Recensies

‘Dertig dagen’ door Annelies Verbeke

Annelies Verbeke - Dertig dagenAlphonse Badji heeft zijn muzikantenbestaan in Brussel ingewisseld voor een rustig leven als schilder en ‘klusjesman’ in de Vlaamse Westhoek. Samen met zijn vriendin Kat woont hij in Zoetemore, een (fictief) plaatsje tegen de grens met Frankrijk.

Hier in de Vlaamse Westhoek zijn de sporen van de Eerste Wereldoorlog nog duidelijk te zien, zijn de mensen stug en is het zelfmoordpercentage bijzonder hoog. Het dorpje Zoetemore ligt afgelegen, desolaat – voor een broodje shoarma moet Alphonse twintig minuten rijden. Kat mist de stad, zegt geregeld terug te willen, en kan niet echt aarden in deze nieuwe omgeving. Daar waar zij vooral het verval en de troosteloosheid ziet, ziet Alphonse de prachtige landschappen, de mooie natuur. Hij lijkt er oprecht gelukkig.

Alphonse is “fundamenteel gelukkig”, zoals hij zelf zegt (p. 46). Hoewel oprecht gelukkige personages schaars zijn in de literatuur en er aan dat geluk van diegene die dat wel zijn vaak al snel een einde komt, lijkt dit in Alphonses geval niet zo. Kat had een kwaadaardige tumor, maar lijkt genezen. Zijn familie in Senegal blijft verschoond van Ebola, hij heeft werk en klanten genoeg.
Toch zijn er ook in deze roman voorbodes van aankomende tegenspoed. Dertig dagen bestaat uit dertig hoofdstukken met aflopende hoofdstuknummers; van 30 naar 1.

Alphonse is een buitenstaander, niet alleen omdat hij niet in de Westhoek opgegroeid is, maar vooral ook door zijn huidskleur en Senegalese afkomst. Hij is de enige “zwarte” in deze relatief bekrompen, witte en vrij xenofobische omgeving. In tegenstelling tot een grote stad als Brussel is hij daar in zekere zin wél “de Afrikaan die vanachter de gordijnen wordt bespied” (p. 130).
Racisme is ’slechts’ een onderliggend thema in de roman, maar het is wel door de hele roman aanwezig. Af en toe wordt het racisme meer expliciet, zoals wanneer zijn huidskleur aangevoerd wordt als reden voor het annuleren van een klus. “Wij wisten niet dat u van ginderachter bent […] Wij wisten niet dat u niet van hier bent. […] Maar wij doen daar niet aan mee, meneer. “Multikul” noemt mijn man het. […] Wij wisten niet dat u niet van hier bent. En daarom wensen wij u hier morgen niet over de vloer” (p178). Daarnaast is er vooral veel latent racisme.

Mensen beginnen opeens Engels te praten als ze hem zien, soms zijn mensen ronduit onvriendelijk en denigrerend en keer op keer wordt hem gevraagd waar hij “écht” vandaan komt. Het is gemakkelijk hier direct iets xenofobisch in te lezen, maar dit hoeft natuurlijk niet per se zo te zijn. Zo vraagt ook Alphonse zich af of de mensen die zich kortaf en kleinerend gedragen gewoon onvriendelijk zijn tegen iedereen, of dat het te maken heeft met hem, met zijn afkomst?

“[W]as die man zo onvriendelijk omdat hij zo onvriendelijk is of had zijn vernederende toon te maken met hoe hij, Alphonse, eruitziet? En als het resultaat voor hem hetzelfde blijft, maakt het dan verschil of die voor hem volstrekt onbelangrijke vent zich tegenover iedereen zo gedraagt of niet? Ja. Dat maakt een hemelsbreed verschil” (p. 221-222).

De meeste van zijn klanten gedragen zich daarentegen vriendelijk, zijn dankbaar voor zijn werk, en vertrouwen hem bovendien allerlei persoonlijke zaken toe. Niet alleen ondanks, maar ook juist omdat hij in zekere zin een buitenstaander is, openen de mensen zich zo gemakkelijk tegenover hem. Hij is een vreemde, iemand die ze niet kennen en die nog geen beeld van hen heeft. Alphonse is iemand die ze vluchtig toegang tot hun leven geven en die ook even snel weer uit hun leven verdwenen kan zijn. Toch is dit vluchtige contact ook intiem; hij komt in hun huizen, ook als ze er zelf niet zijn – een enkele keer laten ze hem alleen met een huisdier of zelfs kind. Hij krijgt niet alleen toegang tot hun huizen, maar ook tot hun ziel.
Alphonse lijkt geen problemen te hebben met deze opgedrongen openhartigheid en biedt graag een luisterend oor – als een van zijn klanten midden in een lang verhaal stilvalt, hem verontschuldigend aankijkt en “Ik kom to the point” zegt, antwoord Alphonse met “Vertel alles” (p. 268). Alphonse geeft advies, staat altijd klaar voor anderen, wil goed doen – koste wat kost, lijkt het wel. Soms raakt hij de balans kwijt, want hoever ‘moet’ of kan je hierin gaan? Kat ergert zich aan de tijd die hij aan zijn klanten besteedt, soms lijkt hij meer aandacht voor hen te hebben dan voor haar. Zo onderbreekt Alphonse een restaurantdiner met Kat en zijn uit Brussel overgekomen jeugdvriend om een van zijn klanten te helpen een geest te verjagen.

Deze oudere dame die de geest van haar overleden broertje ziet, is maar een van de vele bijzondere bijpersonages die het boek rijk is. Zo is er ook Gewijde, die een alcoholprobleem en een tuin vol roestende barbecuestellen heeft en in zijn jeugd is misbruikt door een pedofiele priester; Duran, de eigenaar van de pitazaak die heimelijk mannetjes van ijs maakt; Hadrianus, het zoontje van de spoedeisende hulparts dat Maori-krijgsdansen uitvoert en een maagzweer heeft; de schrijfster die een erotisch verhaal schrijft waarin Alphonse een hoofdrol speelt en de gestoorde journalist die tijdens een uit de hand gelopen interview zijn behoefte op het tapijt van deze dame doet. Ook zijn er nog ruziënde buren met ingewikkelde driehoeksrelaties en is er de wildvreemde man in een eettentje die Alphonse en Kat vraagt of ze ook vinden dat het Elvis-shirt dat hij gekocht heeft een beetje stinkt en hen er vervolgens aan laat ruiken.
Al met al wordt dit misschien een beetje te veel van het goede; dit bonte gezelschap van Westhoekbewoners wordt wel erg karikaturaal weggezet. Alphonse (en Kat) lijkt bij wijze van spreken het enige ‘normale’ personage. Wel benadrukken de situaties waar Alphonse via deze mensen in belandt zijn onvoorwaardelijke bereidwilligheid te helpen en in zeker opzicht ook de intimiteit van de ontmoetingen. Deze mensen geven hem toegang tot ver achter de façade.

“Volgens Kat is hij een magneet voor gestoordheid, en ook collega’s en vrienden uit het verleden wezen hem op dat soort aantrekkingskracht. Hij kan zichzelf er niet van overtuigen: dit zijn mensen die hun wanden een andere kleur willen geven, ze hebben zijn telefoonnummer op het internet of onder het regenbooglogo op de zijkant van zijn bestelwagen gevonden. Dit zijn geen in zichzelf pratende randfiguren die hem van de andere kant van een vol plein in de gaten hebben gekregen en op hem af zijn gekropen. Dit is de afwijking niet, dit is de norm achter muren “(p. 41).

De luchtige, komische elementen maken dat de toon van deze roman, die tevens serieuze en zeer actuele kwesties als racisme en de vluchtelingenproblematiek behandelt, nooit te zwaar of moralistisch wordt. De combinatie maakt het drama luchtiger, de komedie ernstiger.

Alphonse ziet schoonheid in de tristesse en goedheid in alle mensen, en soms lijkt dit bijzondere personage een te goed mens in een slechte wereld. Hij wil helpen, goeddoen. Maar toch vindt Verbeke ook hier een mooie balans en wordt het geheel nooit te zwart-wit; Alphonse blijft ondanks zijn onbaatzuchtige wil tot goeddoen en engelengeduld – gelukkig – toch ook maar gewoon een mens; ook hij is niet perfect of zonder smet. De passages waarin er over zijn verleden gesproken wordt getuigen van een zeker niet conflictvrij verleden en ook de relatie met Kat kent verschillende breuken. Waarom ze nou eigenlijk naar Zoetemore zijn verhuisd wordt ook nooit duidelijk.

Hoewel Dertig dagen grotendeels via een alwetende verteller door de ogen van Alphonse wordt verteld, bevat de roman ook een aantal cursieve passages waarin Alphonse even door de ogen van een ander wordt gezien. Hier zien we hem meer expliciet door de ogen van de Westhoeker, zoals op pagina 181, wanneer hij voor de tweede keer binnen korte tijd iemand bij de Eerste hulp komt afleveren:

“Die Afrikaan komt haar bekend voor, maar ze zal hem wel met een andere verwarren. Je ziet er tegenwoordig ook zo veel. De situatie loopt uit de hand, de dijken breken. Deze week nog op het journaal, die beelden, het was niet op Lampedusa. Een van de Canarische eilanden wellicht, met honderden spoelden ze aan, klommen ze over hekken, juichten ze op Europees grondgebied. En hier vlakbij, in Calais, die mislukte bestorming van dat schip. Ze hadden het er nog over, zij en haar man, dat het nog zal toenemen, en wat dan? Hij neemt het hun kwalijk, haar man” (p. 181).

Wanneer Alphonse later per toeval op een vluchtelingenkamp stuit, gelegen tussen de voormalige loopgraven in het grensgebied met Frankrijk, doet hij voor de derde keer een beroep op de diensten van de spoedeisende hulparts uit bovenstaand citaat. De hulp die ze deze Syrische en Afghaanse vluchtelingen bieden, wordt hen echter niet door iedereen in dank afgenomen. Maar Alphonse wil goed doen en keert dag in dag uit met dozen vol boodschappen terug naar het kamp, tot op een dag iedereen verdwenen is. Naargelang het boek vordert en de hoofdstukken aftellen, worden thema’s als racisme en vreemdelingenhaat prominenter, thema’s die nu misschien nog wel actueler zijn dan op het moment van schrijven. En hoewel het einde van deze sterke roman niet geheel onverwacht komt, komt het toch keihard aan.

Sinds deze week staat Dertig dagen op de shortlist van de ECI literatuurprijs.

Uitgeverij          De Geus, 2015
Pagina’s             320
ISBN:                 978 9044 533 545

Recensie door: Kyra, september 2015

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress