Recensies

‘Wachtkamers’ van Saskia Stehouwer — De som der delen

Saskia Stehouwer heeft met haar bundel Wachtkamers de C. Buddingh’-prijs 2015 in de wacht gesleept.

De gedichten gaan vaak over familie, met name over vaders en kinderen, maar ook over oma’s. De vader is vaak verdwenen en deze afwezigheid tekent de kinderen. Moeders en echtgenotes lijken vaak de weg kwijt, niet meer in staat om het gezin te leiden.

de moeder verrookt haar zorgen
in een asbak die alles hebben kan
we volgen het spoor van de vader
tot aan de voordeur
een kruis gekerfd naast de kruk
tot hier en niet verder       (p. 28, Twee kantjes)

een moeder staat met haar kind op de stoep
kijkt naar de huizen die er anders ook zijn
telt de lege flessen in de tas
en draait zich om         (p. 68, Druk daar boven)

Soms zijn ze zelfs gevaarlijk.

heimelijk wenst de moeder zich
dezelfde kaken om in het bed te zetten
haar afdruk een boodschap
te laten zijn het tandenloze zusje
een kraag aan te naaien       (p. 30, Twee kantjes)

Het mooiste aan de gedichten zijn de dreigende momenten. Zoals moeders die kunnen ontaarden. Maar ook anderen die beweren je lief te hebben, kunnen het slecht met je voorhebben. Zoals in deze huiveringwekkende regels:

ik zal ijsjes voor je kopen
ik zal uien voor je huilen
ik zal je inmaken in
mijn kelder onder het tapijt       (p. 55, Voor)

Maar niet alleen de inhoud is van belang. Ook de vorm telt. De bundel bestaat uit 6 delen en elk deel bestaat uit 6 tot 8 gedichten. Elk deel bestaat uit een titel, een kort gedicht (soms twee) en daarna de 6, 7 of 8 ‘echte’ (langere) gedichten. Ter illustratie het begin van het eerste deel.

(p. 9) het onvermogen van de voorbijganger

(p. 11) wat betreft de watervogels 
ik beweer niet dat ik ze gezien heb
ik zeg niet dat ze zwart waren
of zwommen
misschien waren ze er
die dag wel niet

ze gooiden hun veren af
en renden weg

de vleugels
in het gras
kindersokken

(p. 13) BAARDGROEI

vannacht ben ik een man die een vrouw kust
en zijn halfnaakte vader belooft
op zoek te gaan naar een bruid

vannacht steelt een vrouw een blauw hertje van mijn balkon
en moppert dat onze kleren haar kat bang maken
zelfs in mijn dromen moeten mensen van me houden

ik vind het dagboek van mijn oma in een wachtkamer
het is druk het loopt slecht af

een man verdwijnt in een veld vol molens
zijn gedachten kleine kinderen die op hun knie zijn gevallen

morgen ontmoet hij een jongen
die een helder beeld heeft van zijn toekomst

morgen zal hij iets kwijtraken en in een hotel gaan wonen
om het terug te vinden

En het begin van het laatste deel:

(p. 75 ) waar is wyoming

(p. 77) we komen op een punt
dat we allemaal honger hebben
en geen zin om te praten

(p. 79) BOODSCHAPPEN
als je het been van een paard mag strekken
als je door het haar van een cello strijkt
voel dan dat je ver van huis bent
en dat dit de brieven zijn van je familie

de arm waarmee je slaat is niet meer van jou
de woorden die je slingert komen ’s nachts terug
en houden huis in een donkere hoek van je hoofd
je neemt iemand iets af wat je zelf mist
het kan niet leven tot je het teruggeeft
de ander recht aankijkt zodat de woorden
kunnen oversteken

hoe ver reiken de handen aan onze armen
de woorden die wij zelf kunnen bedenken
wie is het die de zon tegenhoudt

elke regenworm werkt mee aan jouw eten
en hoeft daarvoor niets terug
bewerk de grond voor je dieren
zij bewerken de grond voor jou

als je ergens anders opstaat
voelt de vloer niet hetzelfde

Het is mooi wat Saskia Stehouwer met woorden doet, ze beheerst de taal in de zin en nog beter in de strofe. Maar als geheel voelen haar gedichten niet aan als eenheid. De jury heeft haar de prijs toegekend dus zij zullen het wel weten, maar soms bekroop mij als lezer het gevoel alsof iedereen graag wil dat het meer betekent, dat wat vaak op losse flarden lijkt wel degelijk met elkaar te maken heeft.
Natuurlijk probeert de dichter van begin tot eind een geheel tot stand te brengen, maar het is jammer dat er steeds wordt gegrepen naar andere metaforen die het punt nog (of juist) niet duidelijk maken. Mogelijk is het te subtiel, maar het kan ook zijn dat er slechts suggesties worden gedaan: mooie woorden aaneen worden geregen zonder dat het overkoepelende beeld van het gedicht als een stevig geheel voelt. Zo lijkt de laatste strofe van bovenstaand gedicht meer op een naschrift. Het gedicht leek al af bij ‘bewerk de grond voor je dieren / zij bewerken de grond voor jou’. En eigenlijk had die ogenschijnlijk onhandig geformuleerde tegenstelling wel genoeg in zich om het einde te dragen. Het vervolg ‘als je ergens anders opstaat / voelt de vloer niet hetzelfde’ heeft in het hoofd van de dichter weliswaar een verklarende betekenis maar voor mij als lezer voelt dat niet zo. Dat lijkt bij veel gedichten uit deze bundel het geval te zijn. Uiteindelijk moet een gedicht niet een gegis zijn naar raadselachtige hints en motieven of stokpaardjes van een dichter. Het gedicht moet op zich staan, als een huis. Gelukkig is dat af en toe wel het geval, zoals bij het volgende gedicht.

(p. 53) HÛS
ik sta voor de deur
van het huis waar ik niet woon
loop naar binnen
om te zien hoe je slaapt
met welke hand
je een pot jam opendraait
hoe de planken kraken
als je sokken aanhebt

zonder vrienden ben je rook
zonder stem een kikker
die gekust wil worden
met je mondhoeken omlaag
op zoek naar kruimels

altijd voor tien uur uit bed
zodat je op schorre toon
de vogels een halt kunt toeroepen

ik klop op de deur
schraap mijn keel
en wacht
mijn korte arm uitgestrekt

Dit gedicht wacht geduldig. Het lijkt minder op een verzameling losse strofen, er is een rode draad van begin tot eind. Het is als geheel een eenheid, zoiets als een huis.

Uitgever      Marmer, 2014
Pagina’s      88
ISBN            978 9460 682 216

Recensie door Aarti Rampadarath, 30 november 2015

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress