Recensies

‘Het verborgen stadspaleis’ door Elisabeth de Waal

elisabeth-de-waal-het-verborgen-stadspaleisHet verborgen stadspaleis is het postume debuut van schrijfster Elisabeth de Waal (geboren barones Ephrussi), die leefde van 1899 tot 1991. Kleinzoon Edmund de Waal, die heeft gezorgd dat haar boek alsnog werd uitgegeven, had een wereldsucces met zijn eigen boek De haas met de amberkleurige ogen, dat gaat over de geschiedenis van de Joodse familie Ephrussi, waarvan de leden woonden en werkten in Wenen, Sint Petersburg, Londen en Parijs. Het leven van grootmoeder Elisabeth de Waal staat er prachtig in beschreven.

Elisabeth de Waal groeide op in Wenen, in het Joods culturele- en maatschappelijke milieu van de zeer rijken aan het begin van de twintigste eeuw. Zij studeerde filosofie, rechten en economie. Ze trouwde met de Nederlandse zakenman Hendrik de Waal, en woonde in Parijs, Zwitserland en Engeland. Ze was een erudiete vrouw, die later voor Le Figaro schreef en in de jaren vijftig voor The Times Literary Supplement recensies schreef over Franse boeken. Ze schreef vijf romans die nooit werden gepubliceerd. Schrijven was een noodzaak voor haar, uitgegeven worden niet.

Het verborgen stadspaleis speelt in de stad Wenen in 1954. Wenen fungeert als een personage in het boek, gevormd door herinneringen aan de stad van voor de Tweede Wereldoorlog – de magnifieke keizerlijke stad – tot het Wenen van 1954, dat, net als Berlijn, opgedeeld was in vier zones door de vier grootmogendheden, Engeland, Frankrijk, Rusland en de Verenigde Staten. Oostenrijk zou in dat jaar onafhankelijk worden.

Op 13 maart 1938 had Hitler Oostenrijk geannexeerd – de Anschluss – met toestemming van de toenmalige Oostenrijkse regering en 99% van de Oostenrijkse bevolking. De Groot-Duitse gedachte was in Oostenrijk zeer sterk aanwezig. De Jodenhaat die toen onmiddellijk uitbarstte, – ‘blind volksgeweld tegen Joden en Joodse eigendommen’- maakte dat Joodse families die het zich konden veroorloven om te vluchten massaal Oostenrijk verlieten. In 1939 was de helft van de Oostenrijkse Joden vertrokken. Hun bezittingen werden onmiddellijk door de nazi’s geconfisceerd.

Het verborgen stadspaleis (Engelse titel The Exiles Return) gaat over drie mensen die in 1954 terugkeren naar Wenen. De Joodse professor Kuno Adler is na de Anschluss gevlucht naar de Verenigde Staten, waar hij zijn medisch onderzoekswerk aan een modern laboratorium heeft voortgezet. Hij heeft heimwee naar Wenen, laat zijn vrouw en volwassen kinderen achter in de V.S. en keert na vijftien jaar terug, ook al is hij niet goed voorbereid op zijn terugkeer. Hij is vol melancholie en angst voor wat hij zal aantreffen. In het contact met de Weense mensen die hij nog kent, voelt hij zich vervreemd, wat hem wanhopig maakt. Die mensen hebben een vreselijke oorlogstijd achter de rug en staan niet open voor Adlers ervaringen als vluchteling, zijn leven in ballingschap en zijn gevoelens van ontheemdheid. Adlers leven in het Wenen van 1954 voltrekt zich moeizaam en brengt hem in contact met zijn verdriet en verlies: “…Gehaast stak hij de weg over, betrad door de hekken het park, ging in een verlaten laan op een bank zitten en weende.”
Hij past zich aan zijn nieuwe situatie aan: “…en geleidelijk verdween de wanhoop naar de achtergrond om over te gaan in aanvaarding. Langzaamaan kreeg herkenning de overhand over de vervreemding, zoals je eerst aarzelend en daarna met zekerheid een oude vriend herkent – hoezeer die ook veranderd is door de ravage die ziekte en tijd hebben berokkend; en uiteindelijk voor die persoon die dat allemaal heeft doorstaan zelfs nog een diepe liefde gaat koesteren, omdat hij al die veranderingen waarvan je uiteindelijk voelt dat ze van generlei betekenis zijn, heeft overleefd.”

Professor Adler kon terugkeren naar Wenen omdat hij, volgens een wettelijke regeling (de reparatiewet) dat iedereen die gevlucht was of gedwongen werd Oostenrijk te verlaten, recht had op terugkeer en terugzetting in de oude functie. Adler wordt weer de assistent-onderzoeker die hij vijftien jaar eerder was, terwijl hij zelf dacht dat hij belast zou worden met de leiding van het instituut. In eerste instantie voelt Adler zich vernederd, maar geleidelijk past hij zich aan en zijn ongemak verandert in aanvaarding, de enige houding die zijn leven draaglijk maakt.

De tweede persoon die naar Wenen terugkeert is de van oorsprong Griekse miljonair Theophil Kanakis, die in de oorlogsjaren in de V.S. meer fortuin heeft gemaakt dan hij al had. Hij is veertig jaar oud en op zoek naar avontuur. Hij koopt een stadspaleis in de Ring (centrum) van Wenen, dat een beetje verborgen ligging heeft om er voor zijn gasten (jonge mensen van oude adel, mooie jongens en jonge vrouwen, kunstenaars, journalisten en wetenschappers) soirées te organiseren.
Bij zijn zoektocht naar kunst voor de inrichting van zijn stadspaleis ontdekt Kanakis bij antiquairs kunst van dubieuze herkomst. Zij hebben door de confiscatie van de Joodse goederen kunst in hun bezit, die ze niet behoren te hebben, al beweren ze dat ze de schilderijen ‘gewoon, alles legaal,’ op veilingen hebben gekocht.
Hoewel er achter deze toestanden een wereld van leed, verdriet en boosheid van de beroofde Joodse mensen schuilgaat, raakt de lezer van de beschrijving vanuit Kanakis niet bewogen. Kanakis is ook niet bewogen, hij constateert en lijkt het min of meer gewoon te vinden.
Maar dat was het niet.

Kleinzoon Edmund van de schrijfster laat ons in zijn voorwoord bij het boek van zijn grootmoeder weten dat zij na de oorlog tien jaar moeite heeft gedaan om de door de nazi’s geroofde bezittingen van de familie Ephrussi terug te krijgen. Elisabeth de Waal had weinig succes met het terugkrijgen van het familiebezit. Nu pas, 70 jaar later, is Oostenrijk bezig geleidelijk het gestolen bezit terug te geven.

Kanakis nodigt het derde personage, dat in het boek naar Wenen komt, uit op een van zijn soirées. De 19-jarige Marie-Theres (Resi) is opgegroeid in de V.S. waar haar ouders zich succesvol hebben gevestigd, maar niet goed raad weten met hun ondoorgrondelijke dochter. Ze komt voor enige tijd logeren bij haar adellijke, maar verarmde familie in Wenen.
Het Weense leven van Resi is niet veel anders dan elk leven in die tijd van een jong meisje dat uitgroeit tot een jonge vrouw: verliefdheden en onzekerheid, verveling en amusement. Nieuwe situaties, nieuwe mensen. Wat verschilt is de oude stad Wenen met haar vergane glorie, en hier en daar nog de puinhopen van de oorlog. In het eerste hoofdstuk van Het verborgen stadspaleis dat ‘Voorspel’ heet staat een krantenbericht dat een jong Amerikaans meisje uit de betere kringen, dat op bezoek was in het landhuis van een Amerikaanse miljonair, is overleden aan de gevolgen van een geweerschot. De latere beschrijving van het wrede lot dat Resi tegemoet gaat, doet denken aan de melodramatische stomme films uit de jaren twintig. Een jong onschuldig meisje wordt het slachtoffer van boosaardige jongemannen en een gemene oude schurk, die alleen op zijn eigen lust uit is.

De verbinding van professor Adler met de andere twee hoofdpersonages is een dun draadje. Hij krijgt een verhouding met Nina, een vrouw van vijfendertig jaar, een toegewijde laborante. Zij blijkt de oudere zuster van de prinselijke Lorenzo (Bimbo) Grein, de jongen die Resi in moeilijkheden heeft gebracht, maar daarvan geen consequenties wenst te aanvaarden. De familieband van Nina en Bimbo heeft – wonderlijk genoeg – geen enkele betekenis voor de ontwikkeling van het verhaal.

Het verhaal over de terugkeer naar Wenen van de Joodse professor Adler, de ontheemde man die langzaamaan thuiskomt, is zeer indrukwekkend. De stijl van schrijven en het taalgebruik van Elisabeth de Waal is in dat deel van literaire kwaliteit, van hetzelfde niveau als Sandor Marai met Gloed, en John Williams met Stoner. Boeken die in vervlogen tijd werden geschreven, maar in de huidige tijd nog steeds grote literaire waarde hebben en hogelijk worden gewaardeerd.

Uitgeverij          Cossee, 2015
Pagina’s             317
Vertaald             door Gerlof Janzen (The exiles return)
Voorwoord        door Edmund de Waal
Nawoord            door Sigrid Löffler, en een historische aantekening.
ISBN                   978 9059 366 251

Recensie door Hannah Kuipers, oktober 2016

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress