering om me aan te passen. Ik laat mijn gekke hersenkronkels toe, ik buit het uit… Ik doe het om het verzinnen… Alles exploiteer ik.”

Een andere prachtige uitspraak van haar: “Achteraf denk ik vaak: mijn gedicht is slimmer dan ik. Het heeft iets magisch, hoe juist en wijs het er plots staat.”

November 2018 verscheen deze bundel, The Best Of Delphine Lecompte. Schrijven moet ze, zegt ze, elke dag, met zelfdiscipline en toewijding. ook als het moeilijk gaat. Vooral dan! 
In The Best Of staan gedichten uit 2009 tot en met 2017. Het zijn verhalende gedichten, waarin de wendingen hilarisch verrassen en wakker schudden. Het eerste gedicht, Ademloos,eindigt met de strofe: 
“Op de terugweg werden we bevangen
door smog en weemoed
jij door smog
ik door beide.”

In de gedichten buitelen we met haar mee in gebeurtenissen, waarvan tegelijkertijd het absurde, het treurige, het lieve, het verbijsterende en het ongerijmde wordt gezien. Ook terechte aanklachten worden in de regels mee gemetseld. Neem Wie een put graaft voor een ander lacht het best (pag. 38)

“Er ligt een kerkhofspade in de tuin
Wie heeft die kerkhofspade in de tuin gelegd?
Mijn vader alleszins niet
Ik vroeg het hem
Hij zei: ‘Ik alleszins niet!’
Mijn moeder kan het niet geweest zijn
Zij is vorige maand naar Nîmes vertrokken
Met een koffer vol morfine en plastic sheriffsterren.

Sinds die spade in onze tuin ligt is iedereen ongelukkig
Mijn vader, mijn wandelende takken, de student slavistiek
……
Iedereen behalve ik.

Niemand raapt de spade op
Om hem in de tuin van de buren te werpen
……”

Ik schiet in de lach bij dit beeld van vanzelfsprekendheid van iets over de schutting gooien wat je kwijt wilt. Daarna lezen we wat genoemde personen die winter doen, waaronder: En mijn vader doet of hij Molière leest. Dan komt haar moeder terug. Nee, dat geeft geen rust, lees maar. Het daarop volgende gedicht heet aangrijpend: Ik wil dat mijn moeder geneest in mijn gedichten.

Alle gedichten zijn lang en vol verwarrende belevenissen, waarbij toch ook steeds gelachen kan worden doordat ons begrip onverwachte kanten op wordt gestuurd. Het lachen is bevrijdend, terwijl er in de tekst geen sprake van bevrijding is. Maar toch, de manier waarop haar woede erin verwerkt is, vermengd met liefde en afkeer, werkt wel degelijk bevrijdend. Ze legt zich niet neer bij wat er gebeurt of gebeurd is. Ze laat mijn geest eens goed doorwaaien. Remedie tegen gezapigheid. 
En het is prachtig om te zien hoe door de jaren heen Delphine Lecompte haar taal, via haar onderwerpen, steeds virtuozer bespeelt.   

Uitgeverij  De Bezige Bij, 2018
Pagina’s  120
ISBN  978 9403 137 209

Recensie door Maud Ockers maart 2019

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress