Recensies

‘Spiegelbeeld en schaduwspel’ door Margot Dijkgraaf

Het oeuvre van Hella S. Haasse.

Margot Dijkgraaf heeft geen biografie willen schrijven. Hella Haasse heeft haar te kennen gegeven dit ook niet te willen. Wel gaf Hella Haasse haar medewerking aan een studie over haar gehele oeuvre. Spiegelbeeld en schaduwspel is een boeiend ‘dubbelportret’ geworden van de wisselwerking tussen de schrijfster en haar werk. De (vele) biografische feiten worden gebruikt om het werk te belichten.

Dat Margot Dijkgraaf de schrijfster Haasse goed gekend heeft en vele gesprekken met haar voerde gedurende een lange periode, heeft tot een verhelderende en diepgaande studie van het oeuvre geleid. 

Margot Dijkgraaf legt verbanden tussen biografische feiten, opvattingen van anderen en eigen analyses op basis van het lezen van Hella Haasse’s werk. Dijkgraaf benoemt als essentiële thema’s in het werk van Haasse de verlatingsangst, de ontheemding, de cultuurverschillen en de rol van de vrouw/moeder. Thema’s, die met dunne draden verweven zijn met gebeurtenissen in het persoonlijke leven van Hella Haasse.

Haasse is op zoek naar een manier om haar eigen leven te verbinden met een periode uit het verleden en via het verleden, wil ze iets zeggen, over wat haar op dat moment bezighoudt.”

Volgens Margot Dijkgraaf blijft Hella Haasse zich haar hele leven een buitenstaander voelen, die zich noch in Nederland, noch in Indië, thuis voelt. Als kind bleef ze voor de Indiërs het ‘koloniale meisje’, terwijl ze zelf de ‘natuur van Indië’ waar ze zoveel bewondering voor had, haar ‘thuis’ noemde. 

Door de vele verhuizingen voelde Hella Haasse zich ontheemd. Dit gevoel werd nog versterkt door de geheimen in de familie, zoals het overspel en de haar onbekende biologische vader.

Margot Dijkgraaf ziet in Hella Haasse een schrijfster in ballingschap. ‘In haar ontheemding zocht ze naar het enige toevluchtsoord: haar verbeelding, het schrijven, en doorbreekt daarmee haar existentiële eenzaamheid.‘

Hella Haasse heeft volgens Margot Dijkgraaf niet het leven geleid, waarvoor ze was voorbestemd. 

Haar was maar een beperkte vrijheid gegund. Als schrijvende vrouw heeft ze gewoekerd met haar tijd, een gezin opgevoed, terwijl haar verbeelding, haar ‘daimoon’ aan haar trok. Dat is de rode draad in haar werk: de ervaring van onvervulde liefde, van het niet bereiken van, doordringen tot, samen smelten met de ander; een frustratie, die leidt tot intense, levenslange, gepassioneerde, onophoudelijke creativiteit. Daar zit de bron van de woede, pijn en onvervuldheid met de pen getransformeerd; zo vakkundig, dat je heel goed moet lezen om ze nog te ontwaren.”

Margot Dijkgraaf laat zien hoe Hella Haasse in al haar werk voor haar belangrijke personen, tot leven brengt. De vertelster in Oeroegverwijst naar Haasses kindertijd. Volgens Dijkgraaf voelde Haasse in deze tijd de cultuurverschillen als vanzelfsprekend.

Het veel latere ‘Sleuteloog’ is de laatste fase in Haasses zelfonderzoek naar de verhouding tot haar geboorteland; het werk van een rijpe, ervaren schrijfster, die op de toppen van haar zelfontplooiing staat.”

Margot Dijkgraaf maakt (wel heel veel) uitstapjes, ook naar het werk van andere schrijvers als Joseph Conrad en Maria Dermout; schrijvers voor wie, net als voor Haasse, de Indische achtergrond en de natuur belangrijke thema’s waren. Dat komt de volledigheid ten goede, maar lijkt niet altijd relevant om Haasses werk te doorgronden.

Margot Dijkgraaf weidt een lang hoofdstuk aan de visie van Hella Haasse op de (emancipatie) van de vrouw en het huwelijk. In haar gesprekken met Haasse legde ze het thema van de onderdrukking van de vrouw meermalen voor. Margot Dijkgraaf vraagt zich af hoe het komt, dat de vrouwenbeweging Haasse nooit omarmd heeft; misschien omdat Haasse nooit extreme uitspraken deed. Ze bleef altijd de weloverwogen afstandelijke schrijfster en vond dat andere schrijvers, zoals Annie M.G. Schmidt zich voor het karretje van het feminisme lieten spannen.

“Jip en Janneke zijn rebellen avant la lettre. En waartoe heeft het geleid? Tot ouders, die nu niet weten, wat ze met hun kinderen moeten beginnen.” (pag. 264)

“‘In de jaren zeventig lijkt het werk van Haasse meer aan te sluiten bij de ontwikkeling rond het vrouwelijk schrijverschap. In ‘Huurders en onderhuurders’(1971) laat ze donkere en vermoede kanten van de vrouw zien; in ‘Meester van de Neerdaling’(1973) onderzoekt ze vanuit een vrouwelijk gezichtspunt, het kwaad in zijn duistere vorm….en laat ze een stoet van vrouwelijke auteurs de revue passeren. Dan begint ze ook aan een van de meest magistrale vrouwenportretten uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis, dat van Charlotte Sophie van Aldenberg, oftewel mevrouw Bentinck.” (pag. 207)

Margot Dijkgraaf kon door de vele gesprekken met Hella Haasse een kijkje in de ‘drang’(daimoon) van de schrijfster om te schrijven, nemen.

“In de jaren, dat ik Haasse vaak zag, constateerde ik een ding; ze was er altijd mee bezig, iedere dag van de week, ieder moment van de dag. Was ze om wat voor reden wel eens wat terneergeslagen, zodra we over literatuur begonnen, klaarde haar gezicht op, werd ze levendig, werd er gelachen……Voor Haasse was het schrijven eenvoudigweg een levensbehoefte, waaraan geen ontsnapping mogelijk is.”

Spiegelbeeld en Schaduwspelheeft soms (bijvoorbeeld in het hoofdstuk over de natuur en over het huwelijk), door de vele citaten van filosofische en persoonlijke uitspraken van Haasse, het karakter van een roman.

‘’Dat ingewikkelde proces tussen man en vrouw gaat gepaard met ‘twistgesprekken en vechtpartijen, ‘wederzijds kwetsen en krenken, tergen, de destructieve razernij, uit eigen onmacht en wanhoop ontstaan; de tranen, klachten en verwijten; het verbitterde zwijgen, de inwendige pijn, die sprakeloos maakt; de nachten slapeloos naast de ander doorgebracht.” (pag. 209) 

Andere delen daarentegen hebben meer het karakter van een biografie en geschiedschrijving; wellicht meer geschikt voor studenten literatuurgeschiedenis dan voor toekomstige lezers.

Margot Dijkgraaf toont Hella Haasse aan het werk. Je ziet al lezend een oeuvre tot stand komen. Ze plaatst het werk van Haasse in de tijd en in de levensfase van Haasse, waarin het boek of verhaal tot stand kwam. 

De analyses zijn helder, Haasses commentaar erbij vaak fascinerend en levendig.  Dit boek doet je ook realiseren hoe breed Hella Haasses oeuvre is. Voor een historische roman als De scharlaken stad(1951), die zich afspeelt aan het 16e-eeuwse pauselijke hof in Rome, verricht ze grondig onderzoek om de historische achtergrond te kunnen beschrijven. Margot Dijkgraaf formuleert standpunten, gebeurtenissen, feiten zeer zorgvuldig en consciëntieus. Als lezer voel je de kalmte en het streven naar evenwichtige perfectie, die ook het werk van Haasse zo domineren.

Margot Dijkgraaf is romanist en freelance literatuurcriticus voor het NRC. Zij is directeur van de Boekmanstichting in Amsterdam en publiceerde ‘Franstalige literatuur van nu’, en ‘Nooteboom en de Anderen.’

Uitgeverij         Querido, 2014                                                                                                   
Pagina’s           350
ISBN                978 9021 455 181

Recensie: Ammy Langenbach, januari 2019

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress