Recensies

‘In de stille achterkamer’ door Marlene van Niekerk

Marlene van Niekerk werd in 1954 geboren op boerderij (plaas) Tygerhoek bij Caledon in Zuid-Afrika. Ze studeerde filosofie en literatuur en schreef onderwijl drie toneelstukken.
Nadat ze cum laude was afgestudeerd vertrok ze naar Duitsland en sloot zich als regiestagiaire aan bij een theatergroep. Van 1980 tot 1985 deed ze een vervolgstudie filosofie in Nederland en studeerde ook daar cum laude af.
Eenmaal terug in Zuid-Afrika doceerde ze aan verschillende universiteiten.
Momenteel is ze hoofddocent creatief schrijven aan de universiteit van Stellenbosch.
Haar poëzie, korte verhalen en romans (Agaat!) zijn geliefd, geprezen en bekroond.
De dichtbundel In de stille achterkamer is in 2018 uitgekomen.

In haar Woord van dank, achterin de bundel, zien we hoe de vertaling van de gedichten uit het Zuid-Afrikaans tot stand is gekomen: Henda Strydom heeft de dichter onvermoeibaar aangemoedigd, liefdevol gesteund en haar geholpen bij het vertalen en redigeren. Het Nederlands is zo soepel en betekenisvol, dat het lijkt of de gedichten erin geschreven zijn.
De bundel is sereen vormgegeven: op de linker pagina een schilderij, op de rechterpagina daarnaast het gedicht in het Zuid-Afrikaans, en op de volgende rechter pagina de Nederlandse vertaling. Het papier en het gekozen lettertype maken zo min mogelijk visueel lawaai om maar niet af te leiden van het minutieus geschilderde.

Hoeveel leven de schijnbaar verstilde voorstellingen van deze twee schilders bevatten, maakt Marlene van Niekerk met hart en ziel duidelijk.
Adriaen de Coorte leefde van ca. 1659 – 1707, Jan Mankes van 1889 – 1920.
De dichter neemt gebeurtenissen uit de tijd mee in haar tekst. Bij beide schilders zoekt ze hun leven achter – en in hun werk. Op bladzijde 28 – 31 vraagt ze b.v. aan Coorte:

“Adriaen, in je besmeurde kiel heb je
zekerlijk de tremor boven je gemerkt,
de beving van de grond door grof geschut
gevoeld; heb jij wellicht de geruchten van
schermutselingen om de Spaanse kroon gehoord
waar je kwast en stok schoonmaakte in de peut
of ’s nachts met een gescherpt penseel de wilde
vruchten lokte naar de schaduw en in heldere
contouren strikte voor mijn oog.

Wat zou je weerwerk zijn als iemand
trachtte jou te werven als een slagveld-
of portretschilder? Als hij jou goud, eer
of een Friese hengst beloofde voor het uit-
beelden van strijd? Als jij – gelijk de dichter
die geen handlanger wilde zijn – beschimpt zou zijn
om gebrek aan trouw? Als de een of andere
blaaskaak in een gardebroek, een veldheer
of een zijner vazallen jou zou hekelen als
homo die zich bemoeit met bessenblad?
En medeschilders hoogmoedig meenden dat
jij blo en onbetrokken bent, een gezant
van mispels op een plint

Ik stel me voor hoe jij de punten
van je kraag platstrijkt en zwijgt en naar
je eigen pannen ginder staart. Je wist allicht:
geen plaats voor schilders zonder ergens slacht-
partijen en een meute die crepeert, maar dat een
schuldgevoel in dit verband niets meebrengt
aan tegoed. Dat als je ook maar iets hebt
kunnen waarmaken en tonen, het zomerhitte
was, spiralend in het vlees rondom het niets-
ontziende zaad dat knalt en schiet en onverpoosd
het kruit verzoet in abrikozen van illusie.”
 
Na haar gedichten bij het werk van Adriaen Coorte schrijft ze (pag 58/59) dat hij een tijdgenoot was van haar voorvader Cornelis Gerritsz Nieuwenkerk, die mede een klaagschrift ondertekende, een protest tegen het wanbeleid van de VOC. Hier laat ze de veelal heersende mentaliteit van toen naadloos overgaan in die van nu.

Bij Mankes begint ze (pag 63) met een gedicht bij het schilderij van een half doorzichtige, melkwitte fles met de zin: “Elke voorwerp is ’n selfportret”. Het gaat over een fles, waarbij woorden opdoemen als: “gekurkt tot in de hals, voorbeschikking, een ziel die haar bezinksel stoïcijns verdraagt.” Prachtig hoe goed het uitkomt dat flessen een ziel hebben.

Daarna volgt echt een aangrijpend zelfportret van Mankes, die al op zijn dertigste overleed aan de Spaanse griep, na lang tuberculoos te zijn geweest; zie ook pag 114-117 hierover. Lees, lees!
Op bladzijde 79, waar een gevangen uil op een kamerscherm zit, spreekt ze Mankes aan:

“Jij krijgt het voordeel van de twijfel, Jan
……. Vooral bezieling
van het oog is wat deze vogel, witverknipt,
ontbeert. Daarom dat jij zelfs in Heerenveen,
op het handvat van een kamerscherm,
een kwieke vonk, voorlopig –
als een plaatsbekleder – installeert.”
Daarna lijkt op het kamerscherm leven te worden weergegeven, “langzaam dansend, onbestemd, in de wei van vergankelijkheid.”

Hoe meer ik me in de de gedichten verdiep, hoe hartverscheurender ze worden. Maar tegelijkertijd óók: hoe concreter, hoe nuchterder, hoe lucide.
Een prachtbundel, in ieder opzicht.

Uitgeverij       Querido, 2018
Pagina’s         123
Vertaald         uit het Zuid-Afrikaans door Henda Strydom en Marlene van Niekerk (In die stille agterkamer)
ISBN               978 9021 409 689

Recensie door Maud Ockers, september 2018

 

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress