Recensies

‘Als werden wij ergens ontboden’ door Miriam Van hee

De Vlaamse Miriam Van hee (ja, ‘van’ met hoofdletter en ‘hee’ met kleine letter) is op 16 augustus 1952 geboren in Gent. Ze studeerde daar Slavische filologie aan de Rijksuniversiteit en heeft, onder andere, gedichten van Anna Achmatova, Joseph Brodsky en Osip Mandelstam vertaald. Ze doceert aan het Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken in Antwerpen, het HITV, dat tegenwoordig onderdeel is van de faculteit letteren en wijsbegeerte van de Universiteit Antwerpen.

In 1978 kwam haar eerste dichtbundel uit, Het karige maal. Als werden wij ergens ontboden is haar elfde bundel. In een mooi interview uit 2009 met Maarten Gulden (Meander Magazine), vertelt ze “dat ze niet in de eerste plaats gedichten schrijft om waardering en aandacht te krijgen, maar om een waardevol leven te leiden. Zoals de Fransen zeggen: Gagner sa vie.”
Er is wel eens van Miriam Van hee gezegd, dat haar taal nuchter is. Zelf noemt ze dat ze afstandelijker is geworden in het beschrijven en beter is gaan zien, wanneer een woord eruit kan. Ik heb de indruk dat in deze bundel de beelden elkaar sneller opvolgen dan vroeger. Haast staccato gaat het ene beeld over in het andere, terwijl het tegelijkertijd toch zo vloeiend gebeurt.

De titel van de bundel is intrigerend. Bij als werden wij ergens ontboden komen meteen verschillende gemoedsgesteldheden omhoog, waaronder me gedwongen voelen. Dat kan gepaard gaan met bedremmeldheid, angst, weerzin of verontwaardigde boosheid. Dus ga ik op zoek naar wat er speelt in het gedicht waarin deze zin voorkomt. Op pag. 26 vinden we hem in wolken van bassurels. Bassurels is een gemeente met 52 inwoners in het arrondissement Lozère, Frankrijk. Tijdens een bergwandeling is er inderdaad sprake van een gevoel van dreiging. Die ‘kwam ons te na’, waarbij haar wandelgenoot en zij ‘wankelen’, maar de elementen ‘weerstaan’. Een paar zinnen uit het daaropvolgende gedicht:
“…hoe hoger we
klommen hoe dieper het zwijgen

…soms is het landschap
niet wat je je voorgesteld had
..
Deze voorbeelden laten zien, hoe sterk Miriam Van hee weet te suggereren. Het maakt dat de fantasie van de lezer (in ieder geval die van mij) wordt geprikkeld om persoonlijk in te vullen wat er aan de hand is in de situatie. Zoals op pag 49, over haar aanwezigheid in Käsmu, in de lente:

Ze stopte brood in de mond en zei dat je
zonder te eten de deur niet uit mocht,
dan zou een vogel je ziel kunnen stelen
ik keek naar mijn bord met brood dat 

mijn ziel moest verankeren, die ik overigens
zelf als gevleugeld zag, ik keek uit het raam
naar de dennen tegen de zandgeel geverfde
wand en naar hun toppen tegen de blauwe

lucht tot ik duizelig werd, ik zag bonte kraaien,
vinken, kwikstaarten, ik sprak ze toe, wie
zijn jullie werkelijk, maar zij waren druk in

de weer met het maken van nesten, loof en
twijgen brachten zij aan, zij gaven niet op
voor het donker, zij leefden bij gratie en stof

Geen bijvoeglijke woorden om te bepalen wat de lezer behoort te voelen of te denken. Zo feitelijk mogelijk en beeldend, met gevonden woorden die boekdelen spreken. Al naar gelang mijn gemoedsgesteldheid, reageer ik. Het betekent dat ik bij hetzelfde gedicht de ene keer in de lach schiet en een andere keer reageer met melancholie. In dit gedicht begon ik met lang stilstaan bij ‘de’ voor ‘mond’, me afvragend wiens mond dat was. Het beeld van een stuk brood in de mond te krijgen gestopt, zoals dat kinderen gebeurt, drong zich op, maar was niet van toepassing. De vrouw bezweert bij zichzelf onheil met haar voorschrift, dat ze ook voor anderen wil laten gelden. De mond lijkt in de waarneming op zichzelf te bestaan. Een herkenbare, onplezierige waarneming. De vlucht van de aandacht het raam uit, zal ieder kind wel ondernemen; iedere volwassene trouwens ook. En wat een beelden! De vogels die ‘leefden bij gratie en stof.’ Geen ‘bij gratie van’, maar dat komt wel in je op. En wanneer je je nog zit te verheugen over de gratie komt het woord stof erachteraan, dat ook nogal wat connotaties heeft.
Het gedeelte “Tussen wal en schip” gaat over dromen, waarin we, naar de aard van dromen, versterkt meemaken hoe Miriam Van hee situaties pregnant verwoordt.

Alweer een bundel met prachtige beelden en taal van deze dichter.
En aangrijpend door wat opgeroepen wordt.

Uitgeverij       De Bezige Bij, 1917
Pagina’s          57
ISBN               978 9023 449 843

Recensie door Maud Ockers, februari 2018

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress