Recensies

‘Vonkt’ door Marije Langelaar

Marije Langelaar (1978) begon als beeldend kunstenaar. Ze legde zich toe op fotografie, installatie- en videokunst, maar ging zich belemmerd voelen door het vele materiaal, dat altijd weer bewerkt en verplaatst moet worden. Ze zwierf liever rond dan in een atelier bezig te zijn. Na lang experimenteren bleek schrijven beter bij haar te passen, want als je maar wat schrijfmateriaal bij je hebt, dan kan je overal werken. Vonkt is haar derde dichtbundel, uitgegeven in 2017.

Haar fascinatie ligt bij het uiterlijk vormgeven van de ijle, onstoffelijke binnenwereld.
Ze zegt: “Met woorden en letters bouw je hele werelden op en je nodigt de lezer uit deze te betreden. In kijken zit een grote kracht verscholen. Echt kijken. Dan. Creëren is een boeiend proces. Wanneer vindt de magie plaats en wanneer niet?”

In haar creatie van werelden verdwijnen grenzen die we gewend zijn aan te houden. Het maakt dat ik alert word, omdat de situatie niet vanzelfsprekend en/of gebruikelijk is. Het (bijna) titelgedicht Vonk geeft dit prachtig weer. Hoe zenuwachtig de interviewer wordt en hoe de geïnterviewde daardoor haar krachtige talent ontdekt en ons meeneemt in haar euforie. Verrukkelijk en aangrijpend. Ze zegt in dat gedicht:
“en (ik) ontkrachtte vervolgens alle fenomenen, ideeën,
gestalten, dingen en wezens. En mezelf natuurlijk… “(pag 67)

Marije Langelaars gedichten zitten niet zozeer vol van levensprocessen als wel dat ze zelf levensprocessen zijn. Ze neemt ons mee in wensen, die we meestal in stilte koesteren, en laat ze een hoge vlucht nemen, vaak letterlijk. De emoties en verschijnselen gebeuren als in dromen: ze voelen aan als realiteiten, ze zijn er, ze vervormen, nemen andere betekenissen aan, verdwijnen. Inderdaad zoals in onze ijle, onstoffelijke binnenwereld.

In Het tuinfeest zegt ze over een oude vrouw:
“…een vrouw die zo krom was dat het leek of zij continu
naar haar schoenen wou kijken
en al haar kleding kroop omhoog.” (pag 64)
Bij die laatste regel herinner ik me mijn verbazing als klein kind over de kleren van mijn oma, die van achteren hoog hingen en van voren laag, terwijl mijn rokje recht moest hangen. Bij Marije Langelaar geen vraag, maar ronduit een beeld.

Als ik zo een paar regels apart neem, merk ik dat ze een deel van hun kracht verliezen. De stuwing van de afwisselende beelden en de ritmiek van woorden en zinnen veroorzaken een energie, waarin alles beweeglijk kan blijven.

Op pagina 61 staat maar één zin:
Alles een kroon opzetten want alles is godskracht”
Nee, er staat geen punt achter, want alles heeft geen achter.

Mooi hoe ze Hert wordt:
“En ik kijk naar mezelf.
Voel mijn benen zich verdunnen en draaien
onmiddellijk volgen mijn armen het groeien van hoefjes
ik stap uit mijn jurk en mijn hemd inmiddels te groot en
voel mijn vacht in de wind
mijn oren richten zich zetten uit en ik
luister naar het kletteren van borden ver in de keuken
het waaien van gras
ik hoef inmiddels niets meer.
Zo als hert heb ik dorst niets meer dan dorst en
beweeg naar het water” (ook zonder punt erachter, pag 62)

Van een heel andere sfeer is het gedicht Man. Een oerbeeld van een vrouw die ‘haar’ man oproept. En hoe de hele natuur weet heeft van dit gebeuren.

En nee, geen vrouw die aan de vensterbank mooi gaat zitten zijn
maar een vrouw die nieuwe bruggen, steden, velden uit de grond trekt…

Mijn kracht is ongeëvenaard.
Mijn handen rullend in de grond.

Een vrouw die onzin overstemt
met een enkele slag op de trom ….

Ik luister naar de roep van de dieren, tast in de wind.
Ik zinder ik ring ik gong.
Kom man kom!” (pag 76)

Er is nóg een gedicht over de allesdoordringende, vrouwelijke energie, De vrouw :

“Al snel werd ze door hen van die grote instanties die de
godsgeleerde geschriften interpreteren
zondig verklaard.

Ze bracht ons van slag.
Ze ondermijnde onze moraal, leidde af.

En de vrouw deed precies dat.
Ze sloeg ons uit het lood.

Ze weekte ons los uit constructies.
We vergaten onze gebeden, ons godsbeeld.
Ons bloed werd wijn.
We dansten vurig,
we kolkten van binnen.
Alles werd levend, dampend.

Zij maakte ons
gewoon door haar aanblik heel.” (pag 58)

Een tweede bladzijde volgt met bevrijdend resultaat van omvorming, waarna:
“Ze had ons oude geloof gebroken de god ver op zijn troon
hadden we verzaakt
de wet niet nageleefd, onze eigen wetten gemaakt.

Die god was niet meer maar nu levend
pulserend.” (pag 60)

Uitgeverij         De Arbeiderspers
Pagina’s            87
ISBN                 978 9029 511 681

Recensie door Maud Ockers, november 2017

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress