Recensies

‘Als je wilt’ door Helle Helle

Helle Helle - Als jij wiltVoor de lezer die bekend is met het werk van Helle Helle (1965) valt er al snel iets op aan haar nieuwste roman Als je wilt: de ik-verteller, Roar, is een man. Sinds haar debuut heeft Helle Helle steevast vrouwelijke protagonisten ten tonele gevoerd. Verder speelt Als je wilt zich in de Jutse natuur af en is het uitgangspunt een stuk dramatischer dan men van Helle Helle gewoon is: Roar is tijdens het hardlopen de weg kwijt geraakt, de batterij van zijn telefoon is leeg, hij heeft geen water of eten bij zich, het is koud, de avond valt.
Om kort te gaan, ik weet niet wat ik moet doen. ik ben in het grote bos verdwaald. Ik weet niet veel van bossen, ik ben niet zo’n blijmoedige natuur. Dat zeiden de anderen eergisteren tijdens de koffie. Maar hier bevind ik me onder de Jutse reuzen, in zogeheten hardloopschoenen.” (p.6)

Al ronddwalend komt deze Roar een vrouw tegen, het toeval wil dat ook zij (ze verblijft de hele roman naamloos – weliswaar vertelt ze hem dat ze bijna dezelfde achternaam heeft als Jens Vejmand, maar wat daadwerkelijk haar naam is, wordt nergens genoemd) tijdens het hardlopen is verdwaald. Het is koud, ze hebben honger en dorst, hij heeft een steeds pijnlijker wordende blaar, er is geen mobiele dekking. Uiteindelijk vinden ze een schuilhut waar ze beschutting zoeken tegen kou en wind en waar ze de nacht doorbrengen. Met niets anders te doen dan praten, begint vooral zij te vertellen. Op subtiele wijze gaat de dialoog tussen Roar en deze “Vejmand” over in een vertelling in de derde persoon waarin haar zogenaamde ‘levensverhaal’ verteld wordt, en verdwijnt de setting in het bos een tiental hoofdstukken lang (bijna) geheel uit beeld.

Het kaderverhaal dat zich afspeelt in het bos en in de eerste persoon verteld wordt, is in zekere zin dramatisch te noemen, de binnenvertelling daarentegen geeft een beschrijving van een vrij banaal leven, gestuurd door niet significante dagelijkse routines, zonder echte hoogte- of dieptepunten. Helle Helle slaagt er echter in dit op mooie wijze te verwoorden en het verhaal zit – zoals zo kenmerkend is voor haar schrijfstijl – vol subtiele maar veelzeggende details. Haar geliefde die een door haar gebreide trui draagt als teken van geluk, hij die haar een wekkerradio als kerstcadeau geeft als voorbode van afbrokkelende liefde. Een automatisch terugspoelende videoband als symbool voor eenzaamheid:
Als ze op een heldere zomeravond een wandeling in de nabijgelegen woonwijk maakte en door een heg of over een van de vele wilgenhagen keek, kon ze soms een verlangen bespeuren om daar te zitten, midden in de barbecuerook. Of ’s winters, aan het eind van een zondagmiddag, als het licht brandde in de huizen en ze een glimp opving van kleine voetjes op een bank, of gewoon een rommelige vloer. Dan voelde ze een gemis. Maar aan de andere kant was ze ook altijd best blij als ze de deur van haar appartement opendeed. Ze bleef maar verrukt over haar schoenenkast en de manier waarop haar fauteuil met het lamsvel bij de tv stond. Het moeilijke moment begon als de film was afgelopen en de video automatisch begon terug te spoelen. Dat geluid, en daarna niets.” (p. 85-86)

In tegenstelling tot over “Vejmand”, komt de lezer over Roar amper iets te weten; hij is een min of meer karakterloos personage – veelzeggend is ook de toevoeging “Dat zeiden de anderen eergisteren tijdens de koffie” nadat hij over zichzelf zegt dat hij niet zo’n “blijmoedige natuur” is (zie eerste citaat), zelfs over zichzelf spreekt hij in de woorden van anderen. Roar is een man van weinig woorden en leidt een onopvallend, stil leven. Bovendien stelt hij zich constant passief en afwachtend op: het is “Vejmand” die telkens initiatief neemt, zij is ook degene die de schuilhut vindt, die de dekens ontdekt, die water gaat halen. Zij wordt hier in deze vreemde omgeving bijna een ander persoon, krachtdadiger en initiatiefrijker dan in het alledaagse leven. Hij stelt zich passief en afwachtend op, volgt haar.

Behalve dat hij zich afwachtend en afstandelijk opstelt tegenover andere mensen, creëert Roar ook een zekere afstand tot zichzelf. Dit begint al in de allereerste zin van de roman: “Dit ben ik niet” (p.1). Het zegt in bepaald opzicht iets over hem, maar schept ook afstand. Je zou het kenmerkend voor de karakterloosheid van Roar kunnen noemen.

Er valt veel voor te zeggen dat “Vejmand” de eigenlijke hoofdpersoon van de roman is en dat (de vertelling over de twee dagen in het bos met) Roar niet meer dan het raam is, een opening voor haar verhaal. Daarbij is hij, in tegenstelling tot in zijn (onbeduidende) rol als handelend personage, ook juist in zijn rol als verteller het meest expliciet aanwezig. Zo onderbreekt hij het verhaal een paar keer vrij abrupt, bijvoorbeeld door zich direct tot de lezer te richten, of door ‘hardop’ te reflecteren over zijn taalgebruik of woordkeuze: Nadat ik-verteller Roar op pagina 6 vijf keer het woord ‘niet’ gebruikt, volgt de opmerking “Gebruik het woord ‘niet’ nou niet zo vaak” (p.6). En even later: “Maar, maar, maar” nadat hij drie keer vlak na elkaar een zin begonnen is met ‘Maar’. Ook in zijn rol als verteller lijkt hij twijfelend.

Wanneer “Vejmand” ziek wordt door het drinken van vervuild water, stelt Roar zich uiteindelijk wat assertiever op. De gesprekken lopen ook wat soepeler en er ze lijken nader tot elkaar te komen.
De pogingen van Roar en “Vejmand om de weg terug te vinden doen eigenlijk ook maar halfhartig aan (willen ze wel echt terug naar huis?) en gedurende het verhaal zijn meerdere zaken die er op wijzen dat ze met alle waarschijnlijkheid niet heel diep verdwaald zullen zijn. Er wordt gesproken over een bushalte, ze horen ’s nachts in de verte de sirenes van een ambulance en bovendien heeft Roar als hij de weg kwijtraakt nog maar eventjes, misschien maar een kwartier, gelopen – ongetraind als hij is en met zijn “zogeheten hardloopschoenen” in nota bene twee verschillende maten zal hij geen lange afstand afgelegd hebben. Een meer symbolische lezing ligt dan ook voor de hand: ze zijn niet alleen verdwaald in het bos, maar ook in existentieel opzicht ‘de weg kwijt’. Ze lopen wat doelloos rond, en als ze uiteindelijk weer de mogelijkheid hebben om iemand te bellen, is er eigenlijk niemand om te bellen, niemand die op ze wacht, misschien wel niemand die ze echt mist.

Als je wilt is een bijzonder mooie roman over twee vrij eenzame, licht-tragische personages die ‘gedwongen’ worden sociaal te zijn, iets waar ze eigenlijk niet heel goed in zijn. Onder deze unieke omstandigheden slagen ze daar toch wonderwel in, waardoor er uiteindelijk zelfs een soort saamhorigheid tussen deze twee personages ontstaat. Een roman die vol zit met suggestieve maar vaak ook trefzekere details die zich mede daarom ook uitnodigt tot herlezing. Aan de (plotgerichte) lezer die een ‘spannend’ verhaal over twee wildvreemden die verdwaald zijn in diep en donker bos verwacht, is Helle Helle echter waarschijnlijk niet besteed.

Uitgeverij          Querido, 2015
Pagina’s             160
Vertaald            uit het Deens door Kor de Vries (oorspronkelijke titel Hvis det er)
ISBN                  978 9021 457 581

Recensie door: Kyra, december 2015

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress