Recensies

‘Het lam’ door Jannie Regnerus

Jannie Regnerus - Het lam Het Lam begint met een dood lam in Tunis en eindigt met een bezoek aan Het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck in Gent. In de pagina’s en maanden daartussen wordt de lezer deelgenoot gemaakt van de gevoelens en vooral de veranderde kijk op de wereld van Clarissa, een moeder wier vijfjarige zoontje Joris vlak na Pasen “het vermiljoenrood van de Vlaamse primitieven” (p. 15) plast en gediagnosticeerd wordt met nierkanker.
Veel achtergrondinformatie geeft Regnerus de lezer niet over deze moeder. Maar dit maakt voor het verhaal niet echt uit. In deze roman is zij boven alles de moeder van een ernstig ziek kind. Regnerus laat op subtiele wijze zien hoe de diagnose Clarissa’s (blik op de) wereld verandert. Haar wereld stort in en dit wordt gereflecteerd in haar observaties, in de dingen om haar heen.

Dat Het lam zogezegd het verhaal van de moeder is, wordt versterkt door het gegeven dat de vader opvallend afwezig is in deze roman. Het is Clarissa die Joris naar school brengt, die keer op keer met hem naar het ziekenhuis fietst, die met hem naar Artis gaat, die midden in de nacht zalm voor hem klaarmaakt. Ook als Clarissa Joris meeneemt naar de Efteling is zijn vader er niet bij. Dientengevolge zit de kleine Joris moederziel alleen in ‘Joris en de draak’ (!) wanneer Clarissa, misselijk en bang dat ze moet overgeven, geen tweede keer in de achtbaan durft.
Vanaf de grond ziet ze Joris in de trein van houten karretjes omhooggaan, in alle andere zitten twee mensen. De lege plek naast Joris maakt zijn silhouet onverdraaglijk eenzaam” (p. 125).

Joris’ vader wordt slechts een tweetal keren kort genoemd en verblijft bovendien naamloos; hij wordt enkel omschreven als “zijn vader”. Hij is er als Joris na zijn nieroperatie terug naar huis mag, en er is nog een scene aan het begin van het boek, net nadat de tumor is geconstateerd, waarin de vader figureert.
Nog geen etmaal geleden stond ze neuriënd in de keuken, luisterend naar de kreten die vanuit de belendende kamer kwamen. Joris met zijn houten zwaard in de weer, zijn vader speelde het gewonde draakje” (p. 25).

Hier wederom een verwijzing naar (de legende van) Joris en de draak; Sint-Joris, de krijgshaftige en moedige heilige die uiteindelijk de draak doodde en ‘het kwaad’ overwon. Clarissa vergelijkt Joris chemokuren bovendien met een gifbeker, ook hier kan een parallel met de heilige Joris die gedwongen werd van een beker met gif te drinken in gelezen worden.

De – vaak Christelijke – symboliek lijkt, wanneer je er eenmaal op gaat letten, van het verhaal af te druipen, iets wat tijdens het lezen van de roman overigens zeker niet storend was. Zo wordt Joris met zijn handen vol prikgaten vergeleken met Jezus die met doorboorde handen aan het kruis hangt en ontwaakt hij iedere morgen in een “aureool van gouden haren” (p. 68). Wanneer er een echo van Joris’ nier wordt gemaakt, moet Clarissa denken aan de afgebeelde heiligen in de nissen van een Italiaanse kerk, in duisternis verhulde kunstschatten die even kort oplichten in fel licht wanneer er geld in een kastje wordt geworpen. Het contrast tussen licht en duisternis komt overigens op verschillende momenten en niveaus terug in de roman.

Kunst en religie bieden Clarissa houvast, hoop – net als de lichtelijk absurde krantenartikelen die ze verzamelt; kleine wonderen die haar helpen te blijven geloven in een goede afloop.

Ondanks het aangrijpende en droevige thema wordt deze roman nooit te sentimenteel, mede omdat niet zo zeer het ziekteproces of de zieke zelf centraal staat, maar Regnerus Clarissa’s wanhoop en het leed in afwisselend koele, bijna zakelijk observaties en rake poëtische beelden tot uitdrukking laat komen. Alles wat Clarissa voelt, doet en ziet, stelt ze in verband met Joris en zijn ziekte, en projecteert ze als het ware op de wereld, ziet ze terug in de dingen om haar heen. De knoppen aan de takken van boom die ze door het raam ziet zijn als tumoren, de medewerkers van de reinigingsdienst met hun hogedrukspuit als “oncologen van de straat” (p. 53).

De pijn klinkt misschien nog wel het meest door in vluchtige details; het kleine jongetje in onderbroek met treintjesmotief dat snikkend in de behandelkamer van de radioloog staat, de uitgevallen haren op de schouderstukken van zijn beertjespyjama.
Joris verliest zijn haar, zijn wenkbrauwen, zijn ogen worden dof en de kleur verdwijnt uit zijn gezicht. Maar niet alleen Joris verbleekt, stilaan verliest Clarissa’s hele wereld kleur en kan ze geen schoonheid meer zien. “Misschien is dat vooralsnog haar grootste verlies […], haar oog vindt geen schoonheid meer” (p. 51), constateert Clarissa ook zelf in de roman. Ze ziet opeens overal troep, viezigheid, dood en verderf. Afval op straat, hondenstront, een bevuilde luier; “uitzaaiingen in de openbare ruimte” (p. 46). Een kastanjeboom wordt neergehaald, de in de tuin geplante kerstboom weigert daar verder te groeien. Alles lijkt dood, kapot, kil en lelijk, somber. De slaapkamer van Joris kijkt uit op een “afzichtelijk kantoor” dat een “kille slagschaduw” (beide p.44) over de huizen in de straat werpt; hun woning is bijna permanent in duisternis gehuld.

Tegenover dit alles staat (de kleurexplosie van) Het Lam Gods; het schilderij waarin zelfs de kleinste details schitteren, de onveranderlijkheid en de vitaliteit van de kleuren op het doek.

Soms lijken de verbanden die Clarissa legt wel wat vergezocht, bijvoorbeeld wanneer ze een vergelijking maakt tussen de zalmmoot in de koekenpan en haar eigen hart, of wanneer ze Joris vergelijkt met de windhaan op de kerktoren:
“[…] voor een moment vallen haan en kind samen; is het Joris die daar volstrekt verlaten op het puntje van een gouden naald knarsend om zijn as draait en balanceert, terwijl de windvlagen roekeloos met hem spelen” (p. 87).

In contrast tot alle troosteloosheid en wanhoop staat de voorspoed die Clarissa bij andere mensen constateert. Het prille geluk de achterburen, met hun nieuwe chromen kookeiland en een kindje op komst. Met enige afgunst registreert ze ook het welbehagen van de overgrootvader van Joris, die het eeuwige leven lijkt te hebben, en de andere oude van dagen in het bejaardenhuis. “Hier zitten de valsspelers van de stoelendans bijeen, met hun magere oudemensenbillen houden ze de stoelen bezet terwijl ze muziek al lang weer speelt” (p. 72).
Het voelt zo onrechtvaardig, dit ‘achteloze geluk’ dat ze om zich heen waarneemt. Groepjes scholieren fietsen luidruchtig door de stad, nonchalant converserend in “spreektaal waarin ernstige ziektes als voorvoegsels worden gebruikt” (p. 54), zich niet bewust van de hardheid hiervan. De (onbedoelde) lompheid van de zogenaamde ‘buitenstaanders’ wordt ook pijnlijk duidelijk in een terloopse opmerking over ouders die Joris nastaren en huiveren bij zijn aanblik, of in de passage waarin de schooldirectrice “iets te gretig” vertelt dat Joris het eerste “k-geval” op de school is, en daar nota bene in één adem “het is trouwens niet de eerste dode op school” aan toevoegt (p. 91).

Schrijnend (en onvergetelijk) is ook de scène die zich afspeelt in Artis, eens per jaar na sluitingstijd speciaal opengesteld voor doodzieke kinderen. Het lijkt iets moois, deze enorme operatie, de ‘parade’ van ambulances, brandweerwagens en politieauto’s vol met kinderen, op weg naar Artis, maar tegelijkertijd is de keiharde waarheid ook die zoals Regnerus die Clarissa en Joris laat ervaren:
Clarissa voegt zich met Joris in een carnavaleske optocht van kale kinderen, demeest verzwakte onder hen zitten in rolstoelen, voortgeduwd door ouders, te herkennen aan de diepe groeven langs de mond, niemand hoeft een entreebewijs te laten zien. […] Clarissa ziet dat Joris niet weet waar hij moet kijken, naar de leeuwen of naar de karavaan van zielenpoten die voorzien van gratis petjes en broodjes knakworst aan hen voorbijtrekt. Thuis leek het zo’n bijzondere kans; rond schemeruur de dierentuin in te gaan. Leeuwen en tijgers die tijdens de officiële openingstijden voor dood in een hoekje lagen te suffen, zouden dan gegarandeerd bloeddorstig achter de hekken heen en weer sluipen. Geen moment had Clarissa stilgestaan bij al die zieke kinderen met wie ze achter de hekken moesten oplijnen” (p.101-102).

Maar ook tijdens dit ‘vreselijke’ bezoek aan Artis, vindt Clarissa, waanneer ze Joris wegleidt van de menigte en ze blijven staan bij een klein in duisternis verhuld aquarium waar alle andere bezoekers schouderophalend aan voorbijlopen, toch nog een sprankje hoop. Het wachten wordt beloond en plotseling zien ze vier lantaarnvisjes oplichten in het donker; als kunstschatten in hun donkere nissen, als Het Lam Gods in vroeger tijden, toen het kunstwerk enkel op heilige dagen zijn kleurrijke binnenkant aan de wereld toonde.

Uitgeverij          Atlas Contact, 2013
Pagina’s            140
ISBN                  979 9025 436 407 

Recensie door Kyra, juli 2015.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress