Recensies

‘Hoe harder ik loop, hoe kleiner ik ben’ door Kjersti Annesdatter Skomsvold

Kjersti Annesdatter Skomsvold - Hoe harder ik loop, hoe kleiner ik benDe dag van Mathea begint met het lezen van de overlijdensadvertenties in de krant. Daarna vult ze de dag met oorwarmers breien.
Het verhaal met de monotone klank vind ik een bijzonder verhaal, omdat het zo beeldend en spiegelend is, en lang nawerkt. Een verhaal om te beschouwen en te onderzoeken.

De Noorse schrijfster Kjersti Annesdatter Skomsvold (Oslo, 1979) studeerde wiskunde, informatica, algemene literatuurwetenschap en Frans. Haar literaire debuut Hoe harder ik loop, hoe kleiner ik ben werd in Noorwegen en ook daar buiten in het algemeen zeer lovend ontvangen. Ze kreeg de debutantenprijs, werd genomineerd voor verschillende prijzen, en in 2014 ging een toneelversie van de roman in première in het Nationaltheater te Oslo.

Het boek is vertaald in 27 talen, telt slechts 132 pagina’s en begint op de eerste pagina met:

> ε

Wat is dat voor een teken, vraag ik me af (als mens die nooit wiskundeles heeft genoten) en zoek het op.
Het is de hoofdletter E en kleine letter e (een gespiegelde 3), Epsilon, de vijfde letter van het Griekse alfabet. ε’ is het Griekse cijfer voor 5, ,ε voor 5000. In de wiskunde wordt ε gebruikt om willekeurig kleine getallen aan te geven, bijvoorbeeld bij limieten.
Het epsilonsymbool is een veelgebruikte Griekse letter in de wiskunde.

Dit wil ik graag weten omdat de schrijfster Epsilon als naam gebruikt en beschrijft als de echtgenoot (zonder uiterlijke kenmerken) van hoofdpersonage Mathea Martinsen.

Mathea heeft nooit veel met andere mensen van doen gehad. Maar één ding blijkt ze op het laatst van haar leven wel begrepen te hebben: ze zijn niet als zij. Als oude vrouw wordt ze bevangen door de vrees te zullen sterven zonder dat iemand van haar bestaan geweten heeft.

Onzichtbaar en alleen leeft ze in een flatje waar ze eerst door Lia Skomsvoldhet kijkgaatje in de voordeur kijkt, voordat ze naar buiten durft te gaan.
Haar ogenschijnlijk alledaagse en eentonige leven bestaat merendeels uit breien en tv kijken, maar ze heeft innerlijke rijkdommen die niemand opmerkt en die, als een monoloog, heel opgewekt en ontroerend zijn, vol taal en vol herinneringen.
Vaak wil Mathea deze zinnen laten rijmen om er, spottend, de moed in te houden.
De verwoordingen van haar innerlijke leven in haar hoofd, zit vol humor en ze maakt er het beste van, geheel voor haarzelf alleen, een mooi soort eigenwaarde.

Haar liefde voor Epsilon is op zo’n manier neergezet dat er bij het lezen alsmaar de sfeer opkomt dat hij haar man was, maar al lang geleden overleden is. Ik twijfel of Mathea alleen in gedachten zinnen tegen hem zegt en in haar fantasierijke verbeeldingkracht Epsilon ook tegen haar terug praat in een wonderlijke imaginaire eigen wereld. Waarschijnlijk zijn verschillende interpretaties mogelijk.

Haar introverte manier van leven heeft Mathea nooit parten gespeeld, maar nu ze wat ouder wordt (er wordt in het boek geen leeftijd genoemd) oefent ze, vol hoop, om in de buitenwereld te kunnen functioneren.
Als ze weer eens goedgemutst naar de winkel gaat, knoopt ze onderweg een praatje aan met een man aan de kant van de weg :
‘‘Hallo‘ zeg ik. Het lijkt alsof ik mezelf van buitenaf hoor, mijn stem klinkt zo hoog en zo anders.
Hij vertrekt geen spier.
‘U hier‘ zeg ik.
Hij zegt niks.
‘Ja,’t is hier ook heerlijk hè, zeg ik.
‘Jawel’, mompelt hij . Dat is alles, meer komt er niet en ik voel dat ik in paniek ga schieten, hij is duidelijk niet iemand van koetjes en kalfjes. Ik ben bang dat ik hem kwijt ben als ik niet gauw iets interessants zeg.
‘Hoe heet u?’ vraag ik, ik sta versteld van mijn eigen durf. Met een ernstig gezicht mompelt hij iets. . . ” (pag 82-83)

De korte zinnetjes maken de roman eigenzinnig, ironisch ook.
Het contact met de buitenwereld gaat stroef, een laatste gebeurtenis in het leven van Mathea, die door geen mens gehoord of gezien is, is het sluitstuk van het boek.
De kans dat we zullen sterven is kleiner dan ε, gegeven dat ε een microscopisch kleine hoeveelheid is.” (pag 129)

In een interview vertelt Kersti Annesdatter Skomsvold dat Mathea zelf geen last had van haar geaardheid. Ze vertelt ook over de titel, die duidt op het feit dat Mathea altijd hard weg is gelopen voor de buitenwereld, de spiegel hierin miste en dat ze zichzelf kleiner maakte dan ze was.

De ondergedompelde melancholische tonen in Hoe harder ik loop, hoe kleiner ik ben klinken nog een tijdje in mij na. . . Een triest en aangrijpend verhaal, met veel inlevingsvermogen opgetekend, door een jonge vrouw, over een oude vrouw.

Uitgeverij                     Zirimiri Press
pagina’s                        132
vertaald                        uit het Noords door Willem Ouwerkerk
(oorspronkelijke titel : Jo fortere jeg går, jo mindre er jeg)
ISBN                             978 9490 042 097

recensie door Lia Martinali,  januari 2016

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress