Recensies

‘Nachtroer’ door Charlotte Van den Broeck

Charlotte Van den Broeck werd in 1991 in Turnhout (Vlaanderen) geboren. Nadat ze haar diploma Taal en Letterkunde aan de Universiteit Gent behaalde, ging ze woordkunst studeren aan het Conservatorium van Gent.
Ongeveer in 2013 schreef ze haar eerste gedicht. Zelf zegt ze daarover:
Ik studeerde toen nog Germaanse talen en las in korte tijd twee gedichten die een enorme impact op me hadden. Het eerste: ‘Todesfuge’ van Paul Celan, die gedurende de tweede wereldoorlog ternauwernood aan de dood ontsnapte in een concentratiekamp. Zijn ouders werden in een vernietigingskamp vermoord.
Het tweede gedicht is ‘Lamento’ van Remco Campert. Ik had er nooit bij stilgestaan dat taal zoveel teweeg kon brengen. Ik wilde ook iets zeggen.”
Nou, dat laatste deed ze en het bleef bepaald niet bij iets.

In 2013 stond ze al in de top honderd van de Turing Gedichtenwedstrijd, maakte deel uit van het Turnhouts dichterscollectief ‘Dichterbij’ en van ’10 op de Schaal van Dichter’, dat in 2015 een cd met poëzie op de markt bracht. In het Poëziebordeel van Vonk en Zonen trad ze op als Lulu Wedekind. In 2015 ging ze mee op tour met Saint Amour en in september van datzelfde jaar mocht ze de 33ste Nacht van de Poëzie in Utrecht afsluiten. Daardoor opende ze in september 2016 de 34ste Nacht van de Poëzie in Utrecht.
In januari 2015 debuteerde Charlotte Van den Broeck bij de Arbeiderspers met de dichtbundel Kameleon, waarvoor ze de Herman de Coninck Debuutprijs 2016 ontving. En bij dat alles heeft ze doorgewerkt aan nieuwe gedichten, zodat nu, in 2017, haar tweede bundel bij de Arbeiderspers is uitgegeven: Nachtroer.

Nachtroer (de naam van een nachtwinkel in Antwerpen) begint met een cyclus van acht gedichten, Acht geheten, met een lemniscaat erachter. De cyclus begint met VIII en eindigt met I. Het is haar tocht terug van nu, waar het om een scheiding gaat, naar toen, toen ze elkaar leerden kennen. De cyclus eindigt met het beeld van een jongen en meisje, die op een veld liggen. In deze terugblik gaan nu en het verleden doorlopend in elkaar over.
In gedicht VIII, de verwonding, waarbij
..het huis zich laat verdelen in bananendozen en bezittelijke voornaamwoorden..
met later de zinnen:
..weet nu dat rouw begint bij het stoten van de elleboog
en doortrekt tot in de vingertoppen
om nieuwe aanrakingen vooraf te verdoven.

Een verrassende wending, van dit zich betrekkelijk onschuldige stoten met een korte sensatie van verdoving in dat gebied, die in de misère van nu vooruitwijst naar en huivert voor toekomstige kwetsbaarheid.
In volgende gedichten komt de heftige, lichamelijke kwetsuur tot woorden. Daaruit is geen soelaas te vinden dan in :
… toen heb ik het gedaan/van jou en mij met opzet onderdelen van een bouwpakket gemaakt.
Een poging tot bezweren, het uit elkaar halen en in elkaar zetten van een bouwpakket, zonder emotionele consequentie.

Na deze eerste acht gedichten begint de afdeling Nachtroer, waar de bundel naar is genoemd. Daarin begint ze met het bezingen van haar inspirator, Remco Campert. In taalvorm laat ze hem verschijnen en geeft ze woorden aan het concipiëren van het dichterschap, daarbij wetend dat: ..en jij de mieren niet en de zwellende kleuren niet.. Nee, dat zijn háár eigenheden, die ze zelf vorm is gaan geven.

Daarna dwaalt ze in haar gedichten door haar nieuwe, eenzame bestaan, op zoek naar ontsnappen aan de leegte. Ze denkt aan vroeger, toen voor een lelijk gat in de muur een schilderij was gehangen:
..besloten om later het gat in de muur te worden, weerbarstig en luid
achter het schilderij te kloppen en zo anomalie en ademhaling te zijn..
Dan volgt de constatering:
ben toch het schilderij geworden, voor de wonde een vorm.
Het laatste gedicht in de bundel is een minutieus recept voor het bouwen van een waterdichte boot. Pas als de boot af is komt de trieste vraag op waarheen te varen.

Er zijn gedichten waarin de associaties elkaar zo snel opvolgen, dat je je afvraagt waar je zou kunnen ademhalen, wanneer je ze hardop zou lezen.
Zelf zegt ze: “Beelden schieten vaak razendsnel als dia’s door mijn hoofd. Dan probeer ik te temporiseren, maar ik heb geen pauzeknop.”
Op papier en wanneer ze voordraagt, vindt ze die knop wel degelijk.
Er is geen sprake van ademnood, wanneer je haar hoort. Helder en rustig zegt ze de teksten, zodat de beelden uit elkaar voortkomen zonder over elkaar heen te vallen.

Uitgeverij       De Arbeiderspers, 2017
Pagina’s          81
ISBN               978 9029 510 219

Recensie: Maud Ockers, augustus 2017

 

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress