Recensies

‘Wij zijn evenwijdig’ door Maud Vanhauwaert

Maud Vanhauwart - WijzijnevenwijdigU kan dit boek lezen als een bundel gedichten, als een bochtig verhaal of als een kleurrijke optocht van droevige moppen”.

Zoals ook de rugtekst van deze bundel al doet vermoeden, is Wij zijn evenwijdig geen traditionele dichtbundel. Daar waar Maud Vanhauwaert in haar debuut Ik ben mogelijk (2011) nog vrij ‘klassieke’ gedichten schreef, zoekt ze in Wij zijn evenwijdig de grenzen op tussen poëzie en proza. Het is dan ook geen typische verzameling gedichten – zijn het überhaupt wel gedichten? – maar eerder een verzameling gedachten, beelden, (woord)grappen, korte verhalen en observaties.

Wij zijn evenwijdig _                                          Raken elkaar in het oneindige _

En we rennen _                                                     Ik schrijf een gedicht. Ze kijkt over mijn
                                                                                   schouder mee en zegt ‘je hebt toch al eens
                                                                                   een gedicht geschreven’_

Wij zijn evenwijdig schetst een tragikomisch beeld van het leven in de grote stad in de 21e eeuw; het lyrisch ik bevindt zich in een grote stad (Brussel?), beweegt zich voort en observeert haar omgeving, haar stadsgenoten, voert vluchtige gesprekken – vaak met een wat tragikomische ondertoon – met de mensen die ze tegenkomt.

Naast mij zit een vrouw. Ze weent en zegt
‘excusez-moi’. Ik zeg ‘ce n’est pas grave’. Zij
 zegt ‘si c’est grave, vous n’en savez rien’.
 ‘Dat is waar’ zeg ik ‘ik weet er helemaal
 niets van’. Ons gesprek is geen einde geen
 begin. Zoals alles in een stad valt het er-
 gens tussenin _

Geen einde, geen begin – dit geldt in zekere zin ook voor de bundel zelf: de pagina’s zijn ongenummerd, de tekst loopt door op voor- en achterkant. Steeds zijn er twee tekstkolommen tekst per pagina, waarbij de losse testblokken (strofes / tekststukken / gedichten) niet worden afgesloten met een punt, maar met een _
Deze tekstblokken, soms tellen ze maar één regel, andere keren zijn ze beduidend langer, kunnen zowel beschouwd worden als strofes van een lang gedicht als losstaande korte gedichten of tekstfragmenten. Ze vormen tot op zekere hoogte een geheel, met elkaar verbonden en als het ware aan elkaar geregen door de platliggende streepjes die de verschillende tekstblokken scheiden, maar kunnen ook los van elkaar gelezen worden, in willekeurige volgorde. Door verschillende tekstblokjes met elkaar te verbinden, ontstaan er ook weer nieuwe gedichten of verhaaltjes; er is geen einde, geen begin.

Zelf zegt Maud Vanhauwaert de tekstfragmenten in deze bundel niet zo zeer als een gedicht of een verzameling gedichten te zien, maar door het samenvoegen van een aantal van deze tekstfragmenten soms “te doen alsof” het een gedicht is, zoals ze ook in een voordracht voor Poetry International laat zien (link zie onderaan). Ze rijgt (delen uit) tekstfragmenten die verspreid door de bundel staan aan elkaar, vormt zo een nieuw gedicht:

Er komt een vrouw naar mij toe. Ze zegt
 ‘wij zijn evenwijdig, raken elkaar in het
 oneindige, laten we rennen’.
Zullen we wachten? Zullen we wachten
Tot de kinderen groot zijn en de aardbei-
en rood, ze zijn te bleek nog, te klein, te
hard. Zullen we wachten tot de avond
valt en de nacht waarover wij nog een
keer willen slapen.
Dan haakt ze haar arm in de mijne tot een
lemniscaat.

Zullen we wachten op
een eerste stap zo reusachtig dat je mak-
kelijk een tent tussen onze benen spant
waarin nieuwe kinderen kamperen, aard-
beien rijpen en niemand nog buiten de
zomer kan _

[…] En we ren-
nen. Met onze armen zwaaien we een maat die bij ons past _

Wij zijn evenwijdig bevindt zich niet alleen op het grensgebied tussen poëzie en proza, maar in haar teksten zoekt Vanhauwaert ook de grenzen op tussen surrealisme of soms absurdisme en realisme. De wereld die ze beschrijft is de wereld zoals we die kennen, maar ook een totaal andere; een ontregelde werkelijkheid waarin verschillende situaties onverwacht samensmelten en iets gewoons uitmondt in een surreële of absurdistische situatie.

Eigenlijk geldt voor alle gesprekken en ontmoetingen van het lyrisch ik dat ze zonder echt begin en einde zijn; gesprekken beginnen zonder introductie, zijn even abrupt weer voorbij, overgevloeid in iets anders. Deze toevallige ontmoetingen zijn veelal vluchtig, de context soms herkenbaar en realistisch, soms vervreemdend en absurd.

Ik blijf bij een plakje worst staan en vraag / aan een voorbijganger ‘weet u wat dit / plakje worst hier ligt te doen’. Zegt die / voorbijganger ‘nee, maar ik weet ook niet / wat ik hier loop te doen’. Ik zeg dat hij / mijn verwondering niet moet koppelen / aan zijn existentie _

Vanhauwaerts beelden en redeneringen zijn vaak verfrissend en origineel; ze verbindt zaken die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben door te spelen met de dubbelzinnigheid van de gebruikte woorden. Soms zijn deze ‘woordgrappen’ (bewust?) flauw, andere keren erg scherp.

En we rennen de nacht uit, de bergen / in. In de verte fluit een vogel. We kun- / nen hem niet thuisbrengen. We brengen / hem maar niet thuis want wij rennen.

of

De metro buldert door bruine gangen en de sporen die we nalaten die liggen er al _

en

Plots kijkt de man tegenover mij mij aan. / Hij zegt ‘er was eens een vrouw die het / leven niet begreep, ze kon er geen touw / aan vastknopen. Toen hing ze zichzelf op. / Een marionetje van de dood’. Ik vraag of / het een mop is _

Het lyrisch ik probeert zich staande te houden in deze wereld, zoekt richting in haar leven en stelt zichzelf (indirect) vragen over haar identiteit en het bestaan. Eenzaamheid, dood en het niet kunnen voldoen aan verwachtingen zijn thema’s die veelvuldig terugkeren in de ontmoetingen en de gesprekken die ze voert.

Neem nu de kinderfoto van mijn vader, af- / getrokken door het zonlicht en zoals hij- / zelf: kromgetrokken door de tijd. Rimpels / trekken de jaren genadeloos samen. Neem / nu de bomen. Zij sterven staande _

[…]

Kijk, hier is vaders auto. In die auto zit / een bocht en in die bocht paste ooit / een standvastige boom _

Vaak hebben de fragmenten een tragikomische ondertoon, soms bijna cru.

‘Anderzijds’, zegt de chirurg tegen de / vrouw wier borsten net zijn geamputeerd.’ / ‘Als kleuter was u toch ook plat’ _

Wij zijn evenwijdig is een fijne, originele, maar ook zeer toegankelijke bundel die ook bij herlezing blijft verwonderen. Hoewel deze bundel zich misschien nóg beter leent om voorgedragen te worden, maakt (o.a.) het gegeven dat de bundel ook de lezer de mogelijkheid biedt “zelf” nieuwe gedichten of korte verhalen te laten ontstaan door bepaalde tekstblokken aan elkaar te rijgen, dat deze bundel niet snel zal gaan vervelen. Wij zijn evenwijdig is als een originele “puzzel” waarbij de stukjes op verschillende manieren in elkaar passen en de losse fragmenten zo steeds nieuwe betekenis kunnen krijgen – een bundel zonder echt einde of begin.

Ik zoek een begin. Een begin waarin de / rust regeert. Een landschap, leeg nog, / op een slinger van vogelsporen na. Vogel- / sporen lijken nog het meest op vogels, / vlak getekend, kleine V-tjes in een rij ach- / ter elkaar, en misschien was het maar / één trippelaar, maar zo, in de vroege / ochtend, wanneer de sneeuw kraakt als / nieuw in te lopen teer, lijkt het alsof al- / les, zoals die ene vogel, mogelijk nog in een veelvoud breekt _

link van voordracht:  https://vimeo.com/149387155

Uitgeverij                  Querido, 2015
Pagina’s                    112
ISBN                          978 9021 457 055

Recensie door Kyra, januari 2016

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress