Recensies

‘Ghana ga weg’ door Taiye Selasi — Van migrant tot nomade

Taiye Selasi - Ghana ga weg Ghana ga weg (Ghana must go) is het verhaal van een Afrikaans gezin. Vader Kweku komt uit Ghana en moeder Fola komt uit Nigeria. In een bevoorrechte buitenwijk van Boston stichten zij een gezin met vier kinderen: Olu, die later ook chirurg wordt net als zijn vader; de tweelingzus Taiwo en –broer Kehinde die meer kunstzinnig zijn, en het jongste zusje Sadie, dat worstelt om even geslaagd te zijn als haar oudere broers en zus.
Na een ingrijpende gebeurtenis verdwijnt Kweku uit het leven van zijn kinderen. Dat is het begin van het einde van zijn gezin. Om het met de grote Afrikaanse schrijver Chinua Achebe te zeggen: “things fall apart”.

Weg, Op weg, Ga weg
In deze deeltitels speelt de auteur mooi met taal. Weg is het hoofdstuk waarin de dood van vader Kweku beschreven wordt. Deel 1 is helaas een worsteling omdat het overlijden van Kweku herhaaldelijk wordt beschreven zonder dat er een meerwaarde is in de herhaling.
Afgezien daarvan zijn de titels treffend en goed gekozen. Op weg beschrijft de opkomst en groei van de familie Sai. Ga weg is het hoofdstuk waarin alle losse eindjes bijeenkomen, maar tegelijk is het ook de onuitgesproken boodschap van het verhaal en van de vader: Gaat heen en vermenigvuldig u. (Maar vlucht niet meer.)
De vader en de moeder hebben naar hun eigen idee vooral leren vluchten: uit armoede of uit zelfbehoud, maar nooit hebben ze geleerd te blijven en ergens nadrukkelijk aanwezig te zijn en erop te vertrouwen dat die nieuwe plek hen met recht toekwam. Dat geeft de onzekerheid van migranten aan. Je kan niet meer terug, maar mag je dan wel voor altijd blijven? Wie garandeert je dat als je ergens niet geboren bent?

Ghana ga weg
Selasi gelooft in groots en meeslepend. Het begint al bij de titel. Om effect te sorteren gebruikt de auteur een slogan die gangbaar was (en is) in Nigeria. In 1983 verdreef de Nigeriaanse regering zonder pardon twee miljoen Ghanezen uit het land. De migranten uit het kleinere buurland Ghana waren al die tijd niet van harte welkom en werden door de Nigerianen vaak bespot door hun gebruik van generieke, multifunctionele boodschappentassen, die ‘Ghana must go’ werden genoemd en die nog steeds een begrip zijn, zij het nu op een trendy manier. Zo bezien is de titel van het boek pakkend, maar niet helemaal relevant aangezien het gezin Sai niet rechtstreeks betrokken was bij deze gebeurtenis. Wel maakt het duidelijk hoe vaak Afrikanen opnieuw moeten beginnen nadat ze voor de zoveelste keer verbannen zijn van een plek die (net) hun thuis was geworden.

Nader onderzoek op internet wijst uit dat deze tassen groot en stevig waren en logischerwijs door de Ghanezen bij hun tocht naar Nigeria en terug werden gebruikt. Later werd de tas populair in Nigeria zelf. Wederom zit hierin weer de metafoor van de migrant: in een grote, stevige tas al je dromen en toebehoren bij je dragen, op weg naar die veelbelovende toekomst die je hoe dan ook meer kansen dan je geboorteplek zal bieden. Kans op veiligheid, op vrijheid, op meer voorspoed. De schrijfster heeft jammer genoeg geen aandacht aan deze symboliek besteed, maar het beeld is voor de lezer wel treffend.

Op het laatst wordt de Ghana-ga-weg tas wel genoemd. Het is dan een onschuldig iets. Hij wordt niet gebruikt in de politieke context van vluchtelingen, maar in een familiesituatie en wederom biedt het gebruiksvoorwerp houvast, omdat er een aandenken van een familielid in zit, namelijk de zo vaak genoemde slippers van vader Kweku. Op het laatst is dat zowat letterlijk het enige wat er van hem over is. Over die symboliek valt ook weer veel te zeggen en dat doet Selasi dan wel heel treffend.

De slippers.
Afgedragen slippers die je zo even aanschoot, bruin, met versleten zolen. Net leren huisdieren met verlatingsangst, trouw, zijn hondjes. En zijn religie, waar hij in geloofde, het absolute fundament van zijn moraal: een mengelmoes van kosmopolitische ascese, ritueel en strakke lijnen. De slipper. Zo simpel van compositie, zo stil op hout, brenger van reinheid, rust en vrede bij Gods volk waar ook ter wereld, elke klasse en elke cultuur, voor iedereen betaalbaar, een unieke vorm van bescherming tegen de gevaren van thuis, zoals bijvoorbeeld splinters en bacteriën en schade toegebracht aan hout, dat wil zeggen, met de hand geschuurde eiken planken, vijfhonderd dollar de vierkante meter. Als hij ergens op bezoek ging, keek hij allereerst of de familie ook slippers ‘praktiseerde’, waar elk verder oordeel op gebaseerd werd. En als er iemand op bezoek kwam – God verhoede, de vriendinnetjes van Taiwo, krioelende hordes gillende klasgenootjes die smoor waren op haar tweelingbroer – stond hij al paraat bij de voordeur. ‘Kom binnen!’, plechtig gebarend naar de mand die hij daar had staan. Als een bak met huurschaatsen.
Slippers in alle stijlen en maten.” (p. 53)

Uit bovenstaande blijkt dat Afrikaanse normen en waarden Kweku toch niet verlaten hebben, ondanks zijn schijnbaar volledige assimiliatie. De slipper is in veel culturen van belang, juist voor migranten, en dat gedachtegoed dragen zij met zich mee. Selasi beschrijft op een warme manier hoe achter een simpel gebruiksvoorwerp een veel groter verhaal zit.
Als het boek eindigt, krijgt Fola de slippers van haar voormalige echtgenoot en het zijn die slippers, zijn slippers die de ontlading brengen. Via zijn slippers voelt ze even contact met hem en in die momenten beleeft ze het echte afscheid van Kweku, die eindelijk vredig klinkt. Hij stierf zonder zijn slippers, maar uiteindelijk zijn zijn slippers na hun lange omzwerving weer thuis, bij zijn gezin. De cirkel is rond en de symbolische reis van Kweku is eigenlijk aldoor op slippers gemaakt: geruisloos, onopvallend, met weinig druk.
De conclusie van Kweku, althans, wat Fola er op het laatst van begrijpt, is dat de kinderen moeten leren te blijven op hun plek, dat ze niet zoals hun ouders verslaafd raken aan het vluchten. In die zin moeten zij dichtbij hun slippers blijven, want daar zal hun thuis zijn.

Van 2 naar 3 D
Er komt wat meer warmte en vaart in het tweede deel Op weg. Alsof de woorden Op weg automatisch meer teweeg brengen. Op weg gaat zowel over de opkomst van de familie als van het verhaal dat eindelijk vaart begint te krijgen na het langzame taxiën in het eerste deel. De personages krijgen meer aandacht, hoewel je nog steeds niet kan spreken over veel diepte.
Zodra de verteller de Amerikaanse bodem verlaat, begint het verhaal te leven. Je kunt je afvragen waarom. In Amerika gaat het om weinig anders dan allerlei ‘wapenfeiten’ over de Ivy-League-personages. Ze zijn atletisch, knap, lijken zelden op iets minder dan een fiere Yoruba of een prinses, Afrikaans en zelfs met een vleugje blank. Ze zijn nooit gewoon, nooit ‘middle of the road’. Ze kennen alleen maar de 1% van de VS of horen bij de 99% procent in Afrika. Vader Kweku komt van de simpelst denkbare komaf, uit een eenvoudig maar sierlijk hutje. Dan al beschaafd, dan al intellectueel. De voorgaande zin wekt irritatie, en zo schrijft Selasi vaak ook. Voor de lezer is het heel vervelend om altijd te horen dat je zinnen netjes moet opschrijven en hier is dan een auteur die doet wat ze wil. Een schrijver heeft recht op een eigen, zeer idiosyncratische stijl. Maar toch heb ik me behoorlijk kunnen ergeren bij de halfbakken zinnen die opgedist werden.

Selasi trekt je gaandeweg het verhaal steeds meer mee, het geheel komt in beweging. Er wordt gereisd, er wordt kunst gemaakt, er is succes in de wereld. Maar toch lijkt het alsof de personages ergens halverwege tussen 2D en 3D zijn blijven steken. In haar poging om het stereotype van de hulpbehoevende Afrikaan te weerspreken, vervalt Selasi in het andere uiterste. Het is immers telkens weer hetzelfde: de knappe atletische broers, de een eigenlijk nog knapper dan de andere, de twee zussen, de ene met eindeloze benen en slank als een model, stug en stoer, de andere schattig, onzeker dus lieflijk, kwetsbaar. Ze zijn herkenbaar want ook in het echte leven nemen gezinsleden vaak de rol aan waar ze het makkelijkst in stappen, met alle gevolgen voor de lange termijn. En toch zijn ze ondanks hun belevenissen niet meer dan wandelende reclameborden. In die zin lijkt het boek een beetje op The Namesake van Jhumpa Lahiri, al brengt Selasi meer leven in de brouwerij.

Amerikaanse droom
Het spectaculaire succes van migranten die komen bovendrijven bij de elite van de Amerikaanse samenleving spreekt tot de verbeelding. Maar hun Afrikaanse warmte zijn ze kwijt, of hebben ze nooit gekoesterd. Het is wellicht niet bewust gedaan, maar het boek is het antwoord op de niet expliciet gestelde vraag of je ergens opnieuw kunt wortelen. En het antwoord is dat je moeilijker wortelt als je in je eigen land al ontheemd was. Heeft het met jeugd te maken? Het lijkt erop. De ouders van Kweku woonden in een onveilige samenleving, maar uiteindelijk heeft elke samenleving zijn onveiligheid. In het geval van Kweku lijkt er iets genetisch of cultureels (zoals een oude bekende van de familie al dacht) in de Sai-familie te zitten (maar ook in de moeder van de vier kinderen) waardoor zij als gezin geen houvast hebben. Komt het toch door de vaders die hun gezin verlaten, niet uit gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef (zoals de Chinese schoonvader van Olu impliceert), maar zoals bij Kweku en zijn vader het geval was: de angst voor gezichtsverlies? Kwetsbaarheid, zo kenmerkend voor Afrika, blijkt in hun geval een reden om hun gezinnen te verlaten. Maar een dergelijke teerhartigheid klinkt niet echt geloofwaardig. Misplaatste trots is waarschijnlijker en dat valt meer aan te rekenen.

Het verhaal laat zien dat je als migrant je afkomst niet zou moeten verloochenen, aangezien je dan ook niet van je fouten in het verleden kunt leren. Je blijft dan de patronen herhalen die je verlammen maar die je wel gewend bent. En dat gaat van vader op zoon en moeder op dochter. De generaties kunnen leren van elkaar, maar dat kan niet als ze zich afsluiten voor hun (eigen) ontstaansgeschiedenis.
Kweku verlaat zijn gezin omdat hij zijn vrouw niet onder ogen durft te komen als hij zijn baan verliest. Het ene na het andere misverstand stapelt zich op en het hele gezin komt in een neerwaartse spiraal terecht. De moeder, Fola, die eerst haar kinderen wegstuurt naar haar onbekende halfbroer in Nigeria, kan naderhand toch wel haar kinderen zelf opvoeden. En zodanig dat ze alsnog naar Yale of Harvard gaan. Dat is toch wel bijzonder, als ze eerst gezegd heeft het niet te kunnen. De vertelling gaat daar mank.
De tweeling, Taiwo en Kehinde, worden als ongrijpbare wezens neergezet. Uiteindelijk ga je wel mee met het verhaal, vooral omdat het meer vorm krijgt. Het is frappant dat het verhaal echt kleur en leven krijgt als een aankomst in Nigeria wordt beschreven: het vliegveld, de straten, alles barst van leven, vol leven. Het eerder beschreven leven in Amerika is doods, kil en leeg, eendimensionaal. In die zin is deel 1 van het boek 1D, deel 2 wordt 2D en deel 3 (als je niet wil dat het verhaal ophoudt) wordt 3D.

Ondanks de redactionele manco’s van deze roman (zoals te veel herhaling in deel 1) is het verhaal meeslepend, zoals de auteur had beoogd. De grote vlucht van een arme Afrikaanse jongen (het ‘armste’ continent) naar de voorname buitenwijken van Boston (op het ‘rijkste’ continent) met een nageslacht dat succesvol is op school (de weg uit armoede) is een verhaal dat lezers aanspreekt. De reden is dat migratie ons aanspreekt, of het nu in de oudheid was of dat er heden ten dage elk etmaal houten boten met of zonder inhoud aanspoelen op het Europese continent. Daarom boeit het verhaal.

De verteller heeft het over de optische illusie die Amerika heet en hoe die kritiekloos wordt gekopieerd in de verste uithoeken van de aarde. Toch is het verhaal een parade van Grote Namen (Yale, Harvard, Oxford) alsof er tussen een eenvoudige Afrikaanse hut en een zeer vermogende buitenwijk in Boston slechts een vacuüm is. Dat is niet geloofwaardig en niet realistisch. Het is opmerkelijk dat er letterlijk nul Afro-Amerikanen in het boek voorkomen.

Afropolitan
De auteur ziet zichzelf niet als Afro-Amerikaanse schrijver en dat is ze inderdaad niet. De Amerikaanse samenleving wordt door haar niet beschreven, afgezien van een handjevol artsen die niet zouden misstaan in een aflevering van Grey’s Anatomy. De Afrikaanse samenleving komt er iets beter van af omdat daar van alles leeft: bediendes met eer maar een gezond instinct voor zelfbehoud, intellectuelen met een hart, kille landgenoten (ook al zijn ze familie), warme mensen, hoopvolle mensen.
Als je dat allemaal leest, moet je inderdaad concluderen dat Selasi zich enigszins terecht een ‘Afropolitan’ noemt, hoewel dat ‘-politan’ iets te grif de nadruk op glamour legt, alsof vooral de schijnwerpers van belang zijn.

Toch is het begrijpelijk dat Selasi het zo noemt. Als je uit een arm land komt, word je een migrant genoemd. Als je uit een rijk land komt, ben je een expat. Het is logisch dat de ambitieuze landverhuizer van bescheiden komaf evolueert van migrant tot nomade. Daar valt meer eer mee te behalen.

Uitgeverij      Atlas Contact, 2013
Pagina’s         384
Vertaald        uit het Engels door Auke Leistra, oorspronkelijke titel Ghana Must Go
ISBN              978 9025 435 882

Recensie door Aarti Rampadarath, 12 juni 2015

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress