Recensies

‘De eerste echte leugen’ door Marina Mander

mander-de eerste echte leugenIn de klas vragen ze ons waarin de homo sapiens zich onderscheidt van zijn voorvaderen. ‘Het vermogen om de boel te belazeren’, wil ik eigenlijk zeggen. Maar ik kijk wel uit.” (pag 119)

De eerste echte leugen wordt verteld vanuit het perspectief van de tienjarige Luca die samen met zijn moeder en zijn kat Blue in een niet nader benoemde stad in Italië woont. Luca’s moeder is ongelukkig, eenzaam, en slikt pillen tegen haar depressie – “soms overdrijft mamma het en slaapt ze meer dan anders”.
Ze heeft vaak ‘nieuwe vaders’ over de vloer, Luca’s echte vader is afwezig (“Ik heb nooit begrepen of pappa op het moment dat ik ter wereld kwam nou echt is dood gegaan of dat hij alleen maar voor ons is doodgegaan” (pag 10)) en om die reden noemt hij zichzelf een halve wees.

De novelle begint met een sterke proloog waarin Luca zich als het ware voorstelt aan de lezer. Het is luchtig, grappig, maar de vertelstem komt ook een beetje (te) betweterig en wel erg vroegwijs voor zijn leeftijd over. Deze betweterige toon maakt in de loop van de novelle echter plaats voor een meer bij zijn leeftijd passende logica en kijk op de werkelijkheid. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor Luca’s reactie op de gebeurtenis die het ‘echte’ verhaal in gang zet, het verhaal over de moeder die op een ochtend niet meer wakker werd.

Wanneer Luca’s moeder op een ochtend niet wakker wordt, besluit hij alles maar zelf te doen; zelf op te staan, alleen naar school te lopen, te doen alsof er niets anders is dan anders. Maar wat als ze echt nooit meer wakker zal worden? De angst om naar een weeshuis gestuurd te worden, doet hem besluiten om niets te laten merken aan de buitenwereld. Hij mag niet huilen, moet blijven glimlachen, ervoor zorgen dat de details hem niet verraden.
“Ik heb geleerd dat details meer over dingen zeggen dan de dingen zelf, als je goed op de details let kun je grote mensen laten denken dat alles goed gaat, en ze geloven je omdat de details kloppen. Verkeerde details zijn: haar door de war, schriften met vlekken, boeken met ezelsoren, schrammen en zwarte nagels, vloeken.” (pag 8)

Andere mensen mogen absoluut geen argwaan krijgen, dus wanneer er een vriendje wil komen spelen, bedenkt hij zich dat hij moet zorgen dat de koelkast niet leeg is, maar er gewoon zoals altijd sap en iets lekkers in huis is, en reageert hij ontkennend wanneer het vriendje vindt dat het bij Luca’s thuis gek ruikt. Maar meer nog dan dat Luca de waarheid probeert te verbergen voor anderen, verdringt hij de pijnlijke realiteit en het onvermijdelijke verdriet voor zichzelf. Hij klampt zich vast aan de gedachte dat straks alles weer als vanouds is, dat zijn moeder gewoon heel diep en heel erg lang slaapt. “Het is gewoon een verhaal dat ik heb verzonnen om mezelf bang te maken”, beeldt hij zichzelf in.
Maar de koelkast raakt leeg, de vuile was stapelt zich op. En er komt een steeds erger wordende stank uit de kamer waar Luca’s moeder ligt..

Het beeld dat Marina Mander via Luca’s interne monoloog schetst van het jongetje dat weg probeert te kijken van de waarheid is af en toe hartverscheurend, niet in de laatste plaats omdat het verteld wordt vanuit het (naïeve) perspectief van een kind dat zich in de steek gelaten voelt. “[Ze] denkt niet aan me, wil me niet. Het kan haar geen bal schelen wat het betekent om op mijn leeftijd wees te zijn, zij heeft haar eigen problemen, dingen die ik niet kan begrijpen, haar problemen zijn groter dan de mijne omdat zíj groter is, ik ben alleen maar een kind, of maar een kind alleen, dat is allemaal hetzelfde, het hangt ervan af hoe je het bekijkt. Zonsondergang boven de Zwarte Zee, nacht boven de Rode Zee, het is maar hoe je het schilderij houdt” (pag 26).

Wel contrasteren Luca’s kinderlijke logica en het beeld van het tienjarige jongetje dat niet weet hoe de wasmachine werkt en zijn onderbroeken daarom maar binnenstebuiten draagt nogal met zijn volwassen vocabulaire en taalgebruik, dat – ondanks dat zijn betweterige toon zoals genoemd na de proloog wat afneemt – niet echt past bij een tienjarige. Maar het taalgebruik is vaak zo poëtisch mooi dat dit eigenlijk ook geen kritiek genoemd mag worden. Hij is een soort “minivolwassene” die, zoals hij het zelf zo passend zegt, “zich gedwongen ziet buiten carnavalstijd een masker te dragen” (pag 140).

Uitgeverij       Anthos, 2012
Pagina’s           140
Vertaald          uit het Italiaans door Patty Krone en Yond Boeke
(oorspronkelijke titel La prima vera bugia)
ISBN                 978 9041 421 005

 Recensie door: Kyra, april 2014

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress