Recensies

‘Alles wat er was’ door Hanna Bervoets

Opmaak 1Met als doel een item over een wonderkind op te nemen voor een tv-programma over talent, komen acht mensen op een zondag samen in een schoolgebouw. Deze groep bestaat uit de televisiemakers Merel, Leo, Barry en Lotteke, de 8 jarige Joeri – het slimme kind dat eigenlijk geen wonderkind is, maar “een welbespraakt, achtjarig jongetje dat er in ieder geval erg slim uitzag” (p. 42) – , zijn moeder Nathalie, meester Kasper en schoonmaker/conciërge Kaylem. Nog voor ze goed en wel begonnen zijn klinkt er een oorverdovende knal. Op bevel van de autoriteiten worden ramen, deuren en gordijnen gesloten. Verder luidt het overheidsadvies uit de buurt van ramen en deuren te blijven en nadere instructies af te wachten. Nadere instructies blijven uit. Er is geen verbinding meer met internet, bellen kan ook niet meer, de elektriciteit valt geregeld uit hoelang er nog water uit de kraan zal komen, weet niemand. Ook is er maar een erg beperkte hoeveelheid aan voedsel aanwezig. De maaltijden worden steeds kleiner, en om het zo lang mogelijk uit te houden eten ze uiteindelijk maar een paar rijstkorrels of stukjes pasta per dag, om later tot nog drastischere maatregelen over te gaan.

Als het verhaal begint is cameravrouw Lotteke al vertrokken. Ze negeert de voorschriften, gaat weg, en verdwijnt in de grijzige, dikke mist die buiten hangt. Er wordt niets meer van haar vernomen. Na verloop van tijd dunt de groep langzaam nog verder uit. Wat is er precies gebeurd? Waarom moeten zelfs de gordijnen dicht blijven en zijn er eigenlijk nog anderen die deze Apocalyps overleefd hebben? Is er überhaupt nog iets over van de wereld zoals wij die kennen? Op deze vragen krijgt de lezer geen antwoord. Bervoets kiest ervoor de lezer in het ongewisse te laten over de oorzaak en gevolgen van de knal en niets te verklaren of uit te leggen.

Alles wat er was concentreert zich op de verhoudingen tussen deze zeven overgebleven mensen die aan elkaar overgeleverd zijn, en die met elkaar verder zullen moeten terwijl de spanningen onderling steeds hoger oplopen, de verveling en honger toenemen en het vertrouwen in elkaar en de hoop op uitkomst steeds kleiner worden. Een noodlottige gebeurtenis verdeelt de groep definitief in twee kampen: de ‘slachtoffers’ (zij die er zitten vanwege de televisiemakers) aan de ene kant, en de zogenaamde ‘daders’, de televisiemakers, aan de andere kant. Kaylem hoort eigenlijk nergens bij. Maar ook binnen deze kampen wordt er binnen- en buitengesloten en begint men elkaar steeds meer te wantrouwen.

Gedurende het hele boek wordt er heen en weer gesprongen tussen de dagen na de knal: het verhaal begint met ‘dag 91’, gevolgd door ‘dag 5’, dan ‘dag 95’, vervolgens ‘dag 7’, et cetera. Maar ook binnen de afzonderlijke “hoofdstukken” worden er sprongetjes (terug) in de tijd gemaakt: zo wordt er direct aan het begin van het eerste hoofdstuk (dag 91) gerefereerd aan een gebeurtenis op dag 12. Na deze anekdote richt verteller Merel zich tot een jij; de baby die ze in haar buik voelt. In een dikke, roze agenda die ze uit het laatje van een van de schoolkinderen heeft gepakt, schrijft ze alles op. Ze beschrijft de zogenaamde ‘nieuwe situatie’ waar ze zich in bevindt, maar vertelt dit ongeboren kind ook over het leven voor de knal, waarin “vakantie en werk elkaar afwisselden en we ’s avonds twitterden dat we televisie keken” (p.10). Dit levert rake observaties over het leven anno nu, en over de aandachtbeluste whatsapp’ende, facebookende, en twitterende mens. Dat Merel ook over deze banale dingen schrijft, wordt gelegitimeerd door de vertelvorm: alles wat er was, is niet meer, dus behoeven ook alledaagse zaken uitleg.

Een beetje jammer is dat Bervoets er ook voor heeft gekozen om in de tekst een verklaring te geven voor het gebrek aan chronologie: er wordt verteld dat de blaadjes waarop Merel haar verhaal noteert losschieten en door de war raken. Het is niet alleen wat flauw om de inhoud op deze manier de vorm te laten verklaren, maar het is ook wel erg toevallig dat het blaadje dat bovenop lag (en waar Alles wat er was dus mee begint) dag 91 is, de dag waarop Merel ontdekte dat ze zwanger is. Daar waar Bervoets er terecht voor kiest om niet te veel uit te leggen en te verklaren wat betreft de knal en de gevolgen van dien, begaat ze hier eerder de ‘misstap’ om juist te willen verklaren.
Het gebrek aan chronologie an sich is echter wél een sterke keuze. Als het verhaal in chronologische volgorde verteld zou zijn, was de kans groot geweest dat het wat voorspelbaar zou zijn geworden, en bovendien is het nu net alsof de lezer samen met Merel af en toe het gevoel van tijd kwijtraakt en niet precies meer weet wanneer iets gebeurde. Maar ook: of het daadwerkelijk gebeurde. De grens tussen droom, fantasie, hallucinatie en werkelijkheid wordt steeds diffuser. Wat zijn hersenspinsels van Merel en wat gebeurt er echt? Uitspraken als “En toen droomde ik dat ik wakker werd. En dat alles maar een droom was. En toen werd ik wakker. En bleek het meeste toch gewoon echt” (p. 174) benadrukken deze onduidelijke grens. Verder kan je je sowieso afvragen hoe betrouwbaar het verhaal van iemand die al weken op een dieet van een paar rijstkorrels per dag leeft en langzaam gek wordt van de honger eigenlijk is. Ook refereert Bervoets expliciet aan de onbetrouwbaarheid van het geheugen en leeft Merel onder het devies “Het gaat er niet om wat je doet. Het gaat erom wat mensen geloven dat je doet”. Kortom, wat ‘echt’ is en wat niet is voor de lezer onmogelijk te achterhalen – wat het verhaal extra beklemmend maakt.

Dan is er ook nog het lege kokertje Halopax dat Merel op de 21e dag vindt. Een belangrijke vraag die door het hele boek heen op blijft duiken, is van wie de Halopax is (iedereen ontkent), en wat er gebeurt als deze persoon plotseling zonder medicijnen komt te zitten. Ondanks dat het een zwaar middel is, lijkt dit gezien de situatie slechts een bagatel. Bij gebrek aan voedsel en onder de omstandigheden waar ze zich in bevinden, kan iedereen onvoorspelbaar gedrag gaan vertonen en het contact met de realiteit verliezen. Het verhaal heeft dit extra “spanningselement” dan ook niet echt nodig, wat overigens ook geldt voor de niet echt ter zake doende verwijzingen naar Merels treurige jeugd.

Hoewel het onderwerp van Alles wat er was niet heel origineel is (het thema is al veelvuldig behandeld in zowel literatuur, tv, als film) en het ietwat ongeloofwaardig is dat er niet gewoon eens een keer iemand de gordijnen opentrekt, heeft Bervoets met Alles wat er was een leuke roman geschreven, die gedurende het verhaal steeds beter en beklemmender wordt. En dat een personage als Barry, die op de dertiende dag nog woorden als ‘soiree’ gebruikt, ook degene is die later in een tenenkrommende brief dingen schrijft als “Echt fokking lief”, “Ik geef fokking veel om jou dat weet je hè“, en “Ik schaam me dood, voel me er vreselijk over; want wat de fuck echt!?”, moeten we gezien de hopeloze omstandigheden maar voor lief nemen. Gelukkig staat dit in schril contrast tot Bervoets stijl in de rest van het boek.

Uitgeverij             Atlas Contact, 2013
Pagina’s                 256
ISBN                       978 9025 440 374

Recensie door: Kyra, 9 mei 2013

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Powered by: Wordpress